Exodus
Chapter 29
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Deze handelingen moet ge aan hen voltrekken, om hen tot mijn priesters te wijden: Neem één jongen stier en twee rammen, die zonder gebreken zijn;
1Toto také učiníš jim ku posvěcení jich, aby úřad kněžský konali přede mnou: Vezmi volka jednoho ještě mladého a skopce dva bez vady.
2daarbij ongedesemde broden en ongedesemde koeken met olie gemengd en ongedesemde offervlaas met olie bestreken, van tarwebloem bereid.
2Chleby též přesné a koláče přesné s olejem smíšené, a oplatky přesné polité olejem; z běli pšeničné naděláš toho.
3Leg ze in een mand, en breng ze in die mand tegelijk met den jongen stier en de twee rammen.
3A vklada to do koše jednoho, obětovati to budeš v koši, spolu s tím volkem a dvěma skopci.
4Daarna moet ge Aäron en zijn zonen naar de ingang van de openbaringstent leiden en hen met water wassen.
4Potom Aronovi a synům jeho přistoupiti kážeš ke dveřím stánku úmluvy, a umyješ je vodou.
5Dan moet ge de gewaden nemen, en Aäron bekleden met de tuniek, de schoudermantel, het borstkleed en de borsttas, hem het borstkleed vastbinden met de band,
5A vezma roucha, oblečeš Arona v sukni, a v plášť náležící pod náramenník, a v náramenník, a v náprsník, a přepášeš ho pasem náramenníka.
6de tulband op zijn hoofd plaatsen en de heilige diadeem aan de tulband bevestigen.
6Vstavíš i čepici na hlavu jeho, a korunu svatosti vstavíš na čepici.
7Dan moet ge de zalfolie nemen, die over zijn hoofd uitstorten en hem zalven.
7Naposledy vezmeš olej pomazání, a vyleje na hlavu jeho, pomažeš ho.
8Vervolgens moet ge zijn zonen doen toetreden, hen met de tunieken bekleden,
8Potom synům jeho přistoupiti kážeš, a zobláčíš je v sukně.
9de gordel ombinden en de hoofddoeken omdoen. Wanneer ge zo Aäron en zijn zonen tot priesters hebt aangesteld, zullen zij de priesterlijke waardigheid bezitten als een eeuwig recht.
9A zopasuješ je pasy, Arona i syny jeho, a vstavíš jim čepičky na hlavu. I budouť míti kněžství řádem věčným; a posvětíš ruky Aronovy a ruky synů jeho.
10Dan moet ge den stier voor de openbaringstent brengen, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van den stier leggen;
10Přivedeš také volka před stánek úmluvy, i vloží Aron a synové jeho ruce své na hlavu volka.
11daarna moet men den stier voor het aanschijn van Jahweh aan de ingang van de openbaringstent slachten.
11A zabiješ volka před Hospodinem u dveří stánku úmluvy.
12Neem dan het bloed van den stier, strijk een gedeelte daarvan met uw vinger aan de hoornen van het altaar, en stort de rest tegen het voetstuk van het altaar.
12A nabera krve z volka, pomažeš na rozích oltáře prstem svým, a všecku krev vyleješ k spodku oltáře.
13Vervolgens moet ge al het vet nemen, dat de ingewanden omgeeft, en de kwab aan de lever, de beide nieren en het niervet, en dat op het altaar in rook doen opgaan;
13Vezmeš pak všecken tuk přikrývající droby a branici s jater, a dvě ledviny s tukem, kterýž jest na nich, a zapálíš to na oltáři.
14maar het vlees van den stier met zijn vel en darmen moet ge buiten de legerplaats in het vuur verbranden. Dit is het zondeoffer.
14Maso pak z toho volka, a kůži s lejny jeho spálíš ohněm vně za stany; nebo obět za hříchy jest.
15Dan moet ge een van de rammen nemen, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van den ram leggen;
15Skopce také jednoho vezmeš, a vloží Aron a synové jeho ruce své na hlavu toho skopce.
16ge moet den ram slachten, zijn bloed opvangen, en er aan alle kanten het altaar mee besprenkelen.
16A zabiješ toho skopce, a nabera krve jeho, pokropíš oltáře na vrchu vůkol.
17Snijd dien ram vervolgens in stukken, was de ingewanden en poten af, en leg ze bij de andere stukken en de kop.
17Skopce pak rozsekáš na kusy, a vymyje droby jeho i nohy, vkladeš je na ty kusy z něho a na hlavu jeho.
18Den helen ram moet ge op het altaar in rook doen opgaan. Het is een heerlijk geurend brandoffer voor Jahweh, een vuuroffer ter ere van Jahweh.
18A potom všeho skopce zapálíš na oltáři; nebo zápal ten jest Hospodinu vůně příjemná, obět ohnivá jest Hospodinu.
