Psalmen 75
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Baibal Olcim (Matupi Chin)
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Verderf niet.” Een psalm van Asaf; een lied. Wij loven U, God, en prijzen U, Wij roepen uw Naam aan, en vermelden uw wonderen!
1Pathen namah te kan uem uh. Na ming neh aka yoei loh, namah kah khobaerhambae, a thui uh dongah kan uem uh.
2Als Ik de tijd acht gekomen, Zal Ik een rechtvaardig oordeel houden:
2Khoning ka khuen te khaw, kamah loh vanatnah neh lai ka tloek.
3Al wankelt de aarde met al haar bewoners, Ik zet haar zuilen weer recht!
3Diklai neh a khuikah khosa boeih a paci vaengah, tung ka moem. Selah
4Daarom roep ik de hoogmoedigen toe: Weest niet trots, De goddelozen: Steekt de hoorn niet omhoog!
4Aka yan rhoek khaw yan uh boeh, halang rhoek te na ki pomsang boeh.
5Steekt uw hoorn tegen de hemel niet op, En spreekt niet hooghartig tegen de Rots!
5“Na ki a sang la na pomsang tih na rhawn neh mangkhak la cal boeh,” ka ti nah.
6Want niet uit het oosten of westen, Niet uit de woestijn komt de glorie!
6Pomsang ham te khothoeng lamkah khaw, khotlak lamkah khaw, om pawt tih, khosoek lamkah moenih.
7Neen, het is God, die zal richten, Den een vernederen, den ander verheffen!
7Tedae lai aka tloek Pathen loh, pakhat te a kunyun sak tih, pakhat te a pomsang.
8Want in Jahweh’s hand is een beker Met schuimende wijn vol bittere kruiden! Hij schenkt hem leeg tot de droesem toe: Alle bozen der aarde moeten slurpen en drinken.
8BOEIPA kut ah boengloeng om tih, misurtui te homtui neh a bae la hom. Tekah te a hawk vaengah, diklai halang boeih loh a ok uh tih, a sampa khaw a caep uh.
9Maar ìk zal in eeuwigheid jubelen, Den God van Jakob mijn loflied zingen:
9Te dongah kai loh kumhal ah ka doek vetih, Jakob Pathen te ka tingtoeng ni.
10Alle hoornen der bozen worden gebroken, Maar de hoornen der rechtvaardigen steken omhoog!
10Te vaengah halang rhoek kah a ki boeih te ka rhet pah vetih, aka dueng rhoek kah a ki te a pomsang uh ni.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.