ΙΕΡΕΜΙΑΣ
Chapter 48
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΙΕΡΕΜΙΑΣ 48

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἐγένετο τῷ μηνὶ τῷ ἑβδόμῳ ἦλθεν Ἰσμαὴλ υἰὸς Ναθανίου υἱοῦ Ἐλεασὰ ἀπὸ γένους τοῦ βασιλέως καὶ δέκα ἄνδρες μετ' αὐτοῦ πρὸς Γοδολίαν εἰς Μασσηφά, καὶ ἔφαγον ἐκεῖ ἄρτον ἅμα.
1Over Moab. Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Wee over Nebo, want het is verwoest, Kirjatáim te schande gemaakt en veroverd, De vesting vernield, met schande bedekt,
2καὶ ἀνέστη Ἰσμαὴλ καὶ οἱ δέκα ἄνδρες, οἳ ἦσαν μετ' αὐτοῦ, καὶ ἐπάταξαν τὸν Γοδολίαν, ὃν κατέστησε βασιλεὺς Βαβυλῶνος ἐπὶ τῆς γῆς,
2De glorie van Moab verdwenen! Tegen Chesjbon hebben ze onheil beraamd: “Komt, laat ons het verdelgen uit de rij van de volken!” Dimon, ook gij wordt verwoest, Het zwaard rent achter u aan.
3καὶ πάντας τοὺς Ἰουδαίους τοὺς ὄντας μετ' αὐτοῦ ἐν Μασσηφᾷ καὶ πάντας τοὺς Χαλδαίους τοὺς εὑρεθέντας ἐκεῖ.
3Hoort, uit Choronáim gejammer: Verwoesting en grote vernieling;
4Καὶ ἐγένετο τῇ ἡμέρᾳ τῇ δευτέρᾳ πατάξαντος αὐτοῦ τὸν Γοδολίαν, καὶ ἄνθρωπος οὐκ ἔγνω,
4Gebroken is Moab, Zijn kreten weerklinken tot Sóar.
5καὶ ἤλθοσαν ἄνδρες ἀπὸ Συχὲμ καὶ ἀπὸ Σαλὴμ καὶ ἀπὸ Σαμαρείας, ὀγδοήκοντα ἄνδρες, ἐξυρημένοι πώγωνας καὶ διερρηγμένοι τὰ ἱμάτια καὶ κοπτόμενοι, καὶ μαναὰ καὶ λίβανος ἐν χερσὶν αὐτῶν τοῦ εἰσενεγκεῖν εἰς οἶκον Κυρίου.
5Ach, de bergpas van Loechit Bestijgt men al schreiend; Op de helling van Choronáim Klinkt het gejammer om de vernieling.
6καὶ ἐξῆλθεν εἰς ἀπάντησιν αὐτοῖς Ἰσμαήλ· αὐτοὶ ἐπορεύοντο καὶ ἔκλαιον, καὶ εἶπεν αὐτοῖς· εἰσέλθετε πρὸς Γοδολίαν.
6Vliedt heen, redt uw leven, Als de wilde ezel in de woestijn;
7καὶ ἐγένετο εἰσελθόντων αὐτῶν εἰς τὸ μέσον τῆς πόλεως, ἔσφαξεν αὐτοὺς εἰς τὸ φρέαρ.
7Ge hebt op uw maaksels en schatten vertrouwd; Daarom wordt gij zelf gevangen genomen, Zal Kemosj in ballingschap gaan, Met hem zijn priesters en vorsten.
8καὶ δέκα ἄνδρες εὑρέθησαν ἐκεῖ καὶ εἶπαν τῷ Ἰσμαήλ· μὴ ἀνέλῃς ἡμᾶς, ὅτι εἰσὶν ἡμῖν θησαυροὶ ἐν ἀγρῷ, πυροὶ καὶ κριθαί, μέλι καὶ ἔλαιον· καὶ παρῆλθε καὶ οὐκ ἀνεῖλεν αὐτοὺς ἐν μέσῳ τῶν ἀδελφῶν αὐτῶν.
8De vernieler trekt op tegen iedere stad, Geen enkele blijft er gespaard; Het dal wordt vernield, de vlakte verwoest: Want Jahweh heeft het gezegd!
9καὶ τὸ φρέαρ, εἰς ὃ ἔρριψεν ἐκεῖ Ἰσμαὴλ πάντας, οὓς ἐπάταξε, φρέαρ μέγα τοῦτό ἐστιν, ὃ ἐποίησεν ὁ βασιλεὺς Ἀσὰ ἀπὸ προσώπου Βαασὰ βασιλέως Ἰσραήλ· τοῦτο ἐνέπλησεν Ἰσμαὴλ τραυματιῶν.
9Geeft vleugels aan Moab, Want snel moet het vluchten. Zijn steden zullen een wildernis worden, Waar niemand woont.
