Еремії 25
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Слово, що надійшло до Еремії про ввесь нарід Юдейський, в четвертому роцї Йоакимовому Йосієнковому, царя Юдейського, а се був первий рік Навуходонозорів, царя Вавилонського, —
1Dit was het woord, dat in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, en het eerste jaar van Nabukodonosor, den koning van Babel, tot Jeremias over het hele volk van Juda gericht was,
2Яке пророк Еремія проголосив до всїх людей Юдейських і до всїх осадників Ерусалимських, і сказав:
2en dat de profeet Jeremias voor het hele volk van Juda en al de bewoners van Jerusalem had gesproken:
3З тринайцятого року Йосіїного Амоненкового, царя Юдейського, та й по сей день — ось уже двайцять і три роки, — надійшло до мене слово Господнє, й я, невгаваючи, говорив його вам, — та ви не слухали.
3Van het dertiende jaar van Josias, den zoon van Amon en koning van Juda, tot de dag van heden, drie en twintig jaar lang, is het woord van Jahweh tot mij gericht, en heb ik van de vroege morgen tot de late avond tot u gesproken; maar ge hebt niet gehoord.
4Ще ж посилав Господь заздалегідь раз-пораз до вас слуги свої, пророки, та ви не слухали, анїже не нахиляли уха вашого, щоб слухати.
4Bovendien heeft Jahweh ‘s morgens vroeg en ‘s avonds laat al zijn dienaars, de profeten, tot u gezonden; maar ge hebt niet gehoord, niet willen luisteren.
5Вам казано: Вернїтесь кожне з ледачої дороги своєї і від лихих учинків своїх, так жити мете в землї, що надїлив Господь вам від віків та й до віків;
5Hij sprak: Bekeert u toch allen van uw boze handel en wandel; dan zult ge voor eeuwig blijven wonen op de grond, die Jahweh u en uw vaders heeft geschonken.
6І не ходїть за другими богами, щоб їм служити й припадати перед ними, й не запалюйте гнїву мого дїлами рук ваших, а не буду посилати на вас лихої години.
6Loopt geen vreemde goden na, om ze te dienen en te aanbidden, en tart Mij niet met het werk uwer handen, opdat Ik u geen onheil berokken.
7Ви ж не слухали мене, говорить Господь, приводячи мене до гнїву дїлами рук ваших, собі на лихо.
7Maar ge hebt niet willen luisteren, is de godsspraak van Jahweh, en Mij getart met uw maaksels tot uw eigen schade.
8Тим же то так говорить Господь сил небесних: За те, що ви не слухали слів моїх,
8Daarom spreekt Jahweh der heirscharen: Omdat ge naar mijn woorden niet hebt geluisterd,
9Пошлю й зберу всї племена півночні, говорить Господь, а з ними посланця мого Навуходонозора, царя Вавилонського, й приведу їх на сю землю й на осадники її і на всї сусїдні народи; і вигублю їх до нащаду, і зроблю їх страхом і сьміховищем та вічною пустинею.
9daarom heb Ik mijn dienaar Nabukodonosor, den koning van Babel, ontboden, en zal Ik alle volksstammen uit het noorden gaan halen, is de godsspraak van Jahweh, om ze los te laten op dit land en zijn bewoners, en op alle omliggende volken. Ik zal ze met de banvloek slaan, en ze tot een afschrik maken, tot een bespotting en eeuwige schande;
10І придавлю між ними голос радощів і голос веселощів, сьпіви молодому князеві й молодій княгинї; замовкнуть жорна, погасне сьвітло в каганцях.
10Ik zal uit hun midden de tonen van vreugde en blijdschap, de jubel van bruidegom en bruid, het knarsen van de molen en het licht van de lamp doen verdwijnen.
11Уся ж земля ся зробиться пусткою й дивовижею, і служити муть сї народи цареві Вавилонському сїмдесять років.
11Heel dit land zal een puinhoop worden en steppe, en deze volken zullen den koning van Babel dienstbaar worden, zeventig jaar lang.
