Jeremias 25
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1A palavra que veio a Jeremias acerca de todo o povo de Judá, no quarto ano de Jeoaquim, filho de Josias, rei de Judá (este foi o primeiro ano de Nabucodonosor, rei da Babilônia),
1Dit was het woord, dat in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, en het eerste jaar van Nabukodonosor, den koning van Babel, tot Jeremias over het hele volk van Juda gericht was,
2a qual o profeta Jeremias falou a todo o povo de Judá e a todos os habitantes de Jerusalém:
2en dat de profeet Jeremias voor het hele volk van Juda en al de bewoners van Jerusalem had gesproken:
3Desde o décimo terceiro ano de Josias, filho de Amom, rei de Judá, até o dia de hoje, durante estes vinte e três anos, a palavra do SENHOR tem vindo a mim, e eu tenho falado a vocês, levantando-me cedo e falando; mas vocês não têm escutado.
3Van het dertiende jaar van Josias, den zoon van Amon en koning van Juda, tot de dag van heden, drie en twintig jaar lang, is het woord van Jahweh tot mij gericht, en heb ik van de vroege morgen tot de late avond tot u gesproken; maar ge hebt niet gehoord.
4O SENHOR tem enviado a vocês todos os seus servos, os profetas, levantando-se cedo e enviando-os (mas vocês não escutaram nem inclinaram os seus ouvidos para ouvir),
4Bovendien heeft Jahweh ‘s morgens vroeg en ‘s avonds laat al zijn dienaars, de profeten, tot u gezonden; maar ge hebt niet gehoord, niet willen luisteren.
5dizendo: “Volte agora cada um do seu mau caminho e da maldade das suas ações, e habitem na terra que o SENHOR deu a vocês e aos seus pais, desde os tempos antigos e para todo o sempre.
5Hij sprak: Bekeert u toch allen van uw boze handel en wandel; dan zult ge voor eeuwig blijven wonen op de grond, die Jahweh u en uw vaders heeft geschonken.
6Não andem atrás de outros deuses para servi-los ou adorá-los, e não me provoquem à ira com a obra das suas mãos; então não farei nenhum mal a vocês.”
6Loopt geen vreemde goden na, om ze te dienen en te aanbidden, en tart Mij niet met het werk uwer handen, opdat Ik u geen onheil berokken.
7“Contudo, vocês não me escutaram”, diz o SENHOR, “para me provocarem à ira com a obra das suas mãos, para o seu próprio mal.”
7Maar ge hebt niet willen luisteren, is de godsspraak van Jahweh, en Mij getart met uw maaksels tot uw eigen schade.
8Portanto, assim diz o SENHOR dos Exércitos: “Porque vocês não ouviram as minhas palavras,
8Daarom spreekt Jahweh der heirscharen: Omdat ge naar mijn woorden niet hebt geluisterd,
9eis que enviarei e tomarei todas as famílias do norte”, diz o SENHOR, “e enviarei a Nabucodonosor, rei da Babilônia, meu servo, e os trarei contra esta terra, contra os seus habitantes e contra todas estas nações ao redor. Eu os destruirei totalmente e farei deles um objeto de espanto, de assobio e de desolações perpétuas.
9daarom heb Ik mijn dienaar Nabukodonosor, den koning van Babel, ontboden, en zal Ik alle volksstammen uit het noorden gaan halen, is de godsspraak van Jahweh, om ze los te laten op dit land en zijn bewoners, en op alle omliggende volken. Ik zal ze met de banvloek slaan, en ze tot een afschrik maken, tot een bespotting en eeuwige schande;
10Além disso, tirarei deles a voz de júbilo e a voz de alegria, a voz do noivo e a voz da noiva, o som das pedras de moinho e a luz da lamparina.
10Ik zal uit hun midden de tonen van vreugde en blijdschap, de jubel van bruidegom en bruid, het knarsen van de molen en het licht van de lamp doen verdwijnen.
11Toda esta terra será uma desolação e um espanto; e estas nações servirão ao rei da Babilônia por setenta anos.
11Heel dit land zal een puinhoop worden en steppe, en deze volken zullen den koning van Babel dienstbaar worden, zeventig jaar lang.
