Exodus 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Ge moogt geen vals gerucht rondstrooien. Ge moogt hem, die ongelijk heeft, geen hulp verlenen door valse getuigenis.
1Thou shalt not utter a false report; put not thy hand with the wicked to be an unrighteous witness.
2Sluit u in kwade zaken niet bij de meerderheid aan, en richt bij uw antwoorden in een geding u niet naar de meerderheid, als ge daardoor het recht zoudt verkrachten.
2Thou shalt not follow a multitude to do evil; neither shalt thou bear witness in a cause to turn aside after a multitude to pervert justice;
3Kies ook in een rechtsgeding niet de partij van den rijke.
3neither shalt thou favour a poor man in his cause.
4Wanneer ge een verdwaalden os of ezel van uw vijand aantreft, moet ge ze terstond naar hem terugbrengen.
4If thou meet thine enemy's ox or his ass going astray, thou shalt surely bring it back to him again.
5Wanneer ge een ezel van uw vijand onder zijn last ziet bezwijken, zult ge den man uw hulp niet weigeren, maar hem helpen afladen.
5If thou see the ass of him that hateth thee lying under its burden, thou shalt forbear to pass by him; thou shalt surely release it with him.
6Bij een geding moogt ge het recht van den arme niet verkrachten.
6Thou shalt not wrest the judgment of thy poor in his cause.
7Ge zult geen oneerlijke uitspraak doen, en geen doodvonnis vellen over een onschuldige, die in zijn recht is; want ook Ik geef geen gelijk aan hem, die niet in zijn recht is.
7Keep thee far from a false matter; and the innocent and righteous slay thou not; for I will not justify the wicked.
8Ge moogt ook geen geschenken aannemen; want geschenken maken zienden blind en verdraaien het recht.
8And thou shalt take no gift; for a gift blindeth them that have sight, and perverteth the words of the righteous.
9Eveneens moogt ge den vreemdeling niet verdrukken; want ge weet, hoe een vreemdeling zich moet voelen, daar ge zelf vreemdeling zijt geweest in het land van Egypte.
9And a stranger shalt thou not oppress; for ye know the heart of a stranger, seeing ye were strangers in the land of Egypt.
10Zes jaren moogt ge het land bezaaien en de vruchten ervan oogsten;
10And six years thou shalt sow thy land, and gather in the increase thereof;
11maar in het zevende jaar moet ge het braak laten liggen en niet bewerken. Dan zullen de armen onder uw volk er van eten, en de rest zal het wild tot voedsel dienen. Zo zult ge ook met uw wijngaard en uw olijventuin doen.
11but the seventh year thou shalt let it rest and lie fallow, that the poor of thy people may eat; and what they leave the beast of the field shall eat. In like manner thou shalt deal with thy vineyard, and with thy oliveyard.
12Zes dagen moogt ge werken, maar op de zevende dag zult ge rusten, opdat ook uw rund en uw ezel rust mogen hebben, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling tot rust kunnen komen.
12Six days thou shalt do thy work, but on the seventh day thou shalt rest; that thine ox and thine ass may have rest, and the son of thy handmaid, and the stranger, may be refreshed.
13Onderhoudt alles, wat Ik u heb gezegd. De naam van vreemde goden zult ge niet aanroepen; die mag in uw mond niet worden gehoord!
13And in all things that I have said unto you take ye heed; and make no mention of the name of other gods, neither let it be heard out of thy mouth.
14Drie maal per jaar zult ge ter ere van Mij feest vieren.
14Three times thou shalt keep a feast unto Me in the year.
15Ge moet het feest der ongedesemde broden vieren. Dan moet ge zeven dagen lang op de vastgestelde tijd in de maand Abib ongedesemde broden eten, zoals Ik u heb bevolen; want in die maand zijt ge uit Egypte getrokken.
15The feast of unleavened bread shalt thou keep; seven days thou shalt eat unleavened bread, as I commanded thee, at the time appointed in the month Abib — for in it thou camest out from Egypt; and none shall appear before Me empty;
16Verder het oogstfeest, wanneer de eerstelingen van uw arbeid, van wat ge op het veld hebt gezaaid, worden geoogst, en het plukfeest op het eind van het jaar, wanneer ge van het veld de vruchten van uw arbeid binnenhaalt.
16and the feast of harvest, the first-fruits of thy labours, which thou sowest in the field; and the feast of ingathering, at the end of the year, when thou gatherest in thy labours out of the field.
17Deze drie keren in het jaar moeten alle personen van het mannelijk geslacht voor Jahweh, den Heer verschijnen en zij mogen niet met lege handen voor mijn aanschijn komen.
