Exodus
Chapter 23
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Londona Biblio (Es…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Ge moogt geen vals gerucht rondstrooien. Ge moogt hem, die ongelijk heeft, geen hulp verlenen door valse getuigenis.
1Ne disvastigu malveran famon; ne kunigu vian manon kun malvirtulo, por esti atestanto de malbonago.
2Sluit u in kwade zaken niet bij de meerderheid aan, en richt bij uw antwoorden in een geding u niet naar de meerderheid, als ge daardoor het recht zoudt verkrachten.
2Ne sekvu la amason por malbonaĵoj; kaj en juĝo ne kliniĝu al la opinio de la plimulto, por dekliniĝi de la vero.
3Kies ook in een rechtsgeding niet de partij van den rijke.
3Ankaŭ malriĉulon ne favoru en lia juĝa afero.
4Wanneer ge een verdwaalden os of ezel van uw vijand aantreft, moet ge ze terstond naar hem terugbrengen.
4Se vi renkontos bovon de via malamiko aŭ lian azenon erarvagantan, rekonduku ĝin al li.
5Wanneer ge een ezel van uw vijand onder zijn last ziet bezwijken, zult ge den man uw hulp niet weigeren, maar hem helpen afladen.
5Se vi vidos, ke azeno de via malamiko falis sub sia ŝarĝo, ne forlasu ĝin, sed alportu helpon kune kun li.
6Bij een geding moogt ge het recht van den arme niet verkrachten.
6Ne forklinu la rajton de via malriĉulo en lia juĝa afero.
7Ge zult geen oneerlijke uitspraak doen, en geen doodvonnis vellen over een onschuldige, die in zijn recht is; want ook Ik geef geen gelijk aan hem, die niet in zijn recht is.
7De mensogaĵo malproksimiĝu, kaj senkulpulon kaj virtulon ne mortigu; ĉar Mi ne pravigos maljustulon.
8Ge moogt ook geen geschenken aannemen; want geschenken maken zienden blind en verdraaien het recht.
8Donacojn ne akceptu; ĉar donacoj blindigas vidantojn kaj malĝustigas la aferojn de virtuloj.
9Eveneens moogt ge den vreemdeling niet verdrukken; want ge weet, hoe een vreemdeling zich moet voelen, daar ge zelf vreemdeling zijt geweest in het land van Egypte.
9Fremdulon ne premu; vi konas ja la animon de fremdulo, ĉar fremduloj vi estis en la lando Egipta.
10Zes jaren moogt ge het land bezaaien en de vruchten ervan oogsten;
10Dum ses jaroj prisemu vian teron kaj rikoltu ĝiajn produktaĵojn;
11maar in het zevende jaar moet ge het braak laten liggen en niet bewerken. Dan zullen de armen onder uw volk er van eten, en de rest zal het wild tot voedsel dienen. Zo zult ge ook met uw wijngaard en uw olijventuin doen.
11sed en la sepa jaro ripozigu ĝin kaj ne tuŝu ĝin, por ke manĝu la malriĉuloj el via popolo, kaj la restaĵon manĝu la bestoj de la kampo. Tiel same agu kun via vinberejo kaj kun via olivarbejo.
12Zes dagen moogt ge werken, maar op de zevende dag zult ge rusten, opdat ook uw rund en uw ezel rust mogen hebben, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling tot rust kunnen komen.
12Dum ses tagoj faru viajn laborojn, kaj en la sepa tago festu, por ke ripozu via bovo kaj via azeno kaj por ke refreŝiĝu la filo de via sklavino kaj la fremdulo.
13Onderhoudt alles, wat Ik u heb gezegd. De naam van vreemde goden zult ge niet aanroepen; die mag in uw mond niet worden gehoord!
13Kaj ĉion, kion Mi diris al vi, observu; kaj la nomon de aliaj dioj ne citu, ĝi ne estu aŭdata el via buŝo.
14Drie maal per jaar zult ge ter ere van Mij feest vieren.
14Tri fojojn festu al Mi dum la jaro.
15Ge moet het feest der ongedesemde broden vieren. Dan moet ge zeven dagen lang op de vastgestelde tijd in de maand Abib ongedesemde broden eten, zoals Ik u heb bevolen; want in die maand zijt ge uit Egypte getrokken.
15La feston de la macoj observu; dum sep tagoj manĝu macojn, kiel Mi ordonis al vi, en la difinita tempo en la monato Abib (ĉar en tiu tempo vi eliris el Egiptujo); kaj oni ne aperu antaŭ Mi kun malplenaj manoj;
16Verder het oogstfeest, wanneer de eerstelingen van uw arbeid, van wat ge op het veld hebt gezaaid, worden geoogst, en het plukfeest op het eind van het jaar, wanneer ge van het veld de vruchten van uw arbeid binnenhaalt.
16ankaŭ la feston de la rikolto de la unuaj fruktoj de via laboro, de tio, kion vi semos sur la kampo; kaj la feston de kolekto en la fino de la jaro, kiam vi kolektos viajn laborfruktojn el la kampo.
17Deze drie keren in het jaar moeten alle personen van het mannelijk geslacht voor Jahweh, den Heer verschijnen en zij mogen niet met lege handen voor mijn aanschijn komen.
17Tri fojojn ĉiujare aperu ĉiuj viaj virseksuloj antaŭ la Sinjoro, la Eternulo.