10καὶ ἀπέστρεψεν Ἰσμαὴλ πάντα τὸν λαὸν τὸν καταλειφθέντα εἰς Μασσηφὰ καὶ τὰς θυγατέρας τοῦ βασιλέως, ἃς παρακατέθετο ὁ ἀρχιμάγειρος τῷ Γοδολίᾳ υἱῷ Ἀχεικάμ, καὶ ᾤχετο εἰς τὸ πέραν υἱῶν Ἀμμών.
10Vervloekt, wie het werk van Jahweh ten halve volbrengt, Vervloekt, wie bloed durft weigeren aan zijn zwaard!
11Καὶ ἤκουσεν Ἰωανὰν υἱὸς Καρηὲ καὶ πάντες οἱ ἡγεμόνες τῆς δυνάμεως οἱ μετ' αὐτοῦ πάντα τὰ κακά, ἃ ἐποίησεν Ἰσμαήλ,
11Rust heeft Moab gekend Van zijn prilste jeugd af; Het lag ongestoord Op zijn droesem. Nooit werd het in een ander vat overgegoten, Nooit ging het in ballingschap; Zo heeft het steeds zijn smaak behouden, Is zijn geur niet vervlogen.
12καὶ ἤγαγον ἅπαν τὸ στρατόπεδον αὐτῶν καὶ ᾤχοντο πολεμεῖν αὐτὸν καὶ εὗρον αὐτὸν ἐπὶ ὕδατος πολλοῦ ἐν Γαβαών.
12Maar daarom zullen de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh: Dat Ik tappers zend, die het af zullen tappen, Zijn vaten legen, zijn kruiken verbrijzelen!
13καὶ ἐγένετο ὅτε εἶδε πᾶς ὁ λαὸς ὁ μετὰ Ἰσμαὴλ τὸν Ἰωανὰν καὶ τοὺς ἡγεμόνας τῆς δυνάμεως τῆς μετ' αὐτοῦ,
13Dan zal Moab om Kemosj beschaamd komen staan, Zoals het huis van Israël Te schande is geworden om Betel, Waarop het vertrouwd had.
14καὶ ἀνέστρεψαν πρὸς Ἰωανάν.
14Hoe durft ge nog zeggen: Helden zijn wij, Dappere mannen in de strijd!
15καὶ Ἰσμαὴλ ἐσώθη σὺν ὀκτὼ ἀνθρώποις καὶ ᾤχετο πρὸς τοὺς υἱοὺς Ἀμμών.
15De vernieler van Moab trekt tegen hem op, De keur van zijn knapen wordt naar de slachtbank gesleept.
16Καὶ ἔλαβεν Ἰωανὰν καὶ πάντες οἱ ἡγεμόνες τῆς δυνάμεως οἱ μετ' αὐτοῦ πάντας τοὺς καταλοίπους τοῦ λαοῦ, οὓς ἀπέστρεψεν ἀπὸ Ἰσμαήλ, δυνατοὺς ἄνδρας ἐν πολέμῳ καὶ τὰς γυναῖκας καὶ τὰ λοιπὰ καὶ τοὺς εὐνούχους, οὓς ἀπέστρεψαν ἀπὸ Γαβαών,
16Dit is de godsspraak des Konings, Jahweh der heirscharen is zijn Naam: De val van Moab is nabij, Zijn onheil nadert met spoed!
17καὶ ᾤχοντο καὶ ἐκάθισαν ἐν Γαβηρώθ Χαμαὰμ τῇ πρὸς Βηθλεὲμ τοῦ πορευθῆναι εἰς Αἴγυπτον
17Beklaagt het allen, gij zijn buren, Gij allen, die het kent bij zijn naam. Zegt: Hoe is zijn machtige schepter gebroken, Zijn heerlijke staf?
18ἀπὸ προσώπου τῶν Χαλδαίων, ὅτι ἐφοβήθησαν ἀπὸ προσώπου αὐτῶν, ὅτι ἐπάταξεν Ἰσμαὴλ τὸν Γοδολίαν, ὃν κατέστησεν ὁ βασιλεὺς Βαβυλῶνος ἐν τῇ γῇ.