17Three times in the year all thy males shall appear before the Lord GOD.
18Ge moogt het bloed van het dier, dat Mij wordt geofferd, niet tegelijk met gedesemd brood opdragen. Het vet van mijn feestoffer mag niet de nacht door tot de volgende morgen worden bewaard.
18Thou shalt not offer the blood of My sacrifice with leavened bread; neither shall the fat of My feast remain all night until the morning.
19Het puik der eerstelingen van uw akker zult ge naar het huis van Jahweh, uw God brengen. Gij moogt het geitje niet koken in de melk van zijn moeder.
19The choicest first-fruits of thy land thou shalt bring into the house of the LORD thy God. Thou shalt not seethe a kid in its mother's milk.
20Zie, Ik zend mijn engel voor u uit, om u onderweg te bewaken, en u naar de plaats te leiden, die Ik u heb bereid.
20Behold, I send an angel before thee, to keep thee by the way, and to bring thee into the place which I have prepared.
21Wees voor hem op uw hoede, luister naar hem, en wees niet weerspannig tegen hem. Hij zal uw zonden niet vergeven, want in hem woont mijn Naam.
21Take heed of him, and hearken unto his voice; be not rebellious against him; for he will not pardon your transgression; for My name is in him.
22Maar zo ge naar Mij luistert, en alles doet, wat Ik heb gezegd, zal Ik de vijand van uw vijanden zijn en de verdrukker van uw verdrukkers.
22But if thou shalt indeed hearken unto his voice, and do all that I speak; then I will be an enemy unto thine enemies, and an adversary unto thine adversaries.
23Waarachtig, dan zal mijn engel voor u uitgaan, en u aanvoeren tegen de Amorieten, Chittieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chiwwieten, Jeboesieten, en Ik zal ze vernietigen.
23For Mine angel shall go before thee, and bring thee in unto the Amorite, and the Hittite, and the Perizzite, and the Canaanite, the Hivite, and the Jebusite; and I will cut them off.
24Hun goden moogt ge niet aanbidden of dienen, ge moogt hun daden niet navolgen; maar ge moet ze meedogenloos uitroeien en hun wijstenen verbrijzelen.
24Thou shalt not bow down to their gods, nor serve them, nor do after their doings; but thou shalt utterly overthrow them, and break in pieces their pillars.
25Jahweh, uw God, moet ge dienen! Dan zal Ik uw brood en uw water zegenen, en de ziekte uit uw midden bannen;
25And ye shall serve the LORD your God, and He will bless thy bread, and thy water; and I will take sickness away from the midst of thee.
26geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn, en het getal uwer dagen maak Ik vol.
26None shall miscarry, nor be barren, in thy land; the number of thy days I will fulfil.
27Dan zal Ik mijn verschrikking voor u uitzenden, al de volken, waar gij komt, in verwarring brengen en uw vijanden voor u op de vlucht drijven.
27I will send My terror before thee, and will discomfit all the people to whom thou shalt come, and I will make all thine enemies turn their backs unto thee.
28Dan zal Ik horzels voor u uitzenden, die de Chiwwieten, Kanaänieten en Chittieten voor u zullen opjagen.
28And I will send the hornet before thee, which shall drive out the Hivite, the Canaanite, and the Hittite, from before thee.
29Maar Ik drijf ze niet in een enkel jaar voor u weg; anders zou het land een woestenij worden en zouden de wilde dieren de overhand krijgen;
29I will not drive them out from before thee in one year, lest the land become desolate, and the beasts of the field multiply against thee.
30slechts langzaam aan drijf Ik hen voor u weg, totdat ge zo zijt aangegroeid, dat ge het land in bezit kunt nemen.
30By little and little I will drive them out from before thee, until thou be increased, and inherit the land.
31Dan zal Ik uw grenzen trekken van de Rode Zee tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de Rivier, en alle bewoners van het land aan u overleveren. Ge moet ze verjagen,
31And I will set thy border from the Red Sea even unto the sea of the Philistines, and from the wilderness unto the River; for I will deliver the inhabitants of the land into your hand; and thou shalt drive them out before thee.
32en moogt geen verbond met hen sluiten, noch met hun goden;
32Thou shalt make no covenant with them, nor with their gods.
33ze mogen zelfs niet in uw land blijven wonen. Want anders verleiden ze u tot zonde tegen Mij; zodat gij hun goden zoudt gaan dienen, en die zouden een valstrik voor u worden.
33They shall not dwell in thy land — lest they make thee sin against Me, for thou wilt serve their gods — for they will be a snare unto thee.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.