1 Паралипоменон 21
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І піднявся сатана на Ізраїля, і підвів Давида вчинити перелїк Ізрайлитян.
1Eens stond er een tegenstander tegen Israël op, die David aanspoorde, een volkstelling te houden in Israël.
2І сказав Давид Йоабові та старшинам над народом: Ійдїть, перелїчіть Ізрайлитян від Бирсабії до Дана, й подайте менї, щоб я знав їм лїк.
2En David gaf aan Joab en aan de hoofden van het volk bevel: Gaat de bevolking van Israël tellen van Beër-Sjéba af tot Dan toe, en brengt me de uitslag; ik wil weten hoe talrijk het volk is.
3І сказав Йоаб: Нехай Господь примножить свій народ в сто разів над те, скільки його тепер. Чи не всї ж вони, мій царю добродїю, слуги мого добродїя? Нащо ж вимагає сього мій добродїй? Чому ця провина має впасти на Ізраїля?
3Joab antwoordde:Heer koning, moge Jahweh het volk nog honderdmaal talrijker maken! Ze zijn toch allen mijn heer en koning onderdanig? Waarom wil mijn heer en koning dat nagaan; waarom wil hij een schuld laden op Israël?
4Та цареве слово перемогло Йоаба. І пійшов Йоаб і обійшов усього Ізраїля, і прийшов у Ерусалим.
4Daar hij zich echter tegen het bevel des konings niet kon verzetten, ging Joab heen, kwam na een rondreis door geheel Israël te Jerusalem terug,
5І подав Йоаб Давидові спис перелїченого народу, й було всїх Ізрайлитян тисяча тисяч, і сто тисяч чоловіків добуваючих меча, а Юдеїв — чотириста сїмдесять тисяч, добуваючих меча.
5en deelde de uitslag van de volkstelling aan David mede:Israël telde in het geheel een millioen honderdduizend, en Juda vierhonderd zeventigduizend weerbare mannen.
6А левітів та Беняминїїв він не полїчив між ними, через те, що слово царське було Йоабові противне.
6Bij Levi en Benjamin had hij echter geen telling gehouden; zo was Joab tegen het bevel van den koning gekant.
7І не до вподоби було в Божих очах се дїло, й він покарав Ізраїля.
7Omdat deze geschiedenis aan God mishaagde, strafte Hij Israël.
8Тодї промовив Давид до Бога: Тяжко согрішив я, що зробив се, та тепер прости провину слузї твоєму, бо я вчинив річ нерозумну.
8En David riep tot God: Ik heb zwaar gezondigd met wat ik gedaan heb; ach, vergeef de zonde van uw dienaar, want ik ben dwaas geweest.
9І сказав Господь до Гада, Давидового віщуна, мовляючи:
9Toen sprak Jahweh tot Gad, den ziener van David:
10Ійди й скажи Давидові: Так говорить Господь: Три речи ставлю перед тобою; вибірай собі одну з їх, і я нашлю її на тебе.
10Ga aan David zeggen: Zo spreekt Jahweh! Drie dingen leg Ik u voor, waar ge een keus uit kunt maken; daarmede zal Ik u straffen!
11І прийшов Гад до Давида, і сказав йому: Так говорить Господь: вибірай собі:
11Zo kwam Gad bij David en zeide tot hem: Zo spreekt Jahweh! Gij kunt kiezen:
12Або три роки голод, або три місяцї вганяти муть за тобою твої супротивники, й меч ворогів твоїх досягати ме тебе; або три днї меч Господень і пошесть в краю, й ангел Господнїй вбиваючий по всїх гряницях ув Ізраїлї. То ж роздивись, що менї відповісти Пославшому мене з сим словом.
12òfwel drie jaar lang hongersnood; ofwel drie maanden lang vluchten voor uw vijanden, waarbij het zwaard van uw vijanden u achterhalen zal; ofwel drie dagen lang het zwaard van Jahweh, namelijk een pest in het land, terwijl de engel van Jahweh in heel het gebied van Israël verderf zaait. Bedenk u en overleg, wat ik moet antwoorden aan Hem, die mij zendt.
13І промовив Давид до Гада: Дуже менї важко, але лїпше менї впасти в руки Господнї, милосердє бо його велике; аби тільки не попастись менї в руки людські.
13Toen zeide David tot Gad: Ik weet geen raad; maar ik wil toch liever vallen in de hand van Jahweh, wiens barmhartigheid groot is, dan in de hand van mensen!
14І наслав Господь морову пошесть на Ізраїля, і вмерло Ізрайлитян сїмдесять тисяч людей.
14Daarom liet Jahweh de pest los op Israël, waardoor van Israël zeventigduizend mensen stierven.
15І послав Бог ангела в Ерусалим, щоб вигубляти його. Так як він почав вигубляти, побачив се Господь і зжалївся над нуждою, і сказав ангелові-губителевї: Годї! тепер опусти твою руку! Ангел же Господень стояв саме над током в Евузія Орни.
15Ook naar Jerusalem zond God den engel, om er verderf te stichten. (b) Toen kreeg Jahweh spijt over het onheil, en Hij sprak tot den verderfengel: Genoeg nu; trek nu uw hand terug! De engel van Jahweh bevond zich toen nabij de dorsvloer van Ornan, den Jeboesiet.
