ΙΕΡΕΜΙΑΣ 50
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἐγενήθη ὡς ἐπαύσατο Ἱερεμίας λέγων πρὸς τὸν λαὸν πάντας τοὺς λόγους Κυρίου, οὓς ἀπέστειλεν αὐτὸν Κύριος πρὸς αὐτούς, πάντας τοὺς λόγους τούτους,
1Het woord, dat Jahweh door den profeet Jeremias over Babel en over het land der Chaldeën heeft gesproken:
2καὶ εἶπεν Ἀζαρίας υἱὸς Μαασαίου καὶ Ἰωανὰν υἱὸς Καρηὲ καὶ πάντες οἱ ἄνδρες οἱ εἴπαντες τῷ Ἱερεμίᾳ λέγοντες· ψεύδη, οὐκ ἀπέστειλέ σε Κύριος πρὸς ἡμᾶς λέγων· μὴ εἰσέλθητε εἰς Αἴγυπτον οἰκεῖν ἐκεῖ,
2Meldt en verkondigt het onder de volken; Omhoog de banier! Laat het horen, zonder iets te verbergen, Roept uit: Babel gevallen! Bel staat beschaamd, en Mardoek verschrikt; Hun beelden blozen, hun schandgoden beven!
3ἀλλ' ἢ Βαροὺχ υἱὸς Νηρίου συμβάλλει σε πρὸς ἡμᾶς, ἵνα δῷς ἡμᾶς εἰς χεῖρας τῶν Χαλδαίων τοῦ θανατῶσαι ἡμᾶς καὶ ἀποικισθῆναι ἡμᾶς εἰς Βαβυλῶνα.
3Want een volk uit het noorden trekt tegen hem op; Het zal van zijn land een wildernis maken, Waar niemand woont, Waaruit mens en beest zijn gevlucht en verdwenen.
4καὶ οὐκ ἤκουσεν Ἰωανὰν καὶ πάντες ἡγεμόνες τῆς δυνάμεως καὶ πᾶς ὁ λαὸς τῆς φωνῆς Κυρίου κατοικῆσαι ἐν γῇ Ἰούδα.
4In die dagen en in die tijd, Is de godsspraak van Jahweh: Zullen de kinderen van Israël komen, Tezamen met de kinderen van Juda; Al wenend zullen ze gaan, Om Jahweh te zoeken, hun God;
5καὶ ἔλαβεν Ἰωανὰν καὶ πάντες οἱ ἡγεμόνες τῆς δυνάμεως πάντας τοὺς καταλοίπους Ἰούδα, τοὺς ἀποστρέψαντας κατοικεῖν ἐν τῇ γῇ,
5Ze zullen de weg naar Sion vragen, Want dàt is hun doel: “Komt, laten we ons aan Jahweh hechten, Door een eeuwig, onvergetelijk verbond!”
6τοὺς δυνατοὺς ἄνδρας καὶ τὰς γυναῖκας καὶ τὰ νήπια, καὶ τὰς θυγατέρας τοῦ βασιλέως καὶ τὰς ψυχάς, ἃς κατέλιπε Ναβουζαρδὰν μετὰ Γοδολίου υἱοῦ Ἀχεικάμ, καὶ Ἱερεμίαν τὸν προφήτην καὶ Βαροὺχ υἱὸν Νηρίου
6Een verdoolde kudde was mijn volk, Hun herders hebben ze op een dwaalspoor gebracht, En lieten ze zwerven op de bergen; Van berg tot heuvel trokken ze rond, En vergaten hun kooi.
7καὶ εἰσῆλθον εἰς Αἴγυπτον, ὅτι οὐκ ἤκουσαν τῆς φωνῆς Κυρίου· καὶ εἰσῆλθον εἰς Τάφνας.
7Al die ze vonden, slokten ze op, Hun vijanden zeiden: “Wij hebben geen schuld!” Want ze hadden gezondigd Tegen Jahweh, de weideplaats der gerechtigheid, Tegen Jahweh, de hoop hunner vaderen.
8καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς Ἱερεμίαν ἐν Τάφνας λέγων·
8Vlucht Babel uit, trekt weg uit het land der Chaldeën, Als bokken aan het hoofd van de kudde!
9λαβὲ σεαυτῷ λίθους μεγάλους καὶ κατάκρυψον αὐτοὺς ἐν προθύροις, ἐν πύλῃ τῆς οἰκίας Φαραὼ ἐν Τάφνας, κατ' ὀφθαλμοὺς ἀνδρῶν Ἰούδα
9Want zie, Ik ga tegen Babel verwekken Een drom van machtige volken uit het land van het noorden. Die stellen zich daar in slagorde op, en nemen het in; Hun pijlen als van beproefde helden Keren nimmer ledig terug.