12“Acontecerá que, quando se cumprirem os setenta anos, eu castigarei o rei da Babilônia e aquela nação”, diz o SENHOR, “por causa da sua iniquidade. Farei da terra dos caldeus uma desolação para sempre.
12Maar als die zeventig jaar zijn verlopen, zal Ik den koning van Babel en dat volk zijn misdaad vergelden, is de godsspraak van Jahweh, het land der Chaldeën gaan straffen, en er een eeuwige steppe van maken.
13Trarei sobre aquela terra todas as minhas palavras que pronunciei contra ela, tudo o que está escrito neste livro, que Jeremias profetizou contra todas as nações.
13Dan zal Ik over dat land al mijn bedreigingen in vervulling doen gaan, die Ik er tegen heb uitgesproken, en alles wat in dit boek staat geschreven, en wat Jeremias over alle volken heeft voorspeld.
14Pois muitas nações e grandes reis farão deles seus escravos, sim, deles mesmos. Eu os retribuirei de acordo com as suas ações e de acordo com a obra das suas mãos.”
14Want ook zij zullen dienstbaar worden aan machtige volken en grote koningen: zo zal Ik ze hun daden vergelden en het werk hunner handen!
15Pois assim me diz o SENHOR, o Deus de Israel: “Tome da minha mão este cálice do vinho da ira, e faça com que todas as nações a quem eu o enviar o bebam.
15En nu spreekt Jahweh, de God van Israël, tot mij: Neem deze beker met de wijn van gramschap uit mijn hand, en laat alle volken er uit drinken, tot wie Ik u zend;
16Eles beberão, cambalearão de um lado para o outro e enlouquecerão, por causa da espada que enviarei entre eles.”
16ze zullen hem drinken en waggelen, en dol worden door het zwaard, dat Ik op hen loslaat.
17Então tomei o cálice da mão do SENHOR e fiz com que todas as nações bebessem, a quem o SENHOR me havia enviado:
17Ik nam de beker uit de hand van Jahweh aan, en liet er alle volken uit drinken, tot wie Jahweh mij zond:
18Jerusalém e as cidades de Judá, com os seus reis e os seus príncipes, para fazer deles uma desolação, um espanto, um assobio e uma maldição, como se vê no dia de hoje;
18Jerusalem en de steden van Juda met hun koningen en magistraten, om er een puinhoop en een woestenij van te maken, een spot en een vloek, zoals ze op de dag van vandaag zijn geworden;
19o Faraó, rei do Egito, com os seus servos, os seus príncipes e todo o seu povo;
19Farao, den koning van Egypte met zijn hovelingen en magistraten en heel zijn volk;
20e toda a mistura de povos, e todos os reis da terra de Uz, todos os reis dos filisteus, Ascalom, Gaza, Ecrom e o remanescente de Asdode;
20geheel de gemengde bevolking en alle koningen van het land van Oes; al de koningen van het land der Filistijnen met Asjkelon, Gaza, Ekron en wat er van Asjdod is overgebleven;
21Edom, Moabe e os filhos de Amom;
21Edom, Moab en de Ammonieten;
22e todos os reis de Tiro, todos os reis de Sidom e os reis das ilhas que estão além do mar;
22alle koningen van Tyrus, alle koningen van Sidon met de koningen van het kustgebied aan de andere kant van de zee;
23Dedã, Tema, Buz e todos os que cortam os cantos da barba;
23Dedan, Tema, Boez, met allen die zich de slapen scheren;
24e todos os reis da Arábia, todos os reis da mistura de povos que habitam no deserto;
24alle koningen van Arabië, met heel de gemengde bevolking, die de steppe bewoont;
25e todos os reis de Zinri, todos os reis de Elão e todos os reis dos medos;
25alle koningen van Zimri, alle koningen van Elam en alle koningen van Medië;
26e todos os reis do norte, próximos e distantes, uns com os outros; e todos os reinos do mundo, que estão sobre a face da terra. E o rei de Sesaque beberá depois deles.
26alle koningen van het noorden, dichtbij of ver van elkander; alle koninkrijken op de oppervlakte der aarde; het laatst zal de koning van Sjesjak drinken.
27“Você dirá a eles: 'Assim diz o SENHOR dos Exércitos, o Deus de Israel: “Bebam, embriaguem-se, vomitem, caiam e não se levantem mais, por causa da espada que enviarei entre vocês.”’
