Exodus
Chapter 23
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Ge moogt geen vals gerucht rondstrooien. Ge moogt hem, die ongelijk heeft, geen hulp verlenen door valse getuigenis.
1Nebudeš vynášeti pověsti lživé. Neklaď s bezbožným ruky své, abys měl býti s ním svědek nepravý.
2Sluit u in kwade zaken niet bij de meerderheid aan, en richt bij uw antwoorden in een geding u niet naar de meerderheid, als ge daardoor het recht zoudt verkrachten.
2Nepostoupíš po množství ke zlému, a nebudeš se přimlouvati k rozepři, tak abys se uchýlil po větším počtu k převrácení soudu.
3Kies ook in een rechtsgeding niet de partij van den rijke.
3Ani chudého šanovati nebudeš v při jeho.
4Wanneer ge een verdwaalden os of ezel van uw vijand aantreft, moet ge ze terstond naar hem terugbrengen.
4Trefil-li bys na vola nepřítele svého neb osla jeho, an bloudí, obrátíš a dovedeš ho k němu.
5Wanneer ge een ezel van uw vijand onder zijn last ziet bezwijken, zult ge den man uw hulp niet weigeren, maar hem helpen afladen.
5Uzřel-li bys an osel toho, jenž tě má v nenávisti, leží pod břemenem svým, zdaž se zdržíš, abys mu neměl pomoci? Nýbrž opravdově pomůžeš jemu, spolu s tím, kdož tě v nenávisti má.
6Bij een geding moogt ge het recht van den arme niet verkrachten.
6Nepřevrátíš soudu chudého svého v jeho při.
7Ge zult geen oneerlijke uitspraak doen, en geen doodvonnis vellen over een onschuldige, die in zijn recht is; want ook Ik geef geen gelijk aan hem, die niet in zijn recht is.
7Od slova lživého vzdálíš se. Nevinného a spravedlivého nezabiješ, nebo já neospravedlním bezbožného.
8Ge moogt ook geen geschenken aannemen; want geschenken maken zienden blind en verdraaien het recht.
8Aniž bráti budeš darů, nebo dar oslepuje i prozřetelné, a převrací slova spravedlivých.
9Eveneens moogt ge den vreemdeling niet verdrukken; want ge weet, hoe een vreemdeling zich moet voelen, daar ge zelf vreemdeling zijt geweest in het land van Egypte.
9Příchozího nebudeš ssužovati; nebo sami znáte, jaký jest život příchozích, poněvadž pohostinu jste byli v zemi Egyptské.
10Zes jaren moogt ge het land bezaaien en de vruchten ervan oogsten;
10Po šest let osívati budeš zemi svou, a shromažďovati úrodu její;
11maar in het zevende jaar moet ge het braak laten liggen en niet bewerken. Dan zullen de armen onder uw volk er van eten, en de rest zal het wild tot voedsel dienen. Zo zult ge ook met uw wijngaard en uw olijventuin doen.
11Sedmého pak léta ponecháš jí, ať odpočine, aby jedli chudí lidu tvého. Co pak zůstane po nich, pojí zvěř polní. Tak uděláš s vinicí svou i s olivovím svým.
12Zes dagen moogt ge werken, maar op de zevende dag zult ge rusten, opdat ook uw rund en uw ezel rust mogen hebben, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling tot rust kunnen komen.
12Šest dní budeš dělati díla svá, dne pak sedmého přestaneš, aby odpočinul vůl tvůj i osel tvůj, a oddechl syn děvky tvé i příchozí.
13Onderhoudt alles, wat Ik u heb gezegd. De naam van vreemde goden zult ge niet aanroepen; die mag in uw mond niet worden gehoord!
13Ve všech těch věcech, kteréž mluvil jsem vám, ostříhati se budete. Jména bohů cizích ani připomínati nebudete, aniž bude slyšáno z úst tvých.
14Drie maal per jaar zult ge ter ere van Mij feest vieren.
14Třikrát slaviti mi budeš svátek na každý rok.
15Ge moet het feest der ongedesemde broden vieren. Dan moet ge zeven dagen lang op de vastgestelde tijd in de maand Abib ongedesemde broden eten, zoals Ik u heb bevolen; want in die maand zijt ge uit Egypte getrokken.
15Slavnosti přesnic ostříhati budeš. Sedm dní jísti budeš chleby přesné, jakž jsem přikázal tobě, v čas vyměřený měsíce Abib; nebo v ten vyšel jsi z Egypta. Aniž se ukážete přede mnou prázdní.
16Verder het oogstfeest, wanneer de eerstelingen van uw arbeid, van wat ge op het veld hebt gezaaid, worden geoogst, en het plukfeest op het eind van het jaar, wanneer ge van het veld de vruchten van uw arbeid binnenhaalt.
16A držeti budeš slavnost žně, když mi obětovati budeš prvotiny prací svých z toho, což jsi vsel na poli. Slavnost také sklizení držeti budeš při vyjití roku, když sklidíš práce své z pole.
17Deze drie keren in het jaar moeten alle personen van het mannelijk geslacht voor Jahweh, den Heer verschijnen en zij mogen niet met lege handen voor mijn aanschijn komen.
