ΙΕΡΕΜΙΑΣ 30
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΟΥΤΩΣ εἶπε Κύριος· μὴ υἱοὶ οὐκ εἰσὶν ἐν Ἰσραήλ, ἢ παραληψόμενος οὐκ ἔστιν αὐτοῖς; διατί παρέλαβε Μελχὸλ τὴν Γαλαάδ, καὶ ὁ λαὸς αὐτῶν ἐν πόλεσιν αὐτῶν ἐνοικήσει;
1Het woord, dat door Jahweh tot Jeremias werd gericht:
2διὰ τοῦτο ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται, φησὶ Κύριος, καὶ ἀκουτιῶ ἐπὶ Ραββὰθ θόρυβον πολέμων, καὶ ἔσονται εἰς ἄβατον καὶ εἰς ἀπώλειαν, καὶ βωμοὶ αὐτῆς ἐν πυρὶ κατακαυθήσονται, καὶ παραλήψεται Ἰσραὴλ τὴν ἀρχὴν αὐτοῦ.
2Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Schrijf alle woorden, die Ik tot u ga spreken, op in een boek.
3ἀλάλαξον Ἐσεβών, ὅτι ὤλετο Γαΐ· κεκράξατε θυγατέρες Ραββάθ, περιζώσασθε σάκκους καὶ κόψασθε, ὅτι Μελχὸλ βαδιεῖται ἐν ἀποικίᾳ, οἱ ἱερεῖς αὐτοῦ καὶ οἱ ἄρχοντες αὐτοῦ ἅμα.
3Want zie, de dagen zullen komen, is de godsspraak van Jahweh, dat Ik een einde zal maken aan de ballingschap van Israël en Juda, mijn volk, zegt Jahweh; dat Ik ze terugbreng naar het land, dat Ik hun vaderen heb geschonken, en dat ze het in bezit zullen nemen.
4τί ἀγαλλιᾶσθε ἐν τοῖς πεδίοις Ἐνακείμ, θύγατερ ἰταμίας, ἡ πεποιθυῖα ἐπὶ θησαυροῖς αὐτῆς, ἡ λέγουσα· τίς εἰσελεύσεται ἐπ' ἐμέ;
4Dit zijn de woorden, die Jahweh over Israël en Juda heeft gesproken:
5ἰδοὺ ἐγὼ φέρω φόβον ἐπὶ σέ, εἶπε Κύριος, ἀπὸ πάσης τῆς περιοίκου σου, καὶ διασπαρήσεσθε ἕκαστος εἰς τὸ πρόσωπον αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔσται ὁ συνάγων.
5Zo spreekt Jahweh! Een angstgeschrei wordt gehoord, Benauwende schrik!
6Τῇ Κηδὰρ τῇ βασιλίσσῃ τῆς αὐλῆς, ἣν ἐπάταξε Ναβουχοδονόσορ βασιλεὺς Βαβυλῶνος. Οὕτως εἶπε Κύριος· ἀνάστητε καὶ ἀνάβητε ἐπὶ Κηδὰρ καὶ πλήσατε τοὺς υἱοὺς Κεδέμ·
6Vraagt en ziet, Of mannen soms baren? Waarom dan zie ik iederen man Met de handen op de heupen als een barende vrouw? Waarom zijn alle gezichten vertrokken, Doodsbleek geworden?
7σκηνὰς αὐτῶν καὶ τὰ πρόβατα αὐτῶν λήψονται, ἱμάτια αὐτῶν καὶ πάντα τὰ σκεύη αὐτῶν καὶ καμήλους αὐτῶν λήψονται ἑαυτοῖς· καὶ καλέσατε ἐπ' αὐτοὺς ἀπώλειαν κυκλόθεν.
7Wee, hoe geweldig die dag; Zo is er geen ander! Een angsttijd voor Jakob: Maar hij zal er uit worden gered!
8φεύγετε λίαν, βαθύνατε εἰς κάθισιν, καθήμενοι ἐν τῇ αὐλῇ, ὅτι ἐβουλεύσατο ἐφ' ὑμᾶς βασιλεὺς Βαβυλῶνος βουλὴν καὶ ἐλογίσατο ἐφ' ὑμᾶς λογισμόν.
8Op die dag: spreekt Jahweh der heirscharen, Breek Ik het juk van hun nek, En scheur hun banden vaneen. Niet langer zullen vreemden ze knechten;
9ἀνάστηθι καὶ ἀνάβηθι ἐπ' ἔθνος εὐσταθοῦν, καθήμενον εἰς ἀναψυχήν, οἷς οὐκ εἰσὶ θύραι, οὐ βάλανοι, οὐ μοχλοί, μόνοι καταλύουσι.
9Maar Jahweh zullen ze dienen, hun God, En David, hun koning, dien Ik hun zal verwekken.
