Jeremias
Chapter 7
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1A palavra que veio a Jeremias da parte do SENHOR, dizendo:
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte!
2“Fique na porta da casa do SENHOR, e proclame ali esta palavra, e diga: 'Ouçam a palavra do SENHOR, todos vocês de Judá, que entram por estas portas para adorar ao SENHOR.'”
2Ge moet in de poort van het huis van Jahweh gaan staan, en daar het volgende verkonden: Hoort het woord van Jahweh, gij allen, mannen van Juda, die deze poorten binnentreedt, om Jahweh te aanbidden.
3Assim diz o SENHOR dos Exércitos, o Deus de Israel: “Corrijam os seus caminhos e as suas ações, e eu farei com que vocês habitem neste lugar.
3Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Draagt zorg voor een goede handel en wandel; dan zal Ik bij u in deze plaats blijven wonen.
4Não confiem em palavras mentirosas, dizendo: 'Templo do SENHOR, templo do SENHOR, templo do SENHOR é este.'
4Maar stelt geen vertrouwen in bedriegelijke leuzen: De tempel van Jahweh, de tempel van Jahweh, de tempel van Jahweh is hier!
5Porque se vocês corrigirem de fato os seus caminhos e as suas ações, se de fato executarem a justiça entre um homem e o seu próximo;
5Neen, draagt zorg voor een goede handel en wandel: wees strikt rechtvaardig jegens elkander;
6se não oprimirem o estrangeiro, o órfão e a viúva, e não derramarem sangue inocente neste lugar, e não andarem após outros deuses para a sua própria ruína,
6verdrukt geen vreemden, wezen en weduwen; vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats; loopt geen vreemde goden achterna tot uw eigen verderf.
7então eu farei com que vocês habitem neste lugar, na terra que dei aos seus pais, desde a antiguidade e para sempre.
7Dan alleen zal Ik bij u in deze plaats blijven wonen, in het land, dat Ik uw vaderen heb gegeven voor eeuwig!
8Eis que vocês confiam em palavras mentirosas que de nada aproveitam.
8Maar gij vertrouwt op bedriegelijke leuzen, die geen waarde bezitten!
9Será que vocês vão roubar, matar, cometer adultério, jurar falsamente, queimar incenso a Baal e andar após outros deuses que vocês não conheceram,
9Wat? Stelen, moorden, echtbreuk plegen en meineed zweren, aan Báal offeren en achter vreemde goden lopen, die ge niet kent:
10para depois virem e se apresentarem diante de mim nesta casa, que é chamada pelo meu nome, e dizerem: 'Estamos salvos', apenas para continuarem a fazer todas estas abominações?
10en dan durft ge voor mijn aanschijn treden in deze tempel, waarover mijn Naam is uitgeroepen, en zeggen: We zijn geborgen! En dan gaat ge met al die gruwelen door!
11Será que esta casa, que é chamada pelo meu nome, se tornou um covil de ladrões aos seus olhos? Eis que eu mesmo vi isso”, diz o SENHOR.
11Is dan dit huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een moordenaarshol geworden? Goed; dan bezie ook Ik het niet anders, is de godsspraak van Jahweh!
12“Mas vão agora ao meu lugar que estava em Siló, onde no princípio fiz habitar o meu nome, e vejam o que fiz com ele por causa da maldade do meu povo Israel.
12Gaat eens naar mijn stede in Sjilo, waar Ik eertijds mijn Naam heb doen wonen, en ziet wat Ik er mee heb gedaan, om de boosheid van Israël, mijn volk.
13Agora, porque vocês fizeram todas estas obras”, diz o SENHOR, “e eu lhes falei, levantando-me cedo e falando, mas vocês não ouviram; e eu os chamei, mas vocês não responderam;
13Welnu dan, omdat ge dit alles gedaan hebt, spreekt Jahweh: omdat ge niet hebt geluisterd, toen Ik tijdig genoeg tot u sprak, en niet hebt geantwoord, toen Ik u riep:
14portanto, farei à casa que é chamada pelo meu nome, na qual vocês confiam, e ao lugar que dei a vocês e aos seus pais, o mesmo que fiz a Siló.
