Jozua 20
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Daarna sprak Jahweh tot Josuë:
1І рече Господь Йозейові:
2Zeg aan de Israëlieten: Bepaalt nu zelf de vrijsteden, waarover Ik u door Moses gesproken heb,
2Промов до синів Ізрайлевих так: Попризначуйте собі охоронні міста, що про них я вам глаголав через Мойсея,
3steden, waarheen een moordenaar kan vluchten, die iemand bij ongeluk en zonder opzet gedood heeft, en die voor u een toevluchtsoord zullen zijn tegen den bloedwreker.
3Щоб убийця, той хто необачно, ненароком убє чоловіка, утїкав туди, щоб вони служили вам прибіжищем од кровоместника
4Wanneer dan iemand naar een van deze steden vlucht, bij de ingang van de stadspoort blijft staan, en ten aanhoren van de oudsten van die stad zijn belangen bepleit, dan moeten ze hem bij zich in de stad opnemen en hem een plaats aanwijzen, waar hij bij hen kan wonen.
4І хто втече в одно з тих міст, нехай стане у входу до міста, і принесе справу свою перед мужів громадських сего города. Тодї нехай вони приймають його до себе в город і дають йому притулок, щоб йому жити між ними.
5En als de bloedwreker hem achtervolgt, mogen ze hem den moordenaar niet uitleveren, omdat hij zijn evenmens niet met opzet gedood heeft, en te voren geen wrok tegen hem heeft gekoesterd.
5І коли кровоместник уганяти ме за ним, так щоб вони не видавали убийця йому: бо він убив свого ближнього ненароком, не ворогувавши на нього перше.
6Hij zal in die stad mogen blijven, tot hij voor het vergaderde volk terecht heeft gestaan, of tot de dood van den hogepriester, die er dan is. Dan zal de moordenaar weer naar zijn eigen stad en huis kunnen gaan, of naar de stad, van waaruit hij gevlucht was.
6Нехай він пробуває в тому містї, аж покіль стане задля свого присуду перед громадою, аж до смертї первосьвященника, що того часу старшинувати ме. Тодї можна убийцеві вернутись у свій город і в свою домівку в тому містї, звідкіля він утїк.
7Zo wezen ze Kédesj aan in Galilea, in het gebergte van Neftali; Sikem in het bergland van Efraïm; Kirjat-Arba of Hebron in het gebergte van Juda.
7І присьвятили вони Кедес в Галилеї на Нафталїєвій горі, та Сихем на Ефраїмовій горі, та Киріат-Арбу, се б то Геброн, на Юдиній горі;
8En in het Overjordaanse, ten oosten van Jericho, wezen ze Béser aan in de woestijn op de vlakte uit de stam Ruben; Ramot in Gilad uit de stam Gad; en Golan in Basjan uit de stam Manasse.
8А по тім боцї Йорданї навпроти Ерихону на схід сонця віддїлили, Бецер у степу, на поділлї, в поколїнню Рубена, та Рамот у Галадї, в поколїнню Гадовому, та Голан у Базанї, в поколїнню Манассієвому.
9Dit zijn dus de steden, die voor alle Israëlieten en voor alle onder hen vertoevende vreemdelingen werden aangewezen, en waarheen iedereen, die een ander per ongeluk gedood had, kon vluchten, opdat hij niet door de hand van den bloedwreker zou sterven, alvorens hij voor het vergaderde volk terecht had gestaan.
9Сї городи призначено про всїх синів Ізраїля і про чужениць, що пробували між ними, щоб усякий, хто туди втїкати ме, убивши ненароком людину, не вмер від руки кровоместника, перш нїж він стане перед громадою.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.