10καὶ ἐρεῖς· οὕτως εἶπε Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ ἀποστέλλω καὶ ἄξω Ναβουχοδονόσορ βασιλέα Βαβυλῶνος, καὶ θήσει αὐτοῦ τὸν θρόνον ἐπάνω τῶν λίθων τούτων, ὧν κατέκρυψας, καὶ ἀρεῖ τὰ ὅπλα αὐτοῦ ἐπ' αὐτοὺς
10Chaldea zal worden uitgeplunderd; Die het beroven, krijgen genoeg, Is de godsspraak van Jahweh!
11καὶ εἰσελεύσεται καὶ πατάξει γῆν Αἰγύπτου, οὓς εἰς θάνατον, εἰς θάνατον, καὶ οὓς εἰς ἀποικισμόν, εἰς ἀποικισμόν, καὶ οὓς εἰς ρομφαίαν, εἰς ρομφαίαν.
11Ja, verheugt u maar, en jubelt van vreugde, Gij plunderaars van mijn erve; Huppelt als kalveren in de weide, En hinnikt als hengsten:
12καὶ καύσει πῦρ ἐν οἰκίαις τῶν θεῶν αὐτῶν καὶ ἐμπυριεῖ αὐτὰς καὶ ἀποικιεῖ αὐτοὺς καὶ φθειριεῖ γῆν Αἰγύπτου, ὥσπερ φθειρίζει ποιμὴν τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ, καὶ ἐξελεύσεται ἐν εἰρήνῃ,
12Uw moeder ligt in de diepste schande, Die u baarde, is beschaamd; Ze wordt de minste onder de volken, Een wildernis, een dorre steppe;
13καὶ συντρίψει τοὺς στύλους Ἡλιουπόλεως, τοὺς ἐν Ὤν, καὶ τὰς οἰκίας αὐτῶν κατακαύσει ἐν πυρί.
13Door Jahweh’s toorn blijft ze onbewoond, Heel en al een woestijn!
no verse 14 in this text
14Op, rondom in het gelid tegen Babel, Allen, die de boog kunt spannen; Beschiet het, spaart de pijlen niet, Want het heeft tegen Jahweh gezondigd.
no verse 15 in this text
15Heft in ‘t rond de juichkreet over hem aan: Het geeft zich al over; Zijn torens vallen, Zijn muren storten ineen! Die Babel voorbijtrekt, zal zich verbazen, En blazen over al zijn rampen. Ja, dat is de wraak van Jahweh! Wreekt u er op; Zoals het zelf heeft gedaan, Moet ge het vergelden.
no verse 16 in this text
16Roeit uit Babel den zaaier uit, En wie de sikkel zwaait In de tijd van de oogst! Voor het moordende zwaard Keert iedereen terug naar zijn volk, Vluchten allen weg naar hun eigen land.
no verse 17 in this text
17Israël is een opgejaagd schaap, Door leeuwen vervolgd; Eerst heeft de koning van Assjoer het verslonden, Daarna heeft Nabukodonosor, De koning van Babel, zijn beenderen gebroken.
no verse 18 in this text
18Daarom spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Zie, Ik zal Mij wreken Op den koning van Babel en op zijn land, Zoals Ik wraak heb genomen op den koning van Assjoer!
no verse 19 in this text
19Dan leid Ik Israël terug naar zijn dreven, Het zal weer weiden op Karmel en Basjan; Op Efraïms bergen, En in Gilad verzadiging vinden.
no verse 20 in this text
20In die dagen en in die tijd, Is de godsspraak van Jahweh, Zal men de schuld van Israël zoeken, maar ze is er niet meer, En de zonde van Juda, maar men vindt ze niet langer: Want dan zal Ik vergiffenis schenken Aan hen, die Ik spaarde!
no verse 21 in this text
21Kom uit tegen het land “Dubbel-Verzet”, En tegen de bewoners van “Straf”: Zwaard, sla dood en verniel ze; Doe wat Ik u zeg, is de godsspraak van Jahweh!
no verse 22 in this text
22Krijgsrumoer in het land en grote verwoesting!
no verse 23 in this text
23Hoe ligt ge gebroken, in stukken, Hamer der gehele aarde? Hoe is Babel een gruwel geworden onder de volken?
no verse 24 in this text
24Ik legde u strikken, gij liet u vangen, Babel, eer gij het wist; Gij zijt verrast en gegrepen, Want gij hebt Jahweh getart.
