ΙΕΡΕΜΙΑΣ
Chapter 36
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΙΕΡΕΜΙΑΣ 36

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ οὗτοι οἱ λόγοι τῆς βίβλου, οὓς ἀπέστειλεν Ἱερεμίας ἐξ Ἱερουσαλὴμ πρὸς τοὺς πρεσβυτέρους τῆς ἀποικίας καὶ πρὸς τοὺς ἱερεῖς καὶ πρὸς τοὺς ψευδοπροφήτας, ἐπιστολὴν εἰς Βαβυλῶνα τῇ ἀποικίᾳ καὶ πρὸς ἅπαντα τὸν λαόν,
1In het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, werd dit woord van Jahweh tot Jeremias gericht:
2ὕστερον ἐξελθόντος Ἰεχονίου τοῦ βασιλέως καὶ τῆς βασιλίσσης καὶ τῶν εὐνούχων καὶ παντὸς ἐλευθέρου καὶ δεσμώτου καὶ τεχνίτου ἐξ Ἱερουσαλήμ,
2Neem een boekrol, en schrijf daarop al wat Ik over Israël en Juda en over alle volken heb gezegd, sinds Ik tot u begon te spreken van de tijd van Josias af tot heden toe.
3ἐν χειρὶ Ἐλεασὰ υἱοῦ Σαφὰν καὶ Γαμαρίου υἱοῦ Χελκίου, ὃν ἀπέστειλε Σεδεκίας βασιλεὺς Ἰούδα πρὸς βασιλέα Βαβυλῶνος εἰς Βαβυλῶνα λέγων·
3Misschien bekeert zich het huis van Juda nog van zijn zondige wandel, als ze alle rampen vernemen, die Ik van plan ben hun te berokkenen, zodat Ik hun schuld en hun zonde nog kan vergeven.
4οὕτως εἶπε Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ ἐπὶ τὴν ἀποικίαν, ἣν ἀπῴκισα ἀπὸ Ἱερουσαλήμ·
4Jeremias liet Baruk ontbieden, den zoon van Neri-ja; en Baruk schreef op een boekrol al wat Jahweh tot Jeremias had gesproken, en Jeremias hem mondeling opgaf.
5οἰκοδομήσατε οἴκους καὶ κατοικήσατε καὶ φυτεύσατε παραδείσους καὶ φάγετε τοὺς καρποὺς αὐτῶν
5Daarop gaf Jeremias aan Baruk de opdracht: Men verhindert mij, naar het huis van Jahweh te gaan.
6καὶ λάβετε γυναῖκας καὶ τεκνοποιήσατε υἱοὺς καὶ θυγατέρας καὶ λάβετε τοῖς υἱοῖς ὑμῶν γυναῖκας καὶ τὰς θυγατέρας ὑμῶν δότε ἀνδράσι καὶ πληθύνεσθε καὶ μὴ σμικρυνθῆτε·
6Gij moet er dus heen gaan, en uit de boekrol, die ge geschreven hebt, zoals ik u opgaf, op de vastendag in de tempel van Jahweh het volk voorlezen wat Jahweh gezegd heeft; ook aan alle Judeërs, die uit hun steden zullen komen, moet ge het voorlezen.
7καὶ ζητήσατε εἰς εἰρήνην τῆς γῆς, εἰς ἣν ἀπῴκισα ὑμᾶς ἐκεῖ, καὶ προσεύξασθε περὶ αὐτῶν πρὸς Κύριον, ὅτι ἐν εἰρήνῃ αὐτῆς ἔσται εἰρήνη ὑμῖν.
7Misschien leggen ze dan hun smeekbede neer voor het aanschijn van Jahweh, en bekeren allen zich nog van hun zondige wandel; want geweldig is de grimmige toorn, waarmede Jahweh dit volk heeft bedreigd.
8ὅτι οὕτως εἶπε Κύριος· μὴ ἀναπειθέτωσαν ὑμᾶς οἱ ψευδοπροφῆται οἱ ἐν ὑμῖν, καὶ μὴ ἀναπειθέτωσαν ὑμᾶς οἱ μάντεις ὑμῶν, καὶ μὴ ἀκούετε εἰς τὰ ἐνύπνια ὑμῶν, ἃ ὑμεῖς ἐνυπνιάζεσθε,
8Baruk, de zoon van Neri-ja, deed al wat de profeet Jeremias hem had bevolen, en ging in de tempel van Jahweh uit het boek de woorden van Jahweh voorlezen.
9ὅτι ἄδικα αὐτοὶ προφητεύουσιν ὑμῖν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου, καὶ οὐκ ἀπέστειλα αὐτούς.
9Het was in het vijfde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, en in de negende maand, dat men al het volk van Jerusalem, en al het volk, dat uit de steden van Juda naar Jerusalem was gekomen, voor Jahweh had samengeroepen, om een vasten te houden.