10καὶ ἔσονται κάμηλοι αὐτῶν εἰς προνομὴν καὶ πλῆθος κτηνῶν αὐτῶν εἰς ἀπώλειαν· καὶ λικμήσω αὐτοὺς παντὶ πνεύματι κεκαρμένους πρὸ προσώπου αὐτῶν, ἐκ παντὸς πέραν αὐτῶν οἴσω τὴν τροπὴν αὐτῶν, εἶπε Κύριος.
10Jakob, mijn dienaar, wees niet bang, Spreekt Jahweh; Israël, ge behoeft niet te vrezen; Want Ik ga u verlossen uit verre gewesten, Uw kroost uit het land hunner ballingschap! Jakob keert terug, en vindt weer zijn rust, Onbekommerd, door niemand verschrikt.
11καὶ ἔσται ἡ αὐλὴ διατριβὴ στρουθῶν καὶ ἄβατος ἕως αἰῶνος, οὐ μὴ καθίσῃ ἐκεῖ ἄνθρωπος, καὶ οὐ μὴ κατοικήσῃ ἐκεῖ υἱὸς ἀνθρώπου.
11Want Ik ben met u, om u te redden, spreekt Jahweh! Ja, Ik ga alle volken vernielen, Waaronder Ik u heb verstrooid. Maar u zal Ik nimmer vernielen, Ik tuchtig u enkel, zoals ge verdient;
12Τῇ Δαμασκῷ. Κατῃσχύνθη Ἠμὰθ καὶ Ἀρφάδ, ὅτι ἤκουσαν ἀκοὴν πονηράν· ἐξέστησαν, ἐθυμώθησαν, ἀναπαύσασθαι οὐ μὴ δύνωνται.
12Neen, Ik laat u niet ongestraft! Zo spreekt Jahweh: Uw plaag is ontzettend, En schrijnend uw wonde;
13ἐξελύθη Δαμασκός, ἀπεστράφη εἰς φυγήν, τρόμος ἐπελάβετο αὐτῆς.
13Niemand wil uw zweren verbinden, Geneesmiddelen helpen u niet.
14πῶς οὐχὶ ἐγκατέλιπε πόλιν ἐμήν; κώμην ἠγάπησαν·
14Al uw minnaars zijn u vergeten, En bekommeren zich niet meer om u. Want Ik heb u als een vijand onbarmhartig geslagen, Om uw grote schuld, en uw talloze zonden.
15διὰ τοῦτο πεσοῦνται νεανίσκοι ἐν πλατείαις σου, καὶ πάντες οἱ ἄνδρες οἱ πολεμισταί σου πεσοῦνται, φησὶ Κύριος·
15Wat krijt ge dan zo om uw wonden, En uw ontzettende plaag? Om uw grote schuld, en uw talloze zonden Heb Ik u dit berokkend!
16καὶ καύσω πῦρ ἐν τείχει Δαμασκοῦ, καὶ καταφάγεται ἄμφοδα υἱοῦ Ἄδερ.
16Waarachtig, die u verslinden, Worden allen verslonden; En al uw verdrukkers Zullen in ballingschap gaan; Uw plunderaars worden geplunderd, Uw rovers zal Ik beroven!
no verse 17 in this text
17Dan sluit Ik uw wonde, En genees uw kwalen, Is de godsspraak van Jahweh; Omdat men u Verstoteling noemt: Dit is Sion, om wien zich niemand bekommert! Zo spreekt Jahweh!
no verse 18 in this text
18Zie, Ik maak de tenten van Jakob gelukkig, En ontferm Mij over zijn stulpen; De stad wordt herbouwd op haar heuvel, De burcht troont weer op zijn oude plaats;,
no verse 19 in this text
19Er stijgen jubelzangen uit op, En vrolijke kreten. Ik vermeerder ze weer: zij verminderen niet; Ik herstel ze in ere: men veracht ze niet meer;
no verse 20 in this text
20Zijn zonen zullen weer worden als vroeger, Zijn gemeente zal voor mijn aangezicht staan; Al zijn verdrukkers zal Ik bestraffen, Hij wordt weer sterker dan zij!
no verse 21 in this text
21Zijn vorst staat uit zijn midden op; Ik laat hem komen: hij mag Mij naderen; Wie anders zou zijn leven wagen, Om Mij te naderen, spreekt Jahweh!
no verse 22 in this text
22Zo zult gij mijn volk, En Ik zal uw God zijn!
no verse 23 in this text
23Zie, de storm van Jahweh komt, De gramschap barst los als een wervelwind, Op het hoofd van de bozen stort zij zich uit.
no verse 24 in this text
24De toorn van Jahweh legt zich niet neer, Eer Hij zijn plannen heeft ten uitvoer gebracht: Ten leste zult ge het zelf ondervinden!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.