Psalmen 54
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Baibal Olcim (Matupi Chin)
1Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een leerdicht van David, toen de Zifieten Saül kwamen melden: “David houdt zich bij ons schuil.” O God, kom mij te hulp door uw Naam, En verschaf mij recht door uw kracht.
1Aw Pathen na ming neh kai n'khang lamtah, na thayung thamal neh kai n'tang sak.
2Hoor naar mijn smeken, o God, Luister naar het gebed van mijn mond.
2Aw Pathen, ka thangthuinah he ya lamtah, ka ka lamkah ol he hnatun lah.
3Want vreemden staan tegen mij op, En geweldenaars belagen mijn leven; Neen, ze houden God niet voor ogen.
3Hlanglak rhoek kai taengah tlai uh tih, hlanghaeng neh a hmai kah Pathen te, a nawt na uh kolla ka hinglu a mae uh. Selah
4Zie, God is mijn Helper; Het is de Heer, die mijn leven behoudt!
4Kai he Pathen loh m'bom tih, ka hinglu aka talong rhoek taengah ka Boeipa om ke.
5Wend de rampen op mijn vijanden af, Verniel ze om wille van uw trouw.
5Ka lungawn rhoek soah a thae neh thuung rhoe thuung lamtah, na oltak neh amih te biit lah.
6Dan zal ik U gaarne offers brengen, En danken, o Jahweh, de goedertierenheid van uw Naam;
6Na taengah kothoh te, kan nawn saeh lamtah na then dongah BOEIPA nang ming te ka uem eh.
7Omdat hij mij uit alle nood heeft verlost, En mijn oog zich aan mijn vijand verlustigt.
7Citcai cungkuem lamkah kai n'huul tih, ka thunkha rhoek te ka mik loh a sawt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.