ΙΕΡΕΜΙΑΣ 10
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΑΚΟΥΣΑΤΕ τὸν λόγον Κυρίου, ὃν ἐλάλησεν ἐφ' ὑμᾶς, οἶκος Ἰσραήλ·
1Hoort het woord, dat Jahweh tot u spreekt, huis van Israël!
2τάδε λέγει Κύριος· κατὰ τὰς ὁδοὺς τῶν ἐθνῶν μὴ μανθάνετε καὶ ἀπὸ τῶν σημείων τοῦ οὐρανοῦ μὴ φοβεῖσθε, ὅτι φοβοῦνται αὐτὰ τοῖς προσώποις αὐτῶν.
2Zo spreekt Jahweh: Leert de gebruiken der heidenen niet aan; Weest niet bevreesd voor hemeltekens, Omdat de heidenen er bang voor zijn.
3ὅτι τὰ νόμιμα τῶν ἐθνῶν μάταια· ξύλον ἐστὶν ἐκ τοῦ δρυμοῦ ἐκκεκομμένον, ἔργον τέκτονος καὶ χώνευμα·
3Wat de heidenen vrezen is louter waan, Een blok hout, in de bossen gekapt, Door den werkman met de bijl gehouwen,
4ἀργυρίῳ καὶ χρυσίῳ κεκαλλωπισμένα ἐστίν· ἐν σφύραις καὶ ἥλοις ἐστερέωσαν αὐτά,
4Met zilver en goud overtrokken. Met spijkers en hamers slaat men ze vast, Opdat ze niet waggelen.
5θήσουσιν αὐτά, καὶ οὐ κινηθήσονται· ἀργύριον τορευτόν ἐστιν, οὐ πορεύσονται· ἀργύριον προσβλητὸν ἀπὸ Θαρσὶς ἥξει, χρυσίον Μωφὰζ καὶ χεὶρ χρυσοχόων, ἔργα τεχνιτῶν πάντα· ὑάκινθον καὶ πορφύραν ἐνδύσουσιν αὐτά· αἰρόμενα ἀρθήσονται, ὅτι οὐκ ἐπιβήσονται. μὴ φοβηθῆτε αὐτά, ὅτι οὐ μὴ κακοποιήσωσι, καὶ ἀγαθὸν οὐκ ἔστιν ἐν αὐτοῖς.
5Ze zijn als vogelverschrikkers op het veld, Die niet eens kunnen spreken; Altijd moet men ze dragen, Want ze kunnen niet gaan; Vreest ze niet: ze kunnen geen kwaad doen, Maar goed evenmin.
no verse 6 in this text
6Jahweh! Aan U is niemand gelijk, Gij alleen zijt groot; Groot en machtig is uw Naam:
no verse 7 in this text
7Wie zou U niet vrezen, Koning der volken! Waarachtig, U alleen komt dit toe: Want onder alle wijzen der naties En in heel hun gebied Is niemand, die zich kan meten met U!
no verse 8 in this text
8Allemaal zijn ze dom en dwaas, Die zich laten leiden door een nietig stuk hout,
no verse 9 in this text
9Door plaatzilver uit Tarsjisj, Door goud uit Ofir gehaald. Het is allemaal werk van den smid, En werk van den gieter, Bekleed met paars en purper, Allemaal kunstenaars-maaksel.
no verse 10 in this text
10Maar Jahweh is de waarachtige God, De levende God, de eeuwige Koning; De aarde rilt van zijn toorn, De volken houden het voor zijn gramschap niet uit!
11οὕτως ἐρεῖτε αὐτοῖς· θεοί, οἳ τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν οὐκ ἐποίησαν, ἀπολέσθωσαν ἐκ τῆς γῆς καὶ ὑποκάτωθεν τοῦ οὐρανοῦ τούτου.
11Dit moet ge hun zeggen: De goden, die hemel en aarde niet hebben gemaakt, Zullen van de aarde verdwijnen En van onder de hemel!
12Κύριος ὁ ποιήσας τὴν γῆν ἐν τῇ ἰσχύϊ αὐτοῦ, ὁ ἀνορθώσας τὴν οἰκουμένην ἐν τῇ σοφίᾳ αὐτοῦ καὶ τῇ φρονήσει αὐτοῦ ἐξέτεινε τὸν οὐρανόν,
12Maar Jahweh heeft de aarde gemaakt door zijn kracht, De wereld gegrond door zijn wijsheid, Door zijn verstand de hemel gespannen.
13καὶ πλῆθος ὕδατος ἐν οὐρανῷ, καὶ ἀνήγαγε νεφέλας ἐξ ἐσχάτου τῆς γῆς, ἀστραπὰς εἰς ὑετὸν ἐποίησε καὶ ἐξήγαγε φῶς ἐκ θησαυρῶν αὐτοῦ.
