Psalmen 79
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Baibal Olcim (Matupi Chin)
1Een psalm van Asaf. Ach God, de heidenen zijn in uw erfdeel gedrongen, Hebben uw heilige tempel ontwijd, En Jerusalem tot een puinhoop gemaakt!
1Pathen aw, namtom rhoek loh na rho a kun uh thil tih, na bawkim cim te a poeih uh. Jerusalem te lairhok bangla a khueh uh.
2Ze hebben de lijken van uw dienaren Als spijs toegeworpen aan de vogels in de lucht, En aan de wilde dieren het vlees uwer vromen;
2Na sal rhoek kah a rhok te vaan kah vaa taengah, na hlangcim rhoek kah a saa te diklai mulhing taengah cakok la a paek uh.
3Ze hebben hun bloed als water vergoten Rondom Jerusalem; en niemand heeft ze begraven.
3Amih thii te Jerusalem kaepvai ah tui bangla a hawk uh tih aka up om pawh.
4Wij zijn een smaad voor onze buren geworden, Een spot en een hoon voor onze omgeving!
4Kaimih he imben rhoek kah kokhahnah, ka taengvai kah tamdaengnah neh soehsalnah la ka om uh.
5Hoelang nog, Jahweh, blijft Gij altijd maar toornen, En zal uw ijverzucht branden als vuur?
5BOEIPA aw me hil nim na thin a toek ve? Na thatlainah te hmai bangla rhong yoeyah aya?
6Neen, stort uw gramschap over de heidenen uit, die U niet kennen, Over de koninkrijken, die uw Naam niet vereren;
6Nang aka ming pawh namtom rhoek so neh na ming aka khue mueh ram soah na kosi hawk thil lah.
7Want ze hebben Jakob verslonden, En zijn woonplaats verwoest!
7Jakob te a yoop uh tih a tolkhoeng te a pong sak uh.
8Ach, reken ons de vroegere zonden niet toe; Uw ontferming trede ons snel tegemoet, Want onze ellende is groot!
8Lamhm a kathaesainah a rho kaimih taengah thoelh boel lamtah dikdik ka tlayae uh dongah na haidamnah kaimih koe n'doe uh saeh.
9Help ons, o God van ons heil, En red ons om de eer van uw Naam; Vergeef onze zonden om wille van uw Naam!
9Kaimih kah daemnah Pathen aw na thangpomnah ming ham kaimih m'bom dae. Na ming kongah kaimih n'huul lamtah kaimih kah tholhnah te han dawth dae.
10Waarom zouden de heidenen zeggen: “Waar is nu hun God?” Neen, laat de heidenen voor onze ogen de wraak ondergaan Voor het vergoten bloed van uw dienaars;
10Balae tih namtom rhoek loh, A Pathen khaw melae?,” a ti uh eh. Na sal rhoek kah thii aka hawk namtom taengah tawnlohnah loh kaimih mikhmuh ah aka thoeng te namtom rhoek loh ming uh saeh.
11Laat het gekerm van den gevangene voor uw aangezicht komen: Verlos de ten dode gewijden door de kracht van uw arm.
11Thongtl a kah a kiinah loh namah taengla ha pawk saeh. Dueknah cadil rhoek te na boeilennah bantha neh sueng sak.
12Werp in de schoot onzer buren tot zevenmaal toe De smaad, o Heer, waarmee ze U hebben gehoond.
12Te vaengah kaimih kah imben rhoek te voeirhih la thuung lah. A kodang ah amih kah kokhahnah neh Boeipa namah ni m'veet uh coeng te.
13Maar wij blijven uw volk en de kudde uwer weide; Wij prijzen U eeuwig, en verkonden uw lof van geslacht tot geslacht.
13Te dongah na pilnam kaimih neh na rhamtlim kah boiva long tah, namah te kumhal duela kan uem uh ni. Cadilcahma neh cadilcahma hil nang koehnah te ka tae uh ni.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.