10ὅτι οὕτως εἶπε Κύριος· ὅταν μέλλῃ πληροῦσθαι Βαβυλῶνι ἑβδομήκοντα ἔτη, ἐπισκέψομαι ὑμᾶς καὶ ἐπιστήσω τοὺς λόγους μου ἐφ' ὑμᾶς τοῦ ἀποστρέψαι τὸν λαὸν ὑμῶν εἰς τὸν τόπον τοῦτον.
10Toen las Baruk in de tempel van Jahweh, in het vertrek van den schrijver Gemarjáhoe, den zoon van Sjafan, op de bovenste voorhof en bij de ingang van de nieuwe poort van Jahweh’s tempel ten aanhoren van heel het volk de woorden van Jeremias voor uit het boek.
11καὶ λογιοῦμαι ἐφ' ὑμᾶς λογισμὸν εἰρήνης καὶ οὐ κακὰ τοῦ δοῦναι ὑμῖν ταῦτα.
11Toen Mikájehoe, de zoon van Gemarjáhoe, zoon van Sjafan, al de woorden van Jahweh uit het boek had gehoord,
12καὶ προσεύξασθε πρός με, καὶ εἰσακούσομαι ὑμῶν·
12liep hij naar het koninklijk paleis beneden de kanselarij in, waar juist alle aanvoerders zitting hielden: de kanselier Elisjama, Delajáhoe de zoon van Sjemajáhoe, Elnatan de zoon van Akbor, Gemarjáhoe de zoon van Sjafan, en Sidkijáhoe de zoon van Chananjáhoe, met alle andere aanvoerders.
13καὶ ἐκζητήσατέ με, καὶ εὑρήσετέ με, ὅτι ζητήσετέ με ἐν ὅλῃ καρδίᾳ ὑμῶν,
13En Mikájehoe vertelde hun al wat hij Baruk aan het volk uit het boek had horen voorlezen.
14καὶ ἐπιφανοῦμαι ὑμῖν.
14Toen stuurden alle aanvoerders Jehoedi, den zoon van Netanjáhoe, zoon van Sjelemjáhoe, zoon van Koesji naar Baruk toe met het bevel: Kom zelf hierheen, en breng de rol mee, waaruit ge het volk hebt voorgelezen. En Baruk, de zoon van Neri-ja, nam de rol met zich mee, en ging naar hen toe.
15ὅτι εἴπατε· κατέστησεν ἡμῖν Κύριος προφήτας ἐν Βαβυλῶνι,
15Ze zeiden tot hem: Ga zitten, en lees het ons voor. Baruk deed het.
no verse 16 in this text
16En toen ze alles hadden gehoord, keken ze elkaar ontsteld aan, en zeiden tot Baruk: We moeten den koning dit alles berichten.
no verse 17 in this text
17Maar eerst ondervroegen ze Baruk nog: Vertel ons eens, hoe komt ge aan al wat ge hebt opgeschreven?
no verse 18 in this text
18Baruk gaf hun ten antwoord: Jeremias heeft mij dit alles mondeling opgegeven, en ik heb het met inkt in het boek geschreven.
no verse 19 in this text
19Toen zeiden de aanvoerders: Ga u dan maar met Jeremias verbergen, en laat niemand weten, waar ge blijft!
no verse 20 in this text
20Ze lieten de rol in het vertrek van den kanselier Elisjama achter, gingen in allerijl naar den koning en berichtten hem al wat er gebeurd was.
21οὕτως εἶπε Κύριος ἐπὶ Ἀχιὰβ καὶ ἐπὶ Σεδεκίαν· ἰδοὺ ἐγὼ δίδωμι αὐτοὺς εἰς χεῖρας βασιλέως Βαβυλῶνος, καὶ πατάξει αὐτοὺς κατ' ὀφθαλμοὺς ὑμῶν.
21De koning liet Jehoedi de rol halen; en toen Jehoedi ze uit het vertrek van den kanselier Elisjama gehaald had, las hij ze voor aan den koning en aan alle aanvoerders, die zich om den koning hadden geschaard.
22καὶ λήψονται ἀπ' αὐτῶν κατάραν ἐν πάσῃ τῇ ἀποικίᾳ Ἰούδα ἐν Βαβυλῶνι λέγοντες· ποιήσαι σε Κύριος, ὡς Σεδεκίαν ἐποίησε καὶ ὡς Ἀχιάβ, οὓς ἀπετηγάνισε βασιλεὺς Βαβυλῶνος ἐν πυρί,
22De koning bewoonde toen het winterverblijf en daar het in de negende maand was, brandde er voor hem een vuur in een pot.
23δι' ἣν ἐποίησαν ἀνομίαν ἐν Ἰσραὴλ καὶ ἐμοιχῶντο τὰς γυναῖκας τῶν πολιτῶν αὐτῶν καὶ λόγον ἐχρημάτισαν ἐν τῷ ὀνόματί μου, ὃν οὐ συνέταξα αὐτοῖς, καὶ ἐγὼ μάρτυς, φησὶ Κύριος.
