Еремії 9
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1О, хто дав би в голову мою воду, а очам моїм джерело сльоз! Я плакав би день і ніч над занапащаннєм дочки народу мого.
1Ach, mocht mijn hoofd een stortvloed worden, Mijn oog een bron van tranen: Dat ik dag en nacht kon bewenen De doden van de dochter van mijn volk!
2Ой коли б же менї дано в пустинї притулок подорожних! я покинув би людей моїх та й пійшов од них: всї бо вони перелюбники, купа зрадників.
2Ach, had ik in de woestijn Maar een afgelegen verblijf: Dan verliet ik mijn volk, En ging van hen heen; Want allen zijn het overspelers, Een trouweloos rot.
3Натягують язика свого, мов лука, на лож і потужнїють на землї кривдою; бо від одного ледарства переходять вони до другого, мене ж не знають, говорить Господь.
3Ze spannen hun tong Als een boog met hun leugens; Niet op eerlijke wijze verkrijgen ze macht in het land, Maar van het ene kwaad vervallen ze in het andere; Mij kennen ze niet: Is de godsspraak van Jahweh!
4Остерігайсь один одного, й не звіряйся брат братові; кожен бо брат заставляє підступи, кожен побратим обносить клеветами.
4Wees voor uw vriend op uw hoede, En niemand vertrouwe zijn broer; Want alle broers zijn bedriegers, Een lasteraar iedere vriend;
5Один обманює другого, правди не говорять; зʼучили язики свої говорити неправду, лукавлять аж до утоми.
5Ze liegen maar tegen elkander, Nooit spreken ze waarheid. Ze hebben hun tong leren liegen, En putten zich uit in geveins,
6Ти живеш серед підступу; через підступ не хочуть вони й мене знати, говорить Господь.
6In geweld op geweld, In bedrog op bedrog; Mij willen ze niet kennen: Is de godsspraak van Jahweh!
7Тим то й говорить Господь Саваот: Ось, я розплавлю і навідаю їх; що ж бо менї чинити з такою дочкою народу мого?
7Daarom zegt Jahweh der heirscharen: Zie, Ik ga ze smelten en keuren; Wat kan Ik anders doen Met de dochter van mijn volk?
8Язик їх — смертоносна стріла: говорять підступно; устами своїми говорять до свого ближнього прихильно, а в серцї свойму заставляють сїти.
8Want hun tong is een moordende pijl, Het woord in hun mond is bedrog. Vrede! roept men zijn vrienden toe, Maar in zijn binnenste legt men ze strikken.
9Як же б я та не скарав їх за таке? — говорить Господь, як не має помститись душа моя на такому народові, як сей?
9En zou Ik dit alles niet straffen: Is de godsspraak van Jahweh: Op zulk een volk Mij niet wreken!
10Задля гір здійму плач і риданнє, над луговими пасовищами заголошу, бо їх випалять, так що не буде нїкому ходу через них, і нечути буде череднього рику; і птаство піднебесне й зьвірі — все розсїється, повтїкає.
10Heft een wee- en jammerklacht aan op de bergen, Een klaaglied op de dreven der steppe: Want ze liggen verlaten, er trekt niemand doorheen, Men hoort er niet meer het blaten der kudde; De vogels uit de lucht met het vee Zijn weggevlucht en verdwenen.
11І оберну Ерусалим в купу каміння, в пробуток шакалїв, а Юдині міста пообертаю в пустки безлюдні.
11Van Jerusalem ga Ik een puinhoop maken, een jakhalzen-hol; Van de steden van Juda een wildernis zonder bewoners!
12Хто такий мудрий, щоб се зрозумів, і хто, чуючи се з уст Господнїх, зʼясував би, через що погибла країна й випалена, як пустиня, так що через неї нема нїкому ходу?
12Wie wijs is, hij zal het begrijpen, Tot wien Jahweh’s mond heeft gesproken, hij zal het verkonden: Waarom dit land te gronde moet gaan, Verlaten als een woestijn, waar niemand doorheen trekt!
13Господь же говорить так: За те, що вони покинули закон мій, який я дав їм, і не слухали голосу мого та й не ходили по йому;
13Jahweh zegt: Omdat ze mijn wet hebben verlaten, Die Ik hun had gegeven; Naar mijn stem niet hebben geluisterd, En er niet naar hebben geleefd;
14А ходили за упрямим серцем своїм та слїдом за Баалом, як їх отцї їх навчили.