14daarom zal Ik juist hetzelfde doen met het huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen en waarop gij vertrouwt; juist hetzelfde met de plaats, die Ik u en uw vaderen heb gegeven, als Ik gedaan heb met Sjilo.
15Eu os expulsarei da minha presença, assim como expulsei todos os seus irmãos, toda a descendência de Efraim.
15Ik zal u van mijn aanschijn verstoten, zoals Ik met al uw broeders, het hele geslacht van Efraïm, heb gedaan!
16“Portanto, não ore por este povo. Não levante clamor nem oração por eles, nem faça intercessão a mim; pois eu não o ouvirei.
16Neen, ge moet voor dit volk niet bidden, geen klaag- of smeekbede voor hen opstieren, en niet bij Mij aandringen; want Ik kan u toch niet verhoren.
17Você não vê o que eles estão fazendo nas cidades de Judá e nas ruas de Jerusalém?
17Ziet ge dan niet, wat ze in de steden van Juda en zelfs in de straten van Jerusalem durven doen?
18Os filhos apanham a lenha, os pais acendem o fogo, e as mulheres amassam a farinha, para fazerem bolos para a rainha dos céus, e para derramarem ofertas de bebidas a outros deuses, a fim de me provocarem à ira.
18De kinderen sprokkelen hout, de vaders ontsteken het vuur, en de vrouwen kneden het deeg, om koeken te bakken voor de Koningin des hemels; en men draagt plengoffers op aan vreemde goden, om Mij verdriet aan te doen.
19Será que é a mim que eles provocam à ira?” diz o SENHOR. “Não provocam a si mesmos, para a vergonha dos seus próprios rostos?”
19Maar doen ze Mij wel verdriet aan, spreekt Jahweh? Neen, enkel zichzelf, tot hun eigen beschaming!
20Portanto, assim diz o Senhor DEUS: “Eis que a minha ira e o meu furor serão derramados sobre este lugar, sobre os homens, sobre os animais, sobre as árvores do campo e sobre o fruto da terra; ela arderá e não se apagará.”
20En daarom spreekt Jahweh, de Heer: Zie, mijn ziedende toorn wordt uitgestort over deze plaats: over mensen en vee, over de bomen op het veld en de vruchten op het land; branden zal hij, en niet meer worden geblust!
21Assim diz o SENHOR dos Exércitos, o Deus de Israel: “Juntem os seus holocaustos aos seus sacrifícios e comam a carne.
21Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Vermeerdert uw brand- en slachtoffers maar, en eet het vlees ervan op.
22Pois eu não falei com os seus pais, nem lhes dei ordem no dia em que os tirei da terra do Egito, a respeito de holocaustos ou sacrifícios;
22Toen Ik uw vaders uit het land van Egypte heb geleid, heb Ik hun met geen woord gesproken en geen enkel gebod gegeven over brand- en slachtoffers.
23mas isto lhes ordenei, dizendo: 'Ouçam a minha voz, e eu serei o seu Deus, e vocês serão o meu povo. Andem em todo o caminho que eu lhes ordenar, para que tudo vá bem com vocês.'
23Maar dit gebod heb Ik hun gegeven: Luistert naar Mij, dan zal Ik uw God, en gij zult mijn volk zijn; heel de weg moet ge houden, die Ik u voorschrijf, dan zal het u goed gaan.
24Mas eles não ouviram, nem inclinaram os seus ouvidos, antes andaram nos seus próprios conselhos e na obstinação do seu coração maligno, e andaram para trás, e não para a frente.
24Maar ze hebben niet willen horen, niet willen luisteren. Ze volgden hun lusten en de verstoktheid van hun bedorven hart; ze hebben Mij de nek toegekeerd, niet hun gelaat.