18Daal af van uw glorie, zit neer in de drek, Bewoners van Dibon; Want de verwoester van Moab komt op u af, En vernielt uw burchten.
no verse 19 in this text
19Ga aan de weg staan uit te kijken, Bewoners van Aroër; Vraagt aan hen die ontvlucht en ontsnapt zijn: Zegt; wat is er gebeurd?
no verse 20 in this text
20“Moab vernield, met schande bedekt: Jammert en huilt; Meldt het de Arnon, Dat Moab verwoest is!”
no verse 21 in this text
21Het oordeel wordt aan de vlakte voltrokken, Aan Cholon, Jasa, Mefáat,
no verse 22 in this text
22Aan Dibon, Nebo, Bet-Diblatáim,
no verse 23 in this text
23Aan Kirjatáim, Bet-Gamoel, Bet-Meon.
no verse 24 in this text
24Aan Keri-jot, en aan Bosra, Aan alle steden van Moab, veraf of dichtbij:
no verse 25 in this text
25De hoorn van Moab wordt afgehouwen, Zijn arm gebroken, is de godsspraak van Jahweh!
no verse 26 in this text
26Maakt het dronken, Omdat het zich tegen Jahweh verhief, Zodat het in zijn eigen uitbraaksel plast, En tot bespotting zal worden.
no verse 27 in this text
27Of is Israël voor u geen bespotting geweest, Werd het niet onder de dieven gerekend? Ja, zo dikwijls gij het over hem hadt, Hebt ge meewarig het hoofd geschud!
no verse 28 in this text
28Verlaat nu de steden, en huist in spelonken, Bewoners van Moab; Doet als de duif, die zich nestelt Aan de rand van de afgrond.
no verse 29 in this text
29Wij hebben van Moabs hoogmoed gehoord, Van zijn grenzeloze trots, Van zijn waan, zijn bluffen en pochen, Van de hovaardij van zijn hart.
no verse 30 in this text
30Ik ken zijn snoeven, Is de godsspraak van Jahweh: Zijn ijdel gezwets, Zijn ijdel gedoe.
no verse 31 in this text
31Daarom moet ik over heel Moab wel jammeren, Klagen en zuchten over de mannen van Kir-Chéres,
no verse 32 in this text
32Meer dan over Jazer geweend is, over u wenen, Wijnstok van Sibma! Uw ranken hingen over de zee, En reikten tot Jazer; Maar op uw gewas en uw oogst Is de vernieler gevallen!
no verse 33 in this text
33Weg is de blijdschap en vreugd uit uw gaarden, En uit Moabs gebied; Ik laat de wijn uit de kuipen lopen, De perser treedt en juicht er niet meer.
no verse 34 in this text
34Het huilen van Chesjbon dringt tot Elale door, Men hoort ze schreien tot Jáhas, Van Sóar tot Choronáim en Eglat, Want zelfs de wateren van Nimrim zijn een steppe geworden.
no verse 35 in this text
35En uit Moab verdelg Ik, Is de godsspraak van Jahweh, Al wie de offerhoogten bestijgt, En wierook brandt voor zijn god.
no verse 36 in this text
36Daarom kermt mijn hart Als een fluit over Moab; Kermt mijn hart over de mannen van Kir-chéres: Want wat men gespaard heeft, is verloren gegaan.
no verse 37 in this text
37Ja, alle hoofden zijn kaal, Alle baarden geschoren, Alle handen gekerfd, Om alle lenden een zak.
no verse 38 in this text
38Op alle daken en straten van Moab Niets dan gejammer, Want Ik heb Moab verbrijzeld als een waardeloze pot, Is de godsspraak van Jahweh!
no verse 39 in this text
39Hoe is het vernield, en staat het te snikken, Hoe wendt Moab vol schaamte zich af, Hoe is Moab tot spot en tot afschuw geworden, Voor al zijn buren?
no verse 40 in this text
40Want zo spreekt Jahweh: Zie, als een adelaar schiet hij toe, Slaat zijn vleugels naar Moab uit:
no verse 41 in this text
41De steden worden ingenomen, De burchten worden veroverd Op die dag wordt het hart van Moabs helden Als het hart van een vrouw in haar weeën;
no verse 42 in this text
42Verdelgd wordt Moab uit de rij van de volken, Omdat het zich tegen Jahweh verhief.
no verse 43 in this text
43Verschrikking, kuilen en strikken voor u, Bewoners van Moab, is de godsspraak van Jahweh:
no verse 44 in this text
44Wie de verschrikking ontkomt, valt in de kuil, Wie de kuil ontsnapt, wordt in de strikken gevangen. Waarachtig, dit alles zal Ik Moab berokkenen, In het jaar van zijn straf, is de godsspraak van Jahweh!
no verse 45 in this text
45Dan blijven in de schaduw van Chesjbon De vluchtelingen uitgeput staan. Dan zal er een vuur uit Chesjbon laaien, En een gloed uit de muren van Sichon: Het zal de slapen van Moab verzengen, De schedel van die druktemakers!
no verse 46 in this text
46Wee u, Moab, Ge zijt verloren, volk van Kemosj; Want uw zonen worden gevangen gemaakt, Uw dochters gaan de ballingschap in.
no verse 47 in this text
47Wel keer Ik nog eenmaal het lot van Moab ten beste, Op het einde der dagen, Is de godsspraak van Jahweh: Maar tot dan duurt het gericht over Moab!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.