no verse 25 in this text
25Jahweh heeft zijn tuighuis geopend, De wapens van zijn gramschap te voorschijn gehaald; Want Jahweh, de Heer, heeft een werk te verrichten In het land der Chaldeën!
no verse 26 in this text
26Trekt er op af, tot den laatsten man, Doet open zijn schuren; Gooit het op hopen als schoven, Verniel het, laat er niets meer van over.
no verse 27 in this text
27Doodt al zijn stieren, Naar de slachtbank er mee; Wee hun, want hun dag is gekomen, De tijd van hun straf!
no verse 28 in this text
28Hoort; de vluchtelingen, uit het land van Babel ontsnapt, Verkonden in Sion De wraak van Jahweh, onzen God, De wraak voor zijn tempel!
no verse 29 in this text
29Roept tegen Babel de boogschutters op, Allen, die de boog kunnen spannen; Sluit het van alle kant in, Zodat niemand ontsnapt, Vergeldt het zoals het verdient, Doet er mee, als het zelf heeft gedaan; Want het is onbeschaamd tegen Jahweh geweest, Tegen Israëls Heilige!
no verse 30 in this text
30Daarom vallen zijn jonge mannen Met al zijn strijders op straat; Ze komen om op die dag, Is de godsspraak van Jahweh!
no verse 31 in this text
31Onbeschaamde; zie, Ik kom op u af, Spreekt de Heer, Jahweh der heirscharen; Want uw dag is gekomen. De tijd van uw straf!
no verse 32 in this text
32De Onbeschaamde wankelt en valt, Niemand richt zijn muren weer op; Ik ontsteek een vuur in zijn steden. Dat heel zijn omgeving verteert.
no verse 33 in this text
33Zo spreekt Jahweh der heirscharen: De kinderen van Israël Worden met die van Juda mishandeld; Die ze in ballingschap voerden, houden ze vast, En weigeren, ze te laten vertrekken.
no verse 34 in this text
34Maar de Bevrijder is machtig: Jahweh der heirscharen is zijn Naam! Hij neemt het met kracht voor hen op, Om rust te brengen aan de aarde, Maar onrust aan de bewoners van Babel.
no verse 35 in this text
35Het zwaard tegen de Chaldeën, Is de godsspraak van Jahweh: Tegen de bewoners van Babel, Tegen zijn vorsten en wijzen!
no verse 36 in this text
36Het zwaard tegen de zwetsers: zij worden verdwaasd; Het zwaard tegen zijn helden: zij rillen;
no verse 37 in this text
37Het zwaard tegen zijn paarden en wagens, Tegen alle vreemden binnen zijn muren: zij worden als vrouwen! Het zwaard tegen zijn schatten: zij worden geplunderd;
no verse 38 in this text
38Het zwaard tegen zijn wateren: zij drogen op; Want het is een land van afgodsbeelden, Door monsters zijn ze verdwaasd.
no verse 39 in this text
39Daarom zullen daar wolven en jakhalzen liggen, En struisen er schuilen; Nooit meer zal het worden bewoond, Verlaten van geslacht tot geslacht.
no verse 40 in this text
40Zoals God Sodoma en Gomorra verwoestte, Met hun zustersteden. spreekt Jahweh: Zo zal er niemand wonen, Geen mensenkind er vertoeven.
no verse 41 in this text
41Zie, daar komt een volk uit het noorden, een grote natie, Machtige koningen rukken aan van de grenzen der aarde,
no verse 42 in this text
42Met boog en lansen gewapend, Wreed en zonder erbarmen. Hun kreten loeien als de zee, Op rossen jagen ze voort, Toegerust als oorlogsmannen Tegen u, dochter van Babel!
no verse 43 in this text
43De koning van Babel hoort wat van hen wordt verteld, Zijn handen hangen er slap van; Angst grijpt hem aan, Weeën als van een barende vrouw.
no verse 44 in this text
44Zoals een leeuw uit het kreupelhout van de Jordaan Naar de altijd groene weide schiet, Zo jaag Ik ze plotseling daaruit weg, En stel er over aan, wien Ik wil. Want wie is Mij gelijk, Wie durft Mij rekenschap vragen; En wie is de herder, Die Mij kan weerstaan?
no verse 45 in this text
45Hoort dus het besluit van Jahweh, Dat Hij over Babel nam, De plannen, die Hij beraamde Over het land der Chaldeën. Waarachtig, als kleine schaapjes sleurt men ze weg, Ja, hun weide zal van hen schrikken;
no verse 46 in this text
46De aarde beeft van het gedreun van hun val, Hun jammeren klinkt onder de volken!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.