18Ge moogt het bloed van het dier, dat Mij wordt geofferd, niet tegelijk met gedesemd brood opdragen. Het vet van mijn feestoffer mag niet de nacht door tot de volgende morgen worden bewaard.
18Ne verŝu sur fermentaĵon la sangon de Mia ofero; kaj la graso de Mia festofero ne restu ĝis mateno.
19Het puik der eerstelingen van uw akker zult ge naar het huis van Jahweh, uw God brengen. Gij moogt het geitje niet koken in de melk van zijn moeder.
19La komencaĵon de la unuaj fruktoj de via tero alportu en la domon de la Eternulo, via Dio. Ne kuiru kapridon en la lakto de ĝia patrino.
20Zie, Ik zend mijn engel voor u uit, om u onderweg te bewaken, en u naar de plaats te leiden, die Ik u heb bereid.
20Jen Mi sendas anĝelon antaŭ vi, por gardi vin sur la vojo, kaj por venigi vin al la loko, kiun Mi pretigis.
21Wees voor hem op uw hoede, luister naar hem, en wees niet weerspannig tegen hem. Hij zal uw zonden niet vergeven, want in hem woont mijn Naam.
21Gardu vin antaŭ lia vizaĝo kaj aŭskultu lian voĉon; ne incitu lin, ĉar li ne pardonos vian pekon; ĉar Mia nomo estas en li.
22Maar zo ge naar Mij luistert, en alles doet, wat Ik heb gezegd, zal Ik de vijand van uw vijanden zijn en de verdrukker van uw verdrukkers.
22Sed se vi aŭskultos lian voĉon, kaj faros ĉion, kion Mi diros, tiam Mi malamikos kontraŭ viaj malamikoj kaj premos viajn premantojn.
23Waarachtig, dan zal mijn engel voor u uitgaan, en u aanvoeren tegen de Amorieten, Chittieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chiwwieten, Jeboesieten, en Ik zal ze vernietigen.
23Kiam Mia anĝelo iros antaŭ vi, kaj Mi venigos vin al la Amoridoj, la Ĥetidoj, la Perizidoj, la Kanaanidoj, la Ĥividoj, kaj la Jebusidoj, kaj Mi ilin ekstermos:
24Hun goden moogt ge niet aanbidden of dienen, ge moogt hun daden niet navolgen; maar ge moet ze meedogenloos uitroeien en hun wijstenen verbrijzelen.
24ne adoru iliajn diojn kaj ne servu ilin, kaj ne agu kiel ili agas, sed frakasu ilin kaj detruu iliajn statuojn.
25Jahweh, uw God, moet ge dienen! Dan zal Ik uw brood en uw water zegenen, en de ziekte uit uw midden bannen;
25Kaj servu la Eternulon, vian Dion, kaj Li benos vian panon kaj vian akvon; kaj Mi forigos malsanon el via mezo.
26geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn, en het getal uwer dagen maak Ik vol.
26Ne estos seninfana nek sennaska en via lando; la nombron de viaj tagoj Mi faros plena.
27Dan zal Ik mijn verschrikking voor u uitzenden, al de volken, waar gij komt, in verwarring brengen en uw vijanden voor u op de vlucht drijven.
27Mian teruron Mi sendos antaŭ vi, kaj Mi konfuzos ĉiun popolon, al kiu vi venos, kaj ĉiujn viajn malamikojn Mi turnos al vi dorse.
28Dan zal Ik horzels voor u uitzenden, die de Chiwwieten, Kanaänieten en Chittieten voor u zullen opjagen.
28Kaj Mi sendos krabrojn antaŭ vi, kaj ili forpelos la Ĥividojn kaj la Kanaanidojn kaj la Ĥetidojn de antaŭ vi.
29Maar Ik drijf ze niet in een enkel jaar voor u weg; anders zou het land een woestenij worden en zouden de wilde dieren de overhand krijgen;
29Mi ne forpelos ilin de antaŭ vi en unu jaro, por ke la tero ne fariĝu senhoma kaj por ke ne multiĝu kontraŭ vi la bestoj de la kampo.
30slechts langzaam aan drijf Ik hen voor u weg, totdat ge zo zijt aangegroeid, dat ge het land in bezit kunt nemen.
30Iom post iom Mi forpelos ilin de antaŭ vi, ĝis vi multiĝos kaj posedos la landon.
31Dan zal Ik uw grenzen trekken van de Rode Zee tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de Rivier, en alle bewoners van het land aan u overleveren. Ge moet ze verjagen,
31Kaj Mi faros viajn limojn de la Ruĝa Maro ĝis la Maro Filiŝta, kaj de la dezerto ĝis la Rivero; ĉar Mi transdonos en viajn manojn la loĝantojn de la lando, kaj vi forpelos ilin de antaŭ vi.
32en moogt geen verbond met hen sluiten, noch met hun goden;
32Ne faru interligon kun ili nek kun iliaj dioj.
33ze mogen zelfs niet in uw land blijven wonen. Want anders verleiden ze u tot zonde tegen Mij; zodat gij hun goden zoudt gaan dienen, en die zouden een valstrik voor u worden.
33Ili ne loĝu en via lando, por ke ili ne pekigu vin kontraŭ Mi; se vi servos iliajn diojn, tio fariĝos kaptilo por vi.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.