23Telkens als Jehoedi drie of vier kolommen gelezen had, liet hij ze met een schrijfmes afsnijden en in het vuur van de pot gooien, totdat de hele rol in het vuur van de pot was verteerd.
24καὶ πρὸς Σαμαίαν τὸν Νελαμίτην ἐρεῖς·
24Noch de koning, noch een van zijn hovelingen was ontsteld, of scheurde zijn kleren bij het horen van al die woorden.
25οὐκ ἀπέστειλά σε τῷ ὀνόματί μου. καὶ πρὸς Σοφονίαν υἱὸν Μαασαίου τὸν ἱερέα εἰπέ·
25Zelfs wilde de koning niet eens naar Elnatan, Delajáhoe en Gemarjáhoe luisteren, toen ze hem smeekten, de rol toch niet te verbranden.
26Κύριος ἔδωκέ σε ἱερέα ἀντὶ Ἰωδαὲ τοῦ ἱερέως γενέσθαι ἐπιστάτην ἐν τῷ οἴκῳ Κυρίου παντὶ ἀνθρώπῳ προφητεύοντι καὶ παντὶ ἀνθρώπῳ μαινομένῳ, καὶ δώσεις αὐτὸν εἰς τὸ ἀπόκλεισμα καὶ εἰς τὸν καταράκτην.
26Integendeel, de koning gaf prins Jerachmeël, Serajáhoe den zoon van Azriël, en Sjelemjáhoe den zoon van Abdeël bevel, om Baruk den schrijver en den profeet Jeremias gevangen te nemen. Maar Jahweh hield ze verborgen.
27καὶ νῦν διατί συνελοιδορήσατε Ἱερεμίαν τὸν ἐξ Ἀναθὼθ τὸν προφητεύσαντα ὑμῖν;
27Nadat dus de koning de rol had verbrand met de woorden, die Baruk volgens mondelinge opgave van Jeremias daarop had geschreven, werd het woord van Jahweh tot Jeremias gericht:
28οὐ διὰ τοῦτο ἀπέστειλε πρὸς ὑμᾶς εἰς Βαβυλῶνα λέγων· μακράν ἐστιν, οἰκοδομήσατε οἰκίας καὶ κατοικήσατε καὶ φυτεύσατε κήπους καὶ φάγεσθε τὸν καρπὸν αὐτῶν;
28Neem een nieuwe rol, en schrijf er alles weer op, wat op de eerste rol heeft gestaan, die Jojakim, de koning van Juda, heeft verbrand.
29Καὶ ἀνέγνω Σοφονίας τὸ βιβλίον εἰς τὰ ὦτα Ἱερεμίου.
29En over Jojakim, den koning van Juda, moet ge er aan toevoegen: Zo spreekt Jahweh! Ge hebt deze rol verbrand, en gezegd: “Waarom hebt ge er op geschreven, dat de koning van Babel zal komen, het hele land zal verwoesten, en er mens en vee zal verdelgen?”
30καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς Ἱερεμίαν λέγων·
30Daarom spreekt Jahweh over Jojakim, den koning van Juda: Hij zal niemand hebben, die op de troon van David zal zetelen, en zijn lijk zal worden weggesmeten, overdag in de hitte en ‘s nachts in de kou.
31ἀπόστειλον πρὸς τὴν ἀποικίαν λέγων· οὕτως εἶπε Κύριος ἐπὶ Σαμαίαν τὸν Νελαμίτην· ἐπειδὴ ἐπροφήτευσεν ὑμῖν Σαμαίας, καὶ ἐγὼ οὐκ ἀπέστειλα αὐτόν, καὶ πεποιθέναι ἐποίησεν ὑμᾶς ἐπ' ἀδίκοις,
31Ik zal op hem en zijn kroost en op zijn dienaars hun misdaad wreken, en over hen, en over de bewoners van Jerusalem en over de mannen van Juda alle rampen uitstorten, waarmee Ik ze heb bedreigd, zonder dat ze hebben geluisterd.
32διὰ τοῦτο οὕτως εἶπε Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ ἐπισκέψομαι ἐπὶ Σαμαίαν καὶ ἐπὶ τὸ γένος αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔσται αὐτῶν ἄνθρωπος ἐν μέσῳ ὑμῶν τοῦ ἰδεῖν τὰ ἀγαθά, ἃ ἐγὼ ποιήσω ὑμῖν, οὐκ ὄψονται.
32Jeremias nam dus een nieuwe rol, en stelde ze Baruk den schrijver, den zoon van Neri-ja, ter hand. Deze schreef volgens mondelinge opgave van Jeremias er de hele inhoud in op van het boek, dat Jojakim, de koning van Juda, in het vuur had verbrand, en hij voegde er nog vele andere woorden aan toe van dezelfde strekking.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.