19Daarna moet ge den tweeden ram nemen, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op zijn kop leggen.
19Vezmeš také skopce druhého; i vloží Aron a synové jeho ruce své na hlavu téhož skopce.
20Dan moet ge hem slachten, met zijn bloed de rechteroorlel, rechterduim en rechter grote teen van Aäron en zijn zonen bestrijken, en met het overige bloed aan alle kanten het altaar besprenkelen.
20A zabiješ skopce toho, a vezma krev jeho, pomažeš jí konce ucha Aronova, a konce pravého ucha synů jeho, i palce na pravé ruce jejich, a palce na pravé noze jejich; a vykropíš tu krev na oltář vůkol.
21Neem dan wat van het bloed, dat tegen het altaar is gesprenkeld, tegelijk met wat zalfolie, en besprenkel daarmee Aäron en de gewaden van Aäron, zijn zonen en de gewaden van zijn zonen, zodat hij en zijn zonen, alsook de gewaden van beiden zullen gewijd zijn.
21A vezma krve, kteráž bude na oltáři, a oleje pomazání, pokropíš Arona a roucha jeho i synů jeho a roucha jejich s ním; a budeť posvěcen on i roucho jeho, i synové jeho, a roucho synů jeho s ním.
22Vervolgens moet ge het vet van den ram nemen, met het staartvet en het vet, dat de ingewanden omgeeft, de kwab aan de lever, de beide nieren met het niervet, dat er om heen zit, en daar het een wijdingsram is, ook de rechterschenkel;
22Potom vezmeš z skopce tuk a ocas, a tuk přikrývající droby, a branici s jater, a dvě ledviny s tukem, kterýž jest na nich, a plece pravé, (nebo skopec naplnění jest),
23bovendien, uit de mand met ongedesemde broden, die voor het aanschijn van Jahweh staat, één rond brood, één met olie bestreken broodkoek en één vla.
23A jeden pecník chleba, a jeden koláč chleba s olejem, a oplatek jeden z koše chlebů přesných, kterýž jest před Hospodinem.
24Dit alles moet ge in de handen van Aäron leggen en in die van zijn zonen, en als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden.
24A dáš to vše v ruce Aronovy a v ruce synů jeho, a obraceti to budeš sem i tam, aby byla obět obracení před Hospodinem.
25Dan moet ge het uit hun handen nemen, en het op het altaar in rook doen opgaan te zamen met het heerlijk geurend brandoffer voor het aanschijn van Jahweh; het is een vuuroffer ter ere van Jahweh.
25Potom vezma to z rukou jejich, zapálíš na oltáři v zápal, k vůni příjemné před Hospodinem. Toť jest obět ohnivá Hospodinu.
26Vervolgens moet ge het borststuk van Aärons wijdingsram nemen, en het als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden. Dit zal uw deel zijn.
26Vezmeš také hrudí z skopce posvěcení, kterýž bude Aronův, a obraceti je budeš sem i tam, aby byla obět obracení před Hospodinem; a budeť na tvůj díl.
27Zo zult ge door het wijdingsram van Aäron en zijn zonen de borststukken, die als strekoffers worden aangeboden, en de schenkels, die als hefoffers worden opgedragen, heiligen;
27Posvětíš tedy hrudí obracení, a plece pozdvižení, kteréž obracíno a kteréž pozdvihováno bylo z skopce posvěcení, z toho, kterýž bude Aronův, a z toho, kterýž bude synů jeho.
28volgens een altijdgeldende wet zullen zij het deel zijn, dat de kinderen Israëls aan Aäron en zijn zonen moeten afstaan. Want het is een hefoffer, en als zodanig moet het door Israëls zonen van hun vredeoffers worden afgestaan, als een gave aan Jahweh.
28A bude to Aronovi a synům jeho právem věčným od synů Izraelských, když obět pozdvižení bude. Nebo pozdvižení bude od synů Izraelských, z obětí jejich pokojných; pozdvižení jejich náleží Hospodinu.
29De heilige gewaden van Aäron zullen na hem op zijn zonen overgaan; daarin moeten zij gezalfd en tot priesters worden aangesteld.
29Roucha pak svatá, kteráž jsou Aronova, zůstanou synům jeho po něm, aby pomazováni byli v nich, a aby posvěcovány byly v nich ruce jejich.
30En zeven dagen moet zijn zoon, die hem als priester opvolgt en de openbaringstent binnentreedt, zich daarmee bekleden, om de dienst in het heiligdom uit te oefenen.
30Sedm dní bude v nich choditi kněz, kterýž bude na jeho místě z synů jeho, kterýž vcházeti bude do stánku úmluvy, aby sloužil v svatyni.
31Het vlees van den wijdingsram moet ge op een heilige plaats koken.
