Exodus 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Daar sprak Jahweh tot Moses:
1And the LORD spoke unto Moses, saying:
2Zeg de kinderen Israëls, dat ze Mij geschenken brengen; van iedereen, wien het hart het ingeeft, zult ge geschenken aanvaarden.
2'Speak unto the children of Israel, that they take for Me an offering; of every man whose heart maketh him willing ye shall take My offering.
3Dit zijn de geschenken, die ge van hen moet aannemen: goud, zilver en brons,
3And this is the offering which ye shall take of them: gold, and silver, and brass;
4violet, purper, karmozijn, getwijnd lijnwaad en geitenhaar,
4and blue, and purple, and scarlet, and fine linen, and goats' hair;
5roodgeverfde ramsvellen, gelooide huiden en acaciahout;
5and rams' skins dyed red, and sealskins, and acacia-wood;
6olie voor de lampen, specerijen voor de zalfolie en voor de geurige wierook;
6oil for the light, spices for the anointing oil, and for the sweet incense;
7onyxstenen en andere edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten.
7onyx stones, and stones to be set, for the ephod, and for the breastplate.
8Want ge moet voor Mij een heiligdom maken, opdat Ik in hun midden kan wonen.
8And let them make Me a sanctuary, that I may dwell among them.
9En ge moet de tabernakel met toebehoren nauwkeurig naar de modellen vervaardigen, die Ik u nu ga tonen.
9According to all that I show thee, the pattern of the tabernacle, and the pattern of all the furniture thereof, even so shall ye make it.
10Ge moet een ark vervaardigen van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
10And they shall make an ark of acacia-wood: two cubits and a half shall be the length thereof, and a cubit and a half the breadth thereof, and a cubit and a half the height thereof.
11Ge moet haar van binnen en van buiten met zuiver goud bekleden en er loofwerk van goud omheen maken.
11And thou shalt overlay it with pure gold, within and without shalt thou overlay it, and shalt make upon it a crown of gold round about.
12Dan moet ge er vier gouden krammen voor gieten, en die boven aan de vier poten bevestigen, twee krammen aan iedere kant.
12And thou shalt cast four rings of gold for it, and put them in the four feet thereof; and two rings shall be on the one side of it, and two rings on the other side of it.
13Maak vervolgens handbomen van acaciahout, besla ze met goud,
13And thou shalt make staves of acacia-wood, and overlay them with gold.
14en steek ze in de krammen aan weerskanten van de ark, om daarmee de ark te dragen.
14And thou shalt put the staves into the rings on the sides of the ark, wherewith to bear the ark.
15De handbomen moeten in de krammen aan de ark blijven, en mogen er niet worden uitgetrokken.
15The staves shall be in the rings of the ark; they shall not be taken from it.
16In de ark moet ge de verbondswet leggen, die Ik u geven zal.
16And thou shalt put into the ark the testimony which I shall give thee.
17Daarna moet ge ook een verzoendeksel maken van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
17And thou shalt make an ark-cover of pure gold: two cubits and a half shall be the length thereof, and a cubit and a half the breadth thereof.
18Aan de beide uiteinden van het verzoendeksel moet ge twee gouden cherubs als drijfwerk maken.
18And thou shalt make two cherubim of gold; of beaten work shalt thou make them, at the two ends of the ark-cover.
19Sla een cherub uit aan het ene einde en een cherub aan het andere einde; dus in het verzoendeksel zelf moet ge aan beide uiteinden de cherubs uitslaan.
19And make one cherub at the one end, and one cherub at the other end; of one piece with the ark-cover shall ye make the cherubim of the two ends thereof.
20De cherubs moeten hun vleugels omhoog spreiden, en met hun vleugels het verzoendeksel overspannen; ze moeten tegenover elkander staan, terwijl hun gezichten naar het verzoendeksel gericht moeten zijn.
20And the cherubim shall spread out their wings on high, screening the ark-cover with their wings, with their faces one to another; toward the ark-cover shall the faces of the cherubim be.
21Leg dan het verzoendeksel boven op de ark, en de verbondswet, die Ik u geven zal, erin.
21And thou shalt put the ark-cover above upon the ark; and in the ark thou shalt put the testimony that I shall give thee.
22Daar zal Ik Mij aan u openbaren, en boven het verzoendeksel tussen de twee cherubs, die op de ark des Verbonds staan, zal Ik alles mededelen, wat Ik u voor de Israëlieten heb te bevelen.
