Jeremias
Chapter 24
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O SENHOR me mostrou, e eis que dois cestos de figos estavam postos diante do templo do SENHOR, depois que Nabucodonosor, rei da Babilônia, havia levado cativo a Jeconias, filho de Jeoaquim, rei de Judá, e aos príncipes de Judá, com os artesãos e ferreiros, de Jerusalém, e os havia levado para a Babilônia.
1Jahweh schonk mij een visioen: Zie, daar stonden twee manden met vijgen voor de tempel van Jahweh. Het gebeurde, nadat Nabukodonosor, de koning van Babel, Jekonias, den zoon van Jojakim en koning van Juda, met de magistraten van Juda en de smeden en bankwerkers uit Jerusalem had weggevoerd en naar Babel gebracht.
2Um cesto tinha figos muito bons, como os primeiros figos maduros; e o outro cesto tinha figos muito ruins, que não podiam ser comidos, de tão ruins que eram.
2In de ene mand waren uitstekende vijgen als van de eerste pluk; in de andere mand heel slechte vijgen, te slecht om te eten.
3Então o SENHOR me perguntou: “O que você vê, Jeremias?” Eu disse: “Figos. Os figos bons são muito bons, e os ruins são muito ruins, tão ruins que não podem ser comidos.”
3En Jahweh zeide tot mij: Jeremias, wat ziet ge? Ik antwoordde: Vijgen; de goede vijgen zijn uitstekend, en de slechte zijn bijzonder slecht, te slecht om te eten.
4A palavra do SENHOR veio a mim, dizendo:
4Toen werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
5“Assim diz o SENHOR, o Deus de Israel: 'Como a estes bons figos, assim considerarei como bons os cativos de Judá, os quais enviei deste lugar para a terra dos caldeus.
5Zo spreekt Jahweh, Israëls God: Zoals men deze goede vijgen beziet, Zo zal Ik de ballingen van Juda, Die Ik uit deze plaats heb verbannen Naar het land der Chaldeën, goedgunstig aanzien.
6Pois porei os meus olhos sobre eles para o bem, e os trarei de volta a esta terra. Eu os edificarei, e não os derrubarei. Eu os plantarei, e não os arrancarei.
6Ik zal een genadige blik op hen werpen, En breng ze weer terug in dit land; Ik bouw ze op, en breek ze niet af, Ik plant ze, en ruk ze niet uit.
7Eu lhes darei um coração para me conhecerem, para que saibam que eu sou o SENHOR. Eles serão o meu povo, e eu serei o seu Deus; pois eles se voltarão para mim de todo o seu coração.
7Ik schenk hun een hart, om te erkennen, Dat Ik Jahweh ben; Zij zullen mijn volk, Ik zal hun God zijn, Wanneer ze zich van ganser harte tot Mij bekeren.
8“‘Como os figos ruins, que não podem ser comidos, de tão ruins que são’, certamente assim diz o SENHOR, ‘assim eu entregarei Zedequias, rei de Judá, e os seus príncipes, e o remanescente de Jerusalém que permanece nesta terra, e aqueles que habitam na terra do Egito.
8Maar zoals met slechte vijgen, Te slecht om te eten, spreekt Jahweh: Zo zal Ik handelen met Sedekias, den koning van Juda, Met al zijn vorsten en die in Jerusalem werden gespaard, Die in dit land zijn achtergebleven, Of die in Egypteland wonen.
9Eu os entregarei para serem lançados de um lado para outro entre todos os reinos da terra para o mal, para serem um opróbrio e um provérbio, uma zombaria e uma maldição, em todos os lugares para onde eu os expulsar.
9Ik maak ze ten afschrik Voor alle koninkrijken der aarde, Tot smaad en spreekwoord, tot spot en vloek Op alle plaatsen, waar Ik ze heendrijf;
10Enviarei a espada, a fome e a peste entre eles, até que sejam consumidos de sobre a terra que dei a eles e aos seus pais.’”
10Ik laat het zwaard op hen los, Met honger en pest, Tot ze zijn uitgeroeid uit het land, Dat Ik hun en hun vaderen heb gegeven!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.