12А як упливе сїмдесять років, покараю царя Вавилонського й той нарід, говорить Господь, за безбожність їх, і землю Халдейську, та й зроблю її вічною пустинею.
12Maar als die zeventig jaar zijn verlopen, zal Ik den koning van Babel en dat volk zijn misdaad vergelden, is de godsspraak van Jahweh, het land der Chaldeën gaan straffen, en er een eeuwige steppe van maken.
13І спевню на тій землї всї слова мої, що проти неї проголосив, — усе написане в сїй книзї, що пророкував Еремія про всї народи.
13Dan zal Ik over dat land al mijn bedreigingen in vervulling doen gaan, die Ik er tegen heb uitgesproken, en alles wat in dit boek staat geschreven, en wat Jeremias over alle volken heeft voorspeld.
14Бо й їх підневолять многолюдні народи й царі великі; і оддам їм по дїлам їх і по їх поступкам.
14Want ook zij zullen dienstbaar worden aan machtige volken en grote koningen: zo zal Ik ze hun daden vergelden en het werk hunner handen!
15Так бо сказав менї Господь, Бог Ізрайлїв: Возьми сього кубка з вином пересердя мого з руки моєї, і напій з його всї народи, що до них тебе посилаю.
15En nu spreekt Jahweh, de God van Israël, tot mij: Neem deze beker met de wijn van gramschap uit mijn hand, en laat alle volken er uit drinken, tot wie Ik u zend;
16І випють вони, й будуть заточуватись, і стуманїють на вид меча, що пошлю на них.
16ze zullen hem drinken en waggelen, en dol worden door het zwaard, dat Ik op hen loslaat.
17І взяв я кубка з руки Господньої та й напоїв із него всї народи, що до них посилав мене Господь:
17Ik nam de beker uit de hand van Jahweh aan, en liet er alle volken uit drinken, tot wie Jahweh mij zond:
18Ерусалим і городи Юдині, царів їх і князїв їх, щоб їх спустошити, й учинити страховищем, посьміхом і прокляттєм, як оце воно вже тепер почалося сповняти,
18Jerusalem en de steden van Juda met hun koningen en magistraten, om er een puinhoop en een woestenij van te maken, een spot en een vloek, zoals ze op de dag van vandaag zijn geworden;
19Фараона, царя Египецького, з його слугами, з його князями й з усїм людом його;
19Farao, den koning van Egypte met zijn hovelingen en magistraten en heel zijn volk;
20І ввесь мішаний народ, і всїх царів ув Уз-землї, й усїх царів Филистійських, і Аскалон, і Газу, й Екрон і останки Азоту,
20geheel de gemengde bevolking en alle koningen van het land van Oes; al de koningen van het land der Filistijnen met Asjkelon, Gaza, Ekron en wat er van Asjdod is overgebleven;
21Едома й Моаба й потомство Аммонове,
21Edom, Moab en de Ammonieten;
22Ще ж і всїх царів Тирських і усїх царів Сидонських, і царів у морських осадах по тім боцї моря,
22alle koningen van Tyrus, alle koningen van Sidon met de koningen van het kustgebied aan de andere kant van de zee;
23В Деданї, Темі й Бузї й усїх, що стрижуть волоссє на висках,
23Dedan, Tema, Boez, met allen die zich de slapen scheren;
24І царів Арабійських і царів у народів мішаних, що кочують у пустинї.
24alle koningen van Arabië, met heel de gemengde bevolking, die de steppe bewoont;
25Ще ж усїх царів Зимрійських і всїх царів Еламських і всїх царів Мидійських,
25alle koningen van Zimri, alle koningen van Elam en alle koningen van Medië;
26І всїх царів півночних, чи близько чи далеко вони живуть одні з одними, — і всї царства на землї, та й царь Сесахський (Вавилонський) випє послї них.
26alle koningen van het noorden, dichtbij of ver van elkander; alle koninkrijken op de oppervlakte der aarde; het laatst zal de koning van Sjesjak drinken.