14Maar hun afgestompt hart zijn gevolgd, En de Báals, zoals hun vaders het hen hadden geleerd.
15Тим же то так говорить Господь Саваот, Бог Ізраїля: Нагодую люд сей полином і напою водою з жовчю;
15Daarom zegt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Zie, Ik ga dit volk met alsem voeden, en drenken met gif;
16І порозсїваю між народами, що їх нї вони, нї їх отцї не знали, і пошлю слїдом за ними меча, аж їх повигублюю.
16Ik ga ze verstrooien onder de volken, Die zijzelf noch hun vaders hebben gekend; En Ik zend hun het zwaard achterna, Totdat Ik ze geheel heb vernield!
17Так говорить Господь сил небесних: Розважте се, та покличте голосїльниць, нехай прийдуть, і пошлїте за тямущими в сьому дїлї, нехай прийдуть.
17Dit zegt Jahweh der heirscharen: Gaat klaagvrouwen zoeken, laat ze komen; De bekwaamsten ontbieden, Dat ze komen, zich spoeden;
18Нехай хутко прийдуть і заголосять по нас, щоб і наші очі слїзьми виливались і наші війки взялись водою.
18Laat ze een klaaglied over ons jammeren, Dat onze ogen stromen van tranen, Onze wimpers druipen van water.
19Бо голосний плач знявся од Сиону: Ой як же нас ограблено, як тяжко соромом окрито! мусимо покинути нашу землю, повалено бо домівки наші!
19Hoort! Een jammerklacht Wordt uit Sion vernomen: Hoe zijn we vernield, Hoe diep beschaamd; Want we moeten het land verlaten. Men heeft onze huizen verwoest.
20Ой чувайте ж, молодицї, слово Господнє, і нехай вважає ухо ваше на слово з уст його; і навчайте ваших дочок плакати, і одна другу — в пісьнях нарікати!
20Ach vrouwen, hoort het woord van Jahweh, Laat uw oren luisteren naar het woord van zijn mond; Leert uw dochters een treurzang, Elkander een klaaglied;
21Бо смерть добувається у наші вікна, вломлюється в палати наші, щоб губити з серед улиць дїток, молодиків із майданів ваших.
21Want de dood is door onze vensters geklommen, En onze paleizen binnengedrongen! Hij maait de kinderen weg van de straat, De jeugd van de pleinen;
22Скажи: так говорить Господь: поляжуть люде трупом, наче гній на полі, мов ті снопи позад женця, та й нїкому буде їх збірати.
22De mensenlijken liggen neer Als mest op de akker; Als halmen achter den maaier, Die niemand leest!
23Так говорить Господь: Нехай не хвалиться мудрий мудростю своєю й потужний потугою своєю, нехай не хвалиться багатий багацтвом своїм.
23Zo spreekt Jahweh: De wijze roeme niet op zijn wijsheid, De sterke roeme niet op zijn sterkte, De rijke roeme niet op zijn rijkdom.
24Нї, хто хвалиться, нехай же ж хвалиться тим, що він розуміє і знає мене, знає, що я — Господь, котрий творю милость і суд і справедливість на землї, бо се до вподоби менї, говорить Господь.
24Wie roemen wil, moet hierin roemen: Dat hij verstandig is, en Mij erkent, Dat Ik Jahweh ben, die genade oefent, Recht en gerechtigheid op aarde; Want daarin heb Ik behagen, spreekt Jahweh!
25От, надходять днї, говорить Господь, що навідаюсь до всїх обрізаних і необрізаних:
25Zie, de dagen komen, spreekt Jahweh, Dat Ik op alle besnedenen afkom, die onbesneden bleven:
26До Египту й Юдеї, Едома, Аммонїїв і Моаба; до всїх, що стрижуть кругом волоссє, і що живуть у пустинї; всї бо ті народи необрізані, а ввесь дом Ізраїля — з необрізаним серцем.
26Op Egypte, Juda en Edom, Op de zonen van Ammon en Moab; Op allen ook, die zich de slapen scheren En de steppe bewonen! Want alle heidenen zijn onbesneden, Maar heel Israëls huis is onbesneden van hart!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.