Exodus
Chapter 25
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Daar sprak Jahweh tot Moses:
1Locutusque est Dominus ad Moysen, dicens:
2Zeg de kinderen Israëls, dat ze Mij geschenken brengen; van iedereen, wien het hart het ingeeft, zult ge geschenken aanvaarden.
2Loquere filiis Israël, ut tollant mihi primitias: ab omni homine qui offeret ultroneus, accipietis eas.
3Dit zijn de geschenken, die ge van hen moet aannemen: goud, zilver en brons,
3Hæc sunt autem quæ accipere debeatis: aurum, et argentum, et æs,
4violet, purper, karmozijn, getwijnd lijnwaad en geitenhaar,
4hyacinthum et purpuram, coccumque bis tinctum, et byssum, pilos caprarum,
5roodgeverfde ramsvellen, gelooide huiden en acaciahout;
5et pelles arietum rubricatas, pellesque janthinas, et ligna setim:
6olie voor de lampen, specerijen voor de zalfolie en voor de geurige wierook;
6oleum ad luminaria concinnanda: aromata in unguentum, et thymiamata boni odoris:
7onyxstenen en andere edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten.
7lapides onychinos, et gemmas ad ornandum ephod, ac rationale.
8Want ge moet voor Mij een heiligdom maken, opdat Ik in hun midden kan wonen.
8Facientque mihi sanctuarium, et habitabo in medio eorum:
9En ge moet de tabernakel met toebehoren nauwkeurig naar de modellen vervaardigen, die Ik u nu ga tonen.
9juxta omnem similitudinem tabernaculi quod ostendam tibi, et omnium vasorum in cultum ejus. Sicque facietis illud:
10Ge moet een ark vervaardigen van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
10arcam de lignis setim compingite, cujus longitudo habeat duos et semis cubitos: latitudo, cubitum et dimidium: altitudo, cubitum similiter ac semissem.
11Ge moet haar van binnen en van buiten met zuiver goud bekleden en er loofwerk van goud omheen maken.
11Et deaurabis eam auro mundissimo intus et foris: faciesque supra, coronam auream per circuitum:
12Dan moet ge er vier gouden krammen voor gieten, en die boven aan de vier poten bevestigen, twee krammen aan iedere kant.
12et quatuor circulos aureos, quos pones per quatuor arcæ angulos: duo circuli sint in latere uno, et duo in altero.
13Maak vervolgens handbomen van acaciahout, besla ze met goud,
13Facies quoque vectes de lignis setim, et operies eos auro.
14en steek ze in de krammen aan weerskanten van de ark, om daarmee de ark te dragen.
14Inducesque per circulos qui sunt in arcæ lateribus, ut portetur in eis:
15De handbomen moeten in de krammen aan de ark blijven, en mogen er niet worden uitgetrokken.
15qui semper erunt in circulis, nec umquam extrahentur ab eis.
16In de ark moet ge de verbondswet leggen, die Ik u geven zal.
16Ponesque in arca testificationem quam dabo tibi.
17Daarna moet ge ook een verzoendeksel maken van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
17Facies et propitiatorium de auro mundissimo: duos cubitos et dimidium tenebit longitudo ejus, et cubitum ac semissem latitudo.
18Aan de beide uiteinden van het verzoendeksel moet ge twee gouden cherubs als drijfwerk maken.
18Duos quoque cherubim aureos et productiles facies, ex utraque parte oraculi.
19Sla een cherub uit aan het ene einde en een cherub aan het andere einde; dus in het verzoendeksel zelf moet ge aan beide uiteinden de cherubs uitslaan.
19Cherub unus sit in latere uno, et alter in altero.
20De cherubs moeten hun vleugels omhoog spreiden, en met hun vleugels het verzoendeksel overspannen; ze moeten tegenover elkander staan, terwijl hun gezichten naar het verzoendeksel gericht moeten zijn.
20Utrumque latus propitiatorii tegant expandentes alas, et operientes oraculum, respiciantque se mutuo versis vultibus in propitiatorium quo operienda est arca,
21Leg dan het verzoendeksel boven op de ark, en de verbondswet, die Ik u geven zal, erin.
21in qua pones testimonium quod dabo tibi.
22Daar zal Ik Mij aan u openbaren, en boven het verzoendeksel tussen de twee cherubs, die op de ark des Verbonds staan, zal Ik alles mededelen, wat Ik u voor de Israëlieten heb te bevelen.