27І скажи їм: Так говорить Господь Саваот, Бог Ізрайлїв: Пийте й упийтесь, щоб аж вертали, та падайте, не вставайте вже од меча, що пошлю на вас.
27Ge moet hun zeggen: Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Drinkt, tot ge er dronken van wordt en gaat braken, tot ge er bij neervalt en niet overeind kunt door het zwaard, dat Ik op u afzend.
28Коли ж затинати муться брати кубка з твоїх рук, щоб випити, то скажи їм: Так говорить Господь сил небесних: й нехотячи будете пити!
28En wanneer ze weigeren, de beker van u aan te nemen en te drinken, dan moet ge hun zeggen: Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Drinken zult ge!
29Ось бо, я починаю насилати лиху годину на се місто, що на йому наречено моє імя, а ви б то зостались не покарані? Нї, кара не мине вас; бо направляю меча проти всїх живущих на землї, говорить Господь Саваот.
29Of denkt ge nog, dat ge gespaard blijft, terwijl Ik al begonnen ben, rampen te brengen over de stad, die naar mijn Naam is genoemd? Neen, ge blijft niet gespaard; want Ik heb het zwaard al ontboden tegen alle bewoners der aarde, is de godsspraak van Jahweh der heirscharen!
30Тим то вискажи їм всї слова сї й скажи: Господь загрімить з висоти й з пробутку сьвятостї своєї дасть голос свій почути; страшно загремить він на оселю свою; наче ті, що в тискарнї грона топчуть, закричить він на всїх живущих на землї.
30Ge moet hun dit alles profeteren, en tot hen zeggen: Jahweh brult uit de hoge, Laat zijn donder rollen uit zijn heilige woning; Hij buldert tegen zijn stede, Stoot een jubelkreet uit, als die de wijnpers treden, Tegen alle bewoners der aarde.
31Гук воєнний понесеться до кінцїв землї, бо Господь буде розправлятись із народами, буде судитись із усяким тїлом, і подасть безбожних під меча, говорить Господь.
31De strijdkreet dreunt tot de grenzen der aarde, Want Jahweh gaat alle volken richten, Vonnis vellen over alle vlees: De bozen worden aan het zwaard geregen, Is de godsspraak van Jahweh!
32Так бо говорить Господь Саваот: Злиднї пійдуть від народу до народу, й велика буря здійметься з найдальших окраїн землї.
32Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Zie, een jammer waart rond Van volk tot volk; Een geweldige storm barst los Uit de hoeken der aarde!
33І будуть того часу побиті Господом від краю до краю землї; не будуть по них плакати, не будуть їх збірати анї ховати, — гноєм лежати муть верх землї.
33Dan zullen zij, die door Jahweh worden geslagen, Van het ene einde der aarde tot het andere liggen; Ze zullen niet worden betreurd, Niet worden verzameld, niet worden begraven, Maar dienen tot mest op het veld.
34Ридайте, пастирі, голосїте й посипайте голови порохом, ви значнїйші в отарі; прийшла бо ваша година, щоб вас поколено й порозпуджувано, й попадаєте, як дорога посудина.
34Jammert herders en klaagt, Bestrooit u met as, gij leiders der schapen: Want uw tijd is gekomen, Om geslacht te worden en afgemaakt; Als vette bokken zult ge vallen.
35І не буде втечища пастирям анї притулку передним ув отарі.
35Dan zal er geen vluchten meer zijn voor de herders, Geen ontkomen voor de leiders der schapen;
36Ось-ось почується жалібний клик пастирів і плач між передовими в отарі, спустошить бо Господь їх пасовище,
36Men zal de herders horen jammeren, De leiders der schapen horen klagen, Omdat Jahweh hun kudde vernielt.
37І спустошить палкий гнїв Господень затишні оселї в них.
37De vredige beemden liggen verwoest, Door Jahweh’s ziedende toorn;
38Він, мов той лев, покинув свій пробуток, і земля їх обернулась у безлюддє від лютостї пустошника й від палкого гнїву його.
38De leeuw heeft zijn schuilplaats verlaten, Hun land is een steppe geworden Door het moordend zwaard!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.