13Als Hij zijn donder laat rollen, En de wateren in de hemel doet bruisen, Als Hij de wolken omhoogtrekt van de grenzen der aarde, Zijn bliksems omsmeedt in regen, En de storm uit zijn schatkamers haalt:
14ἐμωράνθη πᾶς ἄνθρωπος ἀπὸ γνώσεως, κατῃσχύνθη πᾶς χρυσοχόος ἐπὶ τοῖς γλυπτοῖς αὐτοῦ, ὅτι ψευδῆ ἐχώνευσεν, οὐκ ἔστι πνεῦμα ἐν αὐτοῖς·
14Staan alle mensen verstomd en verbluft, Schaamt elke gieter zich over zijn beeld! Want zijn gietsel is leugen, Geen geest woont er in.
15μάταιά ἐστιν, ἔργα ἐμπεπαιγμένα, ἐν καιρῷ ἐπισκοπῆς αὐτῶν ἀπολοῦνται.
15Ze zijn maar een waan, een belachelijk maaksel, Die te gronde gaan, als hun tijd is gekomen.
16οὐκ ἔστι τοιαύτη μερὶς τῷ Ἰακώβ, ὅτι ὁ πλάσας τὰ πάντα αὐτὸς κληρονομία αὐτοῦ, Κύριος ὄνομα αὐτῷ.
16Neen, aan hen is Jakobs Deel niet gelijk, Want Hij is de Schepper van alles, En Israël is zijn stam en zijn erfdeel, Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
17Συνήγαγεν ἔξωθεν τὴν ὑπόστασίν σου, κατοικοῦσα ἐν ἐκλεκτοῖς.
17Neem uw pak op van de grond, Benauwde veste; Want zo spreekt Jahweh:
18ὅτι τάδε λέγει Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ σκελίζω τοὺς κατοικοῦντας τὴν γῆν ταύτην ἐν θλίψει, ὅπως εὑρεθῇ ἡ πληγή σου·
18Zie, deze keer slinger Ik weg De bewoners van het land; Ik ga ze in benauwing brengen, Opdat ze het boeten, En Mij mogen vinden.
19οὐαὶ ἐπὶ συντρίμματί σου, ἀλγηρὰ ἡ πληγή σου, κἀγὼ εἶπα· ὄντως τοῦτο τὸ τραῦμά μου καὶ κατέλαβέ με·
19Wee mij, om mijn slagen, Mijn schrijnende wonde! En ik had nog gedacht: Dit lijden kan ik wel dragen.
20ἡ σκηνή μου ἐταλαιπώρησεν, ὤλετο, καὶ πᾶσαι αἱ δέρρεις μου διεσπάσθησαν· οἱ υἱοί μου καὶ τὰ πρόβατά μου οὐκ εἰσίν, οὐκ ἔστιν ἔτι τόπος τῆς σκηνῆς μου, τόπος τῶν δέρρεών μου.
20Mijn tent ligt vernield, al mijn koorden zijn stuk, Mijn kinderen en kudden zijn heen; Niemand meer, om mijn tent te spannen, Mijn zeildoek te hijsen.
21ὅτι οἱ ποιμένες ἠφρονεύσαντο καὶ τὸν Κύριον οὐκ ἐξεζήτησαν· διὰ τοῦτο οὐκ ἐνόησε πᾶσα ἡ νομὴ καὶ διεσκοσπίσθησαν.
21Ja, de herders waren zo dwaas, Om Jahweh niet te zoeken; Daarom hadden ze geen geluk, Is heel hun kudde verstrooid.
22φωνὴ ἀκοῆς ἰδοὺ ἔρχεται καὶ σεισμὸς μέγας ἐκ γῆς βορρᾶ τοῦ τάξαι τὰς πόλεις Ἰούδα εἰς ἀφανισμὸν καὶ κοίτην στρουθῶν.
22Hoor, daar komt een geraas, Een geweldig dreunen uit het land van het noorden, Om van Juda’s steden een steppe te maken, Een jakhalzen-hol!
23οἶδα, Κύριε, ὅτι οὐχὶ τοῦ ἀνθρώπου ἡ ὁδὸς αὐτοῦ, οὐδὲ ἀνὴρ πορεύσεται καὶ κατορθώσει πορείαν αὐτοῦ.
23Jahweh, ik weet, dat de mens zijn eigen weg niet bepaalt, Geen wandelaar zijn eigen schreden kan richten.
24παίδευσον ἡμᾶς, Κύριε, πλὴν ἐν κρίσει καὶ μὴ ἐν θυμῷ, ἵνα μὴ ὀλίγους ἡμᾶς ποιήσῃς.
24Tuchtig mij, Jahweh, maar niet ongenadig, Niet naar uw gramschap, om mij te vernielen.
25ἔκχεον τὸν θυμόν σου ἐπὶ ἔθνη τὰ μὴ εἰδότα σε καὶ ἐπὶ γενεάς, αἳ τὸ ὄνομά σου οὐκ ἐπεκαλέσαντο, ὅτι κατέφαγον τὸν Ἰακὼβ καὶ ἐξανήλωσαν αὐτὸν καὶ τὴν νομὴν αὐτοῦ ἠρήμωσαν.
25Neen, stort uw gramschap over de naties uit, die U niet kennen, Over de stammen, die uw Naam niet vereren: Want ze hebben Jakob verslonden en verteerd, Zijn dreven verwoest!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.