31Skopce pak posvěcení vezma, uvaříš maso jeho na místě svatém.
32En Aäron en zijn zonen zullen het vlees van den ram en het brood uit de mand eten bij de ingang van de openbaringstent.
32A budeť jísti Aron s syny svými maso toho skopce a chléb, kterýž jest v koši u dveří stánku úmluvy.
33Zij alleen mogen het eten, omdat zij daardoor de verzoening verkregen, toen men hen tot priester aanstelde en wijdde; een leek mag er niet van eten, want het is heilig.
33Jísti budou to ti, za něž očištění se stalo ku posvěcení rukou jejich, aby posvěceni byli. Cizí pak nebude jísti, nebo svatá věc jest.
34En zo er iets van het vlees van het wijdingsoffer of van het brood tot de volgende morgen zou overblijven, moet ge dat overschot verbranden; het mag niet worden gegeten, want het is heilig.
34Zůstalo-li by co masa posvěcení a chleba až do jitra, spálíš ostatky ohněm; nebude jedeno, nebo svatá věc jest.
35Voltrek dit alles aan Aäron en zijn zonen, juist zoals Ik het u heb bevolen. Zeven dagen moet ge de priesterwijding laten duren.
35Tak tedy uděláš s Aronem a syny jeho vedlé všeho, což jsem přikázal tobě; za sedm dní posvěcovati budeš rukou jejich.
36Iedere dag moet ge tot verzoening een stier opdragen als zondeoffer, en door uw verzoening de onreinheid van het altaar wegnemen; dan moet ge het zalven, om het te wijden.
36A volka za hřích obětovati budeš na každý den na očištění, a krví za hřích pokropíš oltáře, čině očištění na něm, a pomažeš ho ku posvěcení jeho.
37Zeven dagen lang zult ge voor het altaar de verzoeningsplechtigheid verrichten, om het te wijden. Zo zal het altaar hoogheilig zijn, en iedereen, die het aanraakt, zal als iets heiligs worden behandeld.
37Za sedm dní očišťování konati budeš na oltáři, a posvětíš ho, a ten oltář bude nejsvětější. Cokoli dotkne se oltáře, posvěceno bude.
38Regelmatig iedere dag moet ge twee eenjarig lammeren op het altaar offeren.
38A toto jest, což obětovati budeš na oltáři, beránky roční dva, na každý den ustavičně.
39Het ene lam moet ge des morgens offeren, het andere tegen de avond.
39Jednoho beránka obětovati budeš ráno, a beránka druhého obětovati budeš k večerou.
40Bij het eerste lam behoort een issaron meelbloem, gemengd met een kwart hin gestoten olie, en een plengoffer van een vierde hin wijn.
40A desátý díl efi běli smíšené s olejem vytlačeným, jehož by bylo s čtvrtý díl hin, a k oběti mokré čtvrtý díl hin vína na jednoho beránka.
41Het andere lam moet ge tegen de avond offeren. Gij moet er eenzelfde spijs(-) en plengoffer bij doen als des morgens. Het moet een heerlijk geurend vuuroffer zijn ter ere van Jahweh,
41Tolikéž beránka druhého obětovati budeš k večerou. Jako při oběti suché ranní, a jako při mokré oběti její, tak při této učiníš, aby byla vůně příjemná, obět ohnivá Hospodinu.
42een bestendig brandoffer van geslacht tot geslacht, opgedragen aan de ingang van de openbaringstent en voor het aanschijn van Jahweh, waar Ik Mij aan u zal openbaren, om tot u te spreken.
42Zápalná obět tato ustavičná ať jest po všecky věky vaše u dveří stánku úmluvy před Hospodinem, kdež přicházeti budu k vám, abych tam s tebou mluvil.
43Daar zal Ik Mij openbaren aan de zonen Israëls, en die plaats zal door mijn glorie worden geheiligd.
43A tam přicházeti budu k synům Izraelským, a posvěceno bude místo slávou mou.
44Ik zal de openbaringstent heiligen met het altaar, en Aäron heiligen met zijn zonen, om mijn priesters te zijn.
44Nebo posvětím stánku úmluvy i oltáře; Arona také a synů jeho posvětím, aby mi úřad kněžský konali.
45Ik zal wonen te midden van Israëls kinderen en hun God zijn.
45A bydliti budu u prostřed synů Izraelských, a budu jim za Boha.
46Dan zullen zij weten, dat Ik, Jahweh, hun God ben, die hen uit het land van Egypte heb geleid, om in hun midden te wonen: Ik Jahweh, hun God!
46A zvědíť, že já jsem Hospodin Bůh jejich, kterýž jsem je vyvedl z země Egyptské, abych přebýval u prostřed nich, já Hospodin Bůh jejich.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.