Psalmen 47
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Baibal Olcim (Matupi Chin)
1Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een psalm. Volkeren, klapt allen in de handen; Juicht en jubelt ter ere van God!
1Pilnam boeih loh kut paeng uh lamtah tamlung ol neh Pathen taengah yuhui uh lah.
2Want ontzaglijk is Jahweh, de Allerhoogste, Een machtig Koning over heel de aarde.
2Khohni Yahweh tah rhih om tloe tih diklai pum kah manghai tanglue la om.
3Hij legt de volken voor ons neer, En naties onder onze voeten;
3Pilnam rhoek te mamih hmuila, namtu rhoek te mamih kho hmuila a hlak.
4Hij kiest het erfdeel voor ons uit, De trots van Jakob, zijn beminde.
4A lungnah Jakob kah a mingthennah, mamih kah rho te mamih ham a tuek. Selah
5God stijgt ten troon met jubelzang, Jahweh met bazuingeschal!
5Pathen tah tamlung neh, BOEIPA tah tuki ol neh luei coeng.
6Zingt en jubelt ter ere van God, Zingt en juicht voor onzen Koning!
6Pathen te tingtoeng uh , tingtoeng uh , mamih kah manghai te tingtoeng uh , tingtoeng uh.
7Want Hij is Koning van heel de aarde; Zingt dus een hymne ter ere van God!
7Diklai pum kah Pathen Manghai he hlohlai neh tingtoeng uh.
8God heeft het koningschap over de volkeren aanvaard, God heeft zijn heilige troon bestegen;
8Pathen tah Namtom boeih soah manghai coeng tih Pathen tah amah kah hmuencim ngolkhoel dongah ngol.
9De vorsten der volkeren sluiten zich aan Bij het volk van Abrahams God. Want Gode behoren de heersers der aarde; Hoog verheven is Hij alleen!
9Diklai photling rhoek he Pathen hut la om tih a thueng soeh dongah pilnam hlangcong rhoek loh Abraham Pathen kah pilnam a tingtun thil uh.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.