22Inde præcipiam, et loquar ad te supra propitiatorium, ac de medio duorum cherubim, qui erunt super arcam testimonii, cuncta quæ mandabo per te filiis Israël.
23Gij moet ook een tafel van acaciahout vervaardigen, twee ellen lang, een el breed en anderhalve el hoog.
23Facies et mensam de lignis setim, habentem duos cubitos longitudinis, et in latitudine cubitum, et in altitudine cubitum et semissem.
24Overtrek die met zuiver goud, en maak er loofwerk van goud omheen.
24Et inaurabis eam auro purissimo: faciesque illi labium aureum per circuitum,
25Gij moet daar een lijst van een hand breed omheen maken, en om die lijst loofwerk van goud.
25et ipsi labio coronam interrasilem altam quatuor digitis: et super illam, alteram coronam aureolam.
26Dan moet ge vier gouden krammen maken, en die aan de vier hoeken bij de poten bevestigen.
26Quatuor quoque circulos aureos præparabis, et pones eis in quatuor angulis ejusdem mensæ per singulos pedes.
27Breng die krammen voor de handbomen van de tafel vlak bij de lijst aan.
27Subter coronam erunt circuli aurei, ut mittantur vectes per eos, et possit mensa portari.
28De handbomen moet ge van acaciahout maken, en met goud beslaan; daarmee moet de tafel worden gedragen.
28Ipsos quoque vectes facies de lignis setim, et circumdabis auro ad subvehendam mensam.
29Bovendien moet ge nog de nodige schotels, kannen, bekers en schalen vervaardigen voor het uitgieten van de plengoffers; ge moet ze maken van zuiver goud.
29Parabis et acetabula, ac phialas, thuribula, et cyathos, in quibus offerenda sunt libamina, ex auro purissimo.
30Ook moet ge er voor zorgen, dat er op de tafel voortdurend toonbroden voor Mij liggen.
30Et pones super mensam panes propositionis in conspectu meo semper.
31Vervolgens moet ge een kandelaar maken van zuiver goud. De kandelaar moet drijfwerk zijn: zijn voetstuk en schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems uit één stuk.
31Facies et candelabrum ductile de auro mundissimo, hastile ejus, et calamos, scyphos, et sphærulas, ac lilia ex ipso procedentia.
32Zes armen moeten terzijde uitsteken, drie armen aan de ene kant van de kandelaar en drie armen aan de andere kant.
32Sex calami egredientur de lateribus, tres ex uno latere, et tres ex altero.
33Aan iedere arm moeten drie bloemkelken zitten in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems; dus aan de zes armen, die uit de kandelaar steken op dezelfde manier.
33Tres scyphi quasi in nucis modum per calamos singulos, sphærulaque simul, et lilium: et tres similiter scyphi instar nucis in calamo altero, sphærulaque simul et lilium. Hoc erit opus sex calamorum, qui producendi sunt de hastili:
34Maar aan de kandelaar zelf moeten vier bloemkelken zitten in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems;
34in ipso autem candelabro erunt quatuor scyphi in nucis modum, sphærulæque per singulos, et lilia.
35telkens moet één knop onder elk van de drie paar armen zitten, waar de zes armen uit de kandelaar schieten.
35Sphærulæ sub duobus calamis per tria loca, qui simul sex fiunt procedentes de hastili uno.
36De knoppen en armen moeten met de kandelaar zelf uit één stuk zijn; het geheel één stuk drijfwerk van zuiver goud.
36Et sphærulæ igitur et calami ex ipso erunt, universa ductilia de auro purissimo.
37Bovendien moet ge de zeven lampen maken, die er bij horen, en deze er zo boven op plaatsen, dat het licht naar de voorzijde valt.
37Facies et lucernas septem, et pones eas super candelabrum, ut luceant ex adverso.
38Ook de snuiters en bakjes moeten van zuiver goud zijn.
38Emunctoria quoque, et ubi quæ emuncta sunt extinguantur, fiant de auro purissimo.
39Een talent zuiver goud moet men gebruiken voor de kandelaar en voor alles wat er bij hoort.
39Omne pondus candelabri cum universis vasis suis habebit talentum auri purissimi.
40Zorg er voor, dat ge het vervaardigt naar de modellen, die u op de berg zijn getoond.
40Inspice, et fac secundum exemplar quod tibi in monte monstratum est.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.