Exodus 40
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen sprak Jahweh tot Moses:
1Locutusque est Dominus ad Moysen, dicens:
2Op de eerste dag van de eerste maand moet ge de tabernakel, de openbaringstent, oprichten,
2Mense primo, prima die mensis, eriges tabernaculum testimonii,
3de ark des Verbonds daarin plaatsen, en de ark door het voorhangsel aan het oog onttrekken.
3et pones in eo arcam, dimittesque ante illam velum:
4Breng dan de tafel naar binnen, leg er op neer, wat er op hoort, zet de kandelaar er in, en ontsteek de lampen;
4et illata mensa, pones super eam quæ rite præcepta sunt. Candelabrum stabit cum lucernis suis,
5plaats het gouden reukofferaltaar voor de ark des Verbonds en hang het tapijt voor de ingang van de tabernakel.
5et altare aureum, in quo adoletur incensum, coram arca testimonii. Tentorium in introitu tabernaculi pones,
6Plaats vervolgens het brandofferaltaar voor de ingang van de tabernakel, de openbaringstent,
6et ante illud altare holocausti:
7zet het bekken neer tussen de openbaringstent en het altaar, en vul het met water.
7labrum inter altare et tabernaculum, quod implebis aqua.
8Richt daar omheen de voorhof op, en hang het tapijt voor de ingang van de voorhof.
8Circumdabisque atrium tentoriis, et ingressum ejus.
9Neem dan de zalfolie, zalf de tabernakel en al wat er in is, en wijd hem en alles wat er bij hoort; dan zal hij geheiligd zijn.
9Et assumpto unctionis oleo unges tabernaculum cum vasis suis, ut sanctificentur:
10Zalf ook het brandofferaltaar en al zijn benodigdheden en wijd het altaar; en het zal hoogheilig zijn.
10altare holocausti et omnia vasa ejus,
11Zalf ook het bekken met zijn onderstel, en wijd het.
11labrum cum basi sua: omnia unctionis oleo consecrabis, ut sint Sancta sanctorum.
12Laat daarna Aäron en zijn zonen voor de ingang van de openbaringstent treden, en was hen met water.
12Applicabisque Aaron et filios ejus ad fores tabernaculi testimonii, et lotos aqua
13Bekleed dan Aäron met de heilige gewaden, en zalf en wijd hem; dan zal hij mijn priester zijn.
13indues sanctis vestibus, ut ministrent mihi, et unctio eorum in sacerdotium sempiternum proficiat.
14Laat ook zijn zonen toetreden, en bekleed hen met de tunieken.
14Fecitque Moyses omnia quæ præceperat Dominus.
15Zalf hen, zoals gij hun vader hebt gezalfd; dan zullen zij mijn priesters zijn en door deze zalving het priesterschap eeuwig in hun geslacht bezitten.
15Igitur mense primo anni secundi, prima die mensis, collocatum est tabernaculum.
16En Moses deed alles, juist zoals Jahweh het hem bevolen had.
16Erexitque Moyses illud, et posuit tabulas ac bases et vectes, statuitque columnas,
17En in de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste dag van de maand, werd de tabernakel opgericht.
17et expandit tectum super tabernaculum, imposito desuper operimento, sicut Dominus imperaverat.
18Moses richtte de tabernakel op; hij plaatste de voetstukken, zette de schotten er in, bevestigde de bindlatten, en richtte de palen op;
18Posuit et testimonium in arca, subditis infra vectibus, et oraculum desuper.
19hij spande de tent uit over de tabernakel, en legde het tentdek er over heen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
19Cumque intulisset arcam in tabernaculum, appendit ante eam velum ut expleret Domini jussionem.
20Dan nam hij de verbondstafelen, legde ze in de ark, stak de handbomen aan de ark, legde het verzoendeksel op de ark,
20Posuit et mensam in tabernaculo testimonii ad plagam septentrionalem extra velum,
21bracht de ark in de tabernakel, hing het voorhangsel op en onttrok zo de ark des Verbonds aan het oog, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
21ordinatis coram propositionis panibus, sicut præceperat Dominus Moysi.
22Daarna plaatste hij de tafel in de openbaringstent, aan de noordzijde van de tabernakel buiten het voorhangsel,
22Posuit et candelabrum in tabernaculo testimonii e regione mensæ in parte australi,
23schikte daarop de broden voor het aanschijn van Jahweh, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
23locatis per ordinem lucernis, juxta præceptum Domini.
24Hij plaatste de kandelaar in de openbaringstent tegenover de tafel aan de zuidzijde van de tabernakel,
24Posuit et altare aureum sub tecto testimonii contra velum,
25en zette de lampen er op voor het aanschijn van Jahweh, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
25et adolevit super eo incensum aromatum, sicut jusserat Dominus Moysi.
26Hij plaatste ook het gouden altaar in de openbaringstent voor het voorhangsel,
26Posuit et tentorium in introitu tabernaculi testimonii,
27en ontstak daarop de geurige wierook, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
27et altare holocausti in vestibulo testimonii, offerens in eo holocaustum, et sacrificia, ut Dominus imperaverat.
28Vervolgens hing hij het tapijt voor de ingang van de tabernakel,
28Labrum quoque statuit inter tabernaculum testimonii et altare, implens illud aqua.
29en plaatste het brandofferaltaar aan de ingang van de tabernakel, de openbaringstent, en offerde daarop het brand(-) en spijsoffer, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
29Laveruntque Moyses et Aaron ac filii ejus manus suas et pedes,
30Het bekken stelde hij tussen de openbaringstent en het altaar, en vulde het met water voor de wassingen;
30cum ingrederentur tectum fœderis, et accederent ad altare, sicut præceperat Dominus Moysi.
31en Moses en Aäron en zijn zonen wasten hun handen en voeten er in,
31Erexit et atrium per gyrum tabernaculi et altaris, ducto in introitu ejus tentorio. Postquam omnia perfecta sunt,
32telkens wanneer zij de openbaringstent binnengingen of tot het altaar naderden, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
32operuit nubes tabernaculum testimonii, et gloria Domini implevit illud.
33Rond de tabernakel en het altaar richtte hij de voorhof op, en hing hij een tapijt voor de ingang van de voorhof. Zo voltooide Moses het werk.
33Nec poterat Moyses ingredi tectum fœderis, nube operiente omnia, et majestate Domini coruscante, quia cuncta nubes operuerat.
34Toen bedekte de wolk de openbaringstent en vervulde Jahweh’s Glorie de tabernakel;
34Siquando nubes tabernaculum deserebat, proficiscebantur filii Israël per turmas suas:
35en Moses kon de openbaringstent niet binnengaan, omdat de wolk daarop rustte en Jahweh’s Glorie de tabernakel vervulde.
35si pendebat desuper, manebant in eodem loco.
36En telkens wanneer de wolk zich boven de tabernakel verhief, braken de Israëlieten op, om hun tocht te hervatten;
36Nubes quippe Domini incubabat per diem tabernaculo, et ignis in nocte, videntibus cunctis populis Israël per cunctas mansiones suas.
37maar zolang de wolk zich niet verhief, wachtten zij met het vertrekken tot het ogenblik, dat zij opsteeg.
no verse 37 in this text
38Want overdag rustte de wolk van Jahweh op de tabernakel, en des nachts was er een vuur in de wolk ten aanschouwen van heel het huis van Israël op al zijn tochten.
no verse 38 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.