16І підвів Давид свої очи, й вглядїв ангела Господнього, стоячого між землею та небом з голим мечем в руцї, простягнутим на Ерусалим; і впав Давид і старшини, покриті веретищами, на свої лиця.
16David had de ogen opgeslagen en den engel van Jahweh tussen hemel en aarde zien staan, met een getrokken zwaard in de hand, dat hij over Jerusalem zwaaide. In zakken gehuld, viel David met de oudsten voorover,
17І промовив Давид до Бога: Чи се ж не я звелїв перелїчувати народ? Я согрішив і вчинив зло, а що ж зробили оцї овечки? Господи, Боже мій! нехай спаде рука твоя на мене й на дом отця мого, а не на народ твій, щоб погубити його.
17en riep tot God: Ik heb bevel gegeven, een volkstelling te houden; ik heb gezondigd, ik deed verkeerd; maar wat hebben deze schapen voor schuld? Jahweh mijn God, keer liever uw hand tegen mij en tegen het huis van mijn vader; laat het geen ramp worden voor uw volk!
18І звелїв ангел Господень Гадові, щоб сказав Давідові: Нехай прийде Давид та поставить жертовник Господеві на тоцї в Орни, Евузія.
18Nu sprak de engel van Jahweh tot Gad: Zeg aan David, dat hij voor Jahweh een altaar gaat oprichten op de dorsvloer van Ornan, den Jeboesiet.
19І пійшов Давид, по слову Гадовому, що він говорив в ймя Господнє.
19Op het woord van Gad ging David op weg, zoals Jahweh het bevolen had.
20Орна ж, глянувши горі, побачив — а з ним і чотири сини його — ангела, й вони поховались. Орна молотив саме тодї пшеницю.
20Toen Ornan, die juist de tarwe aan het dorsen was, zich omkeerde, had hij den engel gezien en zich met zijn vier kinderen geborgen.
21І прийшов Давид до Орни. Орна, поглянувши і вглядївши Давида, вийшов з току, й поклонився Давидові лицем до землї.
21Daar kwam David op Ornan toe. Toen Ornan opkeek, en David zag, verliet hij de dorsvloer en boog zich voor David neer tot op de grond.
22І сказав Давид до Орни: Дай менї місце під током, я збудую на ньому жертівник Господеві; яка цїна йому, за таку віддай його, щоб перестала пагуба в народї.
22En David zeide tot Ornan: Sta mij het terrein van de dorsvloer af; ik wil er een altaar voor Jahweh op bouwen. Ge moet het mij voor de volle prijs afstaan, opdat de plaag van het volk moge wijken.
23І сказав Орна Давидові: Бери собі; роби, мій добродїю й царю, що хочеш; от я даю й воли на всепаленнє, й молотїльню знадобу на дрова, й пшеницю на принос; усе це даю дармо.
23Nu sprak Ornan tot David: Laat mijn heer en koning nemen en doen wat hem goed dunkt! Daar staan de runderen voor het brandoffer, de dorssleden voor brandhout, en de tarwe voor spijsoffers; dat alles sta ik u af.
24І сказав Давид: Нї, я хочу купити в тебе за готові гроші; бо не буду я приносити твоєї власностї Господеві, й не буду приности всепалення з дарованого.
24Maar koning David sprak tot Ornan: Neen, kópen wil ik het, en wel voor de volle prijs; ook wil ik voor Jahweh niet iets wegnemen, wat u toebehoort, en brandoffers opdragen, die mij niets kosten.
25І дав Давид Орнї за те місце шістьсот секлів золота.
25David betaalde toen aan Ornan voor het terrein een waarde van zeshonderd gouden sikkels.
26І построїв там Давид жертівник Господеві, й принїс всепаленнє й жертви мирні; і взивав до Господа, й він вислухав його та й послав огонь із неба на жертівник всепалення.
26Hij liet daar een altaar voor Jahweh oprichten, droeg brandoffers op en dankoffers, en toen hij Jahweh aanriep, antwoordde Hij hem door het vuur, dat Hij uit de hemel op het brandoffer liet neerdalen.
27І рече Господь до ангела: Вложи меч твій в його піхву.
27Daarop gaf Jahweh den engel een bevel, en hij trok zijn zwaard terug in de schede.
28Зараз таки, як побачив Давид, що Господь вислухав його на тоцї Орни Евузія, поспішив принести там жертву.
28Daar David bij die gelegenheid ondervonden had, dat Jahweh hem verhoorde op de dorsvloer van Ornan, den Jeboesiet, begon hij daar te offeren.
29Скриня ж Господня, що її построїв був Мойсей в пустинї, і жертівник всепалення були під той час на горі в Габаонї.
29De tabernakel van Jahweh met het brandofferaltaar, die Moses in de woestijn had vervaardigd, bevond zich toenmaals wel op de hoogte van Gibon,
30І не міг Давид пійти туди, щоб шукати (ласки у) Бога, бо був переляканий мечем ангела Господнього.
30maar David waagde het niet meer, God daar te gaan vereren: zo’n ontzag had hij gekregen voor het zwaard van den engel van God.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.