22And there I will meet with thee, and I will speak with thee from above the ark-cover, from between the two cherubim which are upon the ark of the testimony, of all things which I will give thee in commandment unto the children of Israel.
23Gij moet ook een tafel van acaciahout vervaardigen, twee ellen lang, een el breed en anderhalve el hoog.
23And thou shalt make a table of acacia-wood: two cubits shall be the length thereof, and a cubit the breadth thereof, and a cubit and a half the height thereof.
24Overtrek die met zuiver goud, en maak er loofwerk van goud omheen.
24And thou shalt overlay it with pure gold, and make thereto a crown of gold round about.
25Gij moet daar een lijst van een hand breed omheen maken, en om die lijst loofwerk van goud.
25And thou shalt make unto it a border of a handbreadth round about, and thou shalt make a golden crown to the border thereof round about.
26Dan moet ge vier gouden krammen maken, en die aan de vier hoeken bij de poten bevestigen.
26And thou shalt make for it four rings of gold, and put the rings in the four corners that are on the four feet thereof.
27Breng die krammen voor de handbomen van de tafel vlak bij de lijst aan.
27Close by the border shall the rings be, for places for the staves to bear the table.
28De handbomen moet ge van acaciahout maken, en met goud beslaan; daarmee moet de tafel worden gedragen.
28And thou shalt make the staves of acacia-wood, and overlay them with gold, that the table may be borne with them.
29Bovendien moet ge nog de nodige schotels, kannen, bekers en schalen vervaardigen voor het uitgieten van de plengoffers; ge moet ze maken van zuiver goud.
29And thou shalt make the dishes thereof, and the pans thereof, and the jars thereof, and the bowls thereof, wherewith to pour out; of pure gold shalt thou make them.
30Ook moet ge er voor zorgen, dat er op de tafel voortdurend toonbroden voor Mij liggen.
30And thou shalt set upon the table showbread before Me alway.
31Vervolgens moet ge een kandelaar maken van zuiver goud. De kandelaar moet drijfwerk zijn: zijn voetstuk en schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems uit één stuk.
31And thou shalt make a candlestick of pure gold: of beaten work shall the candlestick be made, even its base, and its shaft; its cups, its knops, and its flowers, shall be of one piece with it.
32Zes armen moeten terzijde uitsteken, drie armen aan de ene kant van de kandelaar en drie armen aan de andere kant.
32And there shall be six branches going out of the sides thereof: three branches of the candlestick out of the one side thereof, and three branches of the candle-stick out of the other side thereof;
33Aan iedere arm moeten drie bloemkelken zitten in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems; dus aan de zes armen, die uit de kandelaar steken op dezelfde manier.
33three cups made like almond-blossoms in one branch, a knop and a flower; and three cups made like almond-blossoms in the other branch, a knop and a flower; so for the six branches going out of the candlestick.
34Maar aan de kandelaar zelf moeten vier bloemkelken zitten in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems;
34And in the candlestick four cups made like almond-blossoms, the knops thereof, and the flowers thereof.
35telkens moet één knop onder elk van de drie paar armen zitten, waar de zes armen uit de kandelaar schieten.
35And a knop under two branches of one piece with it, and a knop under two branches of one piece with it, and a knop under two branches of one piece with it, for the six branches going out of the candlestick.
36De knoppen en armen moeten met de kandelaar zelf uit één stuk zijn; het geheel één stuk drijfwerk van zuiver goud.
36Their knops and their branches shall be of one piece with it; the whole of it one beaten work of pure gold.
37Bovendien moet ge de zeven lampen maken, die er bij horen, en deze er zo boven op plaatsen, dat het licht naar de voorzijde valt.
37And thou shalt make the lamps thereof, seven; and they shall light the lamps thereof, to give light over against it.
38Ook de snuiters en bakjes moeten van zuiver goud zijn.
38And the tongs thereof, and the snuffdishes thereof, shall be of pure gold.
39Een talent zuiver goud moet men gebruiken voor de kandelaar en voor alles wat er bij hoort.
39Of a talent of pure gold shall it be made, with all these vessels.
40Zorg er voor, dat ge het vervaardigt naar de modellen, die u op de berg zijn getoond.
40And see that thou make them after their pattern, which is being shown thee in the mount.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.