27Ge moet hun zeggen: Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Drinkt, tot ge er dronken van wordt en gaat braken, tot ge er bij neervalt en niet overeind kunt door het zwaard, dat Ik op u afzend.
28E acontecerá que, se eles se recusarem a tomar o cálice da sua mão para beber, então você dirá a eles: 'Assim diz o SENHOR dos Exércitos: “Vocês certamente beberão.
28En wanneer ze weigeren, de beker van u aan te nemen en te drinken, dan moet ge hun zeggen: Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Drinken zult ge!
29Pois, eis que começo a trazer o mal sobre a cidade que é chamada pelo meu nome; e vocês ficariam totalmente impunes? Vocês não ficarão impunes; pois chamarei a espada sobre todos os habitantes da terra, diz o SENHOR dos Exércitos.”’
29Of denkt ge nog, dat ge gespaard blijft, terwijl Ik al begonnen ben, rampen te brengen over de stad, die naar mijn Naam is genoemd? Neen, ge blijft niet gespaard; want Ik heb het zwaard al ontboden tegen alle bewoners der aarde, is de godsspraak van Jahweh der heirscharen!
30“Portanto, profetize contra eles todas estas palavras e diga-lhes: “'O SENHOR rugirá lá do alto, e fará soar a sua voz desde a sua santa habitação. Ele rugirá fortemente contra a sua pastagem. Ele dará um grito, como os que pisam as uvas, contra todos os habitantes da terra.
30Ge moet hun dit alles profeteren, en tot hen zeggen: Jahweh brult uit de hoge, Laat zijn donder rollen uit zijn heilige woning; Hij buldert tegen zijn stede, Stoot een jubelkreet uit, als die de wijnpers treden, Tegen alle bewoners der aarde.
31Um estrondo chegará até os confins da terra; pois o SENHOR tem uma contenda com as nações. Ele entrará em juízo com toda a carne. Quanto aos ímpios, ele os entregará à espada”', diz o SENHOR.”
31De strijdkreet dreunt tot de grenzen der aarde, Want Jahweh gaat alle volken richten, Vonnis vellen over alle vlees: De bozen worden aan het zwaard geregen, Is de godsspraak van Jahweh!
32Assim diz o SENHOR dos Exércitos: “Eis que o mal sairá de nação em nação, e uma grande tempestade se levantará desde os confins da terra.”
32Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Zie, een jammer waart rond Van volk tot volk; Een geweldige storm barst los Uit de hoeken der aarde!
33Os mortos pelo SENHOR naquele dia estarão estendidos de uma extremidade da terra até a outra extremidade da terra. Eles não serão pranteados. Eles não serão recolhidos nem sepultados. Eles servirão de esterco sobre a face da terra.
33Dan zullen zij, die door Jahweh worden geslagen, Van het ene einde der aarde tot het andere liggen; Ze zullen niet worden betreurd, Niet worden verzameld, niet worden begraven, Maar dienen tot mest op het veld.
34Lamentem, pastores, e clamem. Revolvam-se no pó, líderes do rebanho; pois os dias da sua matança e das suas dispersões chegaram plenamente, e vocês cairão como um vaso precioso.
34Jammert herders en klaagt, Bestrooit u met as, gij leiders der schapen: Want uw tijd is gekomen, Om geslacht te worden en afgemaakt; Als vette bokken zult ge vallen.
35Os pastores não terão para onde fugir. Os líderes do rebanho não terão escapatória.
35Dan zal er geen vluchten meer zijn voor de herders, Geen ontkomen voor de leiders der schapen;
36Ouve-se a voz do clamor dos pastores, e o lamento dos líderes do rebanho, pois o SENHOR destrói a sua pastagem.
36Men zal de herders horen jammeren, De leiders der schapen horen klagen, Omdat Jahweh hun kudde vernielt.
37Os pastos pacíficos são reduzidos ao silêncio por causa do furor da ira do SENHOR.
37De vredige beemden liggen verwoest, Door Jahweh’s ziedende toorn;
38Ele deixou o seu esconderijo, como o leão; pois a terra deles se tornou um espanto por causa do furor da opressão, e por causa do furor da sua ira.
38De leeuw heeft zijn schuilplaats verlaten, Hun land is een steppe geworden Door het moordend zwaard!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.