17Třikrát v roce ukáže se každý z tvých pohlaví mužského před tváří Panovníka Hospodina.
18Ge moogt het bloed van het dier, dat Mij wordt geofferd, niet tegelijk met gedesemd brood opdragen. Het vet van mijn feestoffer mag niet de nacht door tot de volgende morgen worden bewaard.
18Nebudeš obětovati krve z oběti mé, dokavadž u tebe kvas jest, aniž zůstane tuk slavnosti mé do jitra.
19Het puik der eerstelingen van uw akker zult ge naar het huis van Jahweh, uw God brengen. Gij moogt het geitje niet koken in de melk van zijn moeder.
19Prvotiny prvních úrod země své přinášeti budeš do domu Hospodina Boha svého. Nebudeš vařiti kozelce v mléku mateře jeho.
20Zie, Ik zend mijn engel voor u uit, om u onderweg te bewaken, en u naar de plaats te leiden, die Ik u heb bereid.
20Aj, já pošli anděla před tebou, aby ostříhal tebe na cestě, a přivedl tě na místo, kteréž jsem připravil.
21Wees voor hem op uw hoede, luister naar hem, en wees niet weerspannig tegen hem. Hij zal uw zonden niet vergeven, want in hem woont mijn Naam.
21Šetrně se měj před ním, a poslouchej hlasu jeho. Nepopouzej ho, neboť nepromine přestoupení vašeho, poněvadž jméno mé jest u prostřed něho.
22Maar zo ge naar Mij luistert, en alles doet, wat Ik heb gezegd, zal Ik de vijand van uw vijanden zijn en de verdrukker van uw verdrukkers.
22Nebo budeš-li věrně poslouchati hlasu jeho, a činiti, cožť bych koli řekl: tedy nepřítelem budu nepřátel tvých, a trápiti budu ty, jenž tebe trápí.
23Waarachtig, dan zal mijn engel voor u uitgaan, en u aanvoeren tegen de Amorieten, Chittieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chiwwieten, Jeboesieten, en Ik zal ze vernietigen.
23Nebo půjde anděl můj před tebou, a uvede tě do země Amorejského a Hetejského, Ferezejského a Kananejského, Hevejského a Jebuzejského, kteréž vyhladím.
24Hun goden moogt ge niet aanbidden of dienen, ge moogt hun daden niet navolgen; maar ge moet ze meedogenloos uitroeien en hun wijstenen verbrijzelen.
24Nebudeš se klaněti bohům jejich, ani jim sloužiti, aniž dělati budeš tak, jako oni dělají; ale z gruntu vyvrátíš je, a obrazy jejich na kusy stroskoceš.
25Jahweh, uw God, moet ge dienen! Dan zal Ik uw brood en uw water zegenen, en de ziekte uit uw midden bannen;
25Sloužiti pak budete Hospodinu Bohu svému, a požehnáť chlebu tvému i vodám tvým; a odejmu nemoc z prostředku tvého.
26geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn, en het getal uwer dagen maak Ik vol.
26Nebudeť, která by potratila, ani neplodná v zemi tvé; počet dnů tvých doplním.
27Dan zal Ik mijn verschrikking voor u uitzenden, al de volken, waar gij komt, in verwarring brengen en uw vijanden voor u op de vlucht drijven.
27Strach svůj pustím před tebou, a předěsím všeliký lid, proti kterémuž vyjdeš, a způsobím to, aby všickni nepřátelé tvoji utíkali před tebou.
28Dan zal Ik horzels voor u uitzenden, die de Chiwwieten, Kanaänieten en Chittieten voor u zullen opjagen.
28Pošli i sršně před tebou, aby vyhnali Hevea, a Kananea a Hetea před tváří tvou.
29Maar Ik drijf ze niet in een enkel jaar voor u weg; anders zou het land een woestenij worden en zouden de wilde dieren de overhand krijgen;
29Nevyženu ho od tváři tvé v jednom roce, aby se země neobrátila v poušť, a nerozmnožily se proti tobě šelmy divoké.
30slechts langzaam aan drijf Ik hen voor u weg, totdat ge zo zijt aangegroeid, dat ge het land in bezit kunt nemen.
30Pomalu vyháněti jej budu od tváři tvé, až bys ty se rozplodil, a dědičně mohl ujíti zemi.
31Dan zal Ik uw grenzen trekken van de Rode Zee tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de Rivier, en alle bewoners van het land aan u overleveren. Ge moet ze verjagen,
31Položím pak meze tvé od moře Rudého až k moři Filistinskému, a od pouště až k řece; nebo v ruce vaše dám obyvatele země, a vyženeš je od tváři své.
32en moogt geen verbond met hen sluiten, noch met hun goden;
32Neučiníš s nimi a bohy jejich smlouvy.
33ze mogen zelfs niet in uw land blijven wonen. Want anders verleiden ze u tot zonde tegen Mij; zodat gij hun goden zoudt gaan dienen, en die zouden een valstrik voor u worden.
33Nebudou bydliti v zemi tvé, aby nepřipravili tě k hříchu proti mně, když bys ctil bohy jejich; nebo by to bylo tobě osídlem.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.