25Desde o dia em que os seus pais saíram da terra do Egito até o dia de hoje, eu lhes enviei todos os meus servos, os profetas, levantando-me cedo todos os dias e enviando-os.
25Van de dag af, dat hun vaders uit het land van Egypte zijn getrokken, tot heden toe, heb Ik hun al de profeten, mijn dienaars, gezonden: iedere dag opnieuw, ‘s morgens vroeg en ‘s avonds laat.
26Contudo, eles não me ouviram, nem inclinaram os seus ouvidos, mas endureceram a sua cerviz. Eles fizeram pior do que os seus pais.
26Maar ze hebben niet naar Mij willen horen, niet willen luisteren; ze bleven hardnekkig, erger nog dan hun vaders.
27“Você falará todas estas palavras a eles, mas eles não o ouvirão. Você também os chamará, mas eles não lhe responderão.
27Maar al gaat ge hun dit alles ook zeggen, ze zullen niet naar u horen; al zoudt ge ze roepen, ze geven u geen antwoord.
28Você lhes dirá: 'Esta é a nação que não ouviu a voz do SENHOR, o seu Deus, nem aceitou a instrução. A verdade pereceu, e foi cortada da boca deles.'
28Neen, dit moet ge hun zeggen: Dit is een volk, dat niet luistert naar Jahweh, zijn God, en zich niet laat gezeggen; de trouw is verdwenen, uit hun mond verbannen!
29Corte o seu cabelo e jogue-o fora, e levante uma lamentação nos altos desolados; pois o SENHOR rejeitou e abandonou a geração da sua ira.
29Scheer uw haren af, en werp ze weg, hef een klaaglied aan op de kale toppen; want Jahweh heeft het geslacht van zijn gramschap verstoten en verworpen!
30“Pois os filhos de Judá fizeram o que é mau aos meus olhos”, diz o SENHOR. “Eles colocaram as suas abominações na casa que é chamada pelo meu nome, para profaná-la.
30Waarachtig, de kinderen van Juda hebben gruwelen gedaan in mijn ogen, is de godsspraak van Jahweh! Ze hebben hun walgelijke goden geplaatst in het huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, om het te bezoedelen.
31Eles construíram os altos de Tofete, que está no vale do filho de Hinom, para queimarem os seus filhos e as suas filhas no fogo, o que eu não ordenei, nem me passou pela mente.
31Ze hebben ook op de offerhoogte in het Ben-Hinnom-dal de Tófet gebouwd, om hun zonen en dochters te verbranden; wat Ik dan toch zeker niet heb geboden, en Mij nooit in de gedachte is gekomen.
32Portanto, eis que vêm dias”, diz o SENHOR, “em que não mais se chamará 'Tofete' ou 'O vale do filho de Hinom', mas 'O vale da Matança'; pois enterrarão em Tofete até que não haja mais lugar para enterrar.
32Daarom zullen de dagen komen, spreekt Jahweh, dat men niet meer van Tófet zal spreken of van het Ben-Hinnom-dal; maar men zal het “Moord-dal” noemen, en in de Tófet begraven bij gebrek aan plaats.
33Os cadáveres deste povo servirão de alimento para as aves do céu e para os animais da terra. Ninguém os espantará.
33Dan zullen de lijken van dit volk het aas zijn voor de vogels uit de lucht en voor de beesten op aarde, en niemand zal ze verjagen.
34Então farei cessar nas cidades de Judá e nas ruas de Jerusalém a voz de júbilo e a voz de alegria, a voz do noivo e a voz da noiva; pois a terra se tornará em desolação.”
34Dan zal Ik in de steden van Juda en in Jerusalems straten de kreten van vreugde en blijdschap verstommen, de jubel van bruidegom, de jubel der bruid; want het hele land zal een wildernis zijn!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.