Exodus 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Daar sprak Jahweh tot Moses:
1L’Éternel parla à Moïse, et dit:
2Zeg de kinderen Israëls, dat ze Mij geschenken brengen; van iedereen, wien het hart het ingeeft, zult ge geschenken aanvaarden.
2Parle aux enfants d’Israël. Qu’ils m’apportent une offrande; vous la recevrez pour moi de tout homme qui la fera de bon cœur.
3Dit zijn de geschenken, die ge van hen moet aannemen: goud, zilver en brons,
3Voici ce que vous recevrez d’eux en offrande: de l’or, de l’argent et de l’airain;
4violet, purper, karmozijn, getwijnd lijnwaad en geitenhaar,
4des étoffes teintes en bleu, en pourpre, en cramoisi, du fin lin et du poil de chèvre;
5roodgeverfde ramsvellen, gelooide huiden en acaciahout;
5des peaux de béliers teintes en rouge et des peaux de dauphins; du bois d’acacia;
6olie voor de lampen, specerijen voor de zalfolie en voor de geurige wierook;
6de l’huile pour le chandelier, des aromates pour l’huile d’onction et pour le parfum odoriférant;
7onyxstenen en andere edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten.
7des pierres d’onyx et d’autres pierres pour la garniture de l’éphod et du pectoral.
8Want ge moet voor Mij een heiligdom maken, opdat Ik in hun midden kan wonen.
8Ils me feront un sanctuaire, et j’habiterai au milieu d’eux.
9En ge moet de tabernakel met toebehoren nauwkeurig naar de modellen vervaardigen, die Ik u nu ga tonen.
9Vous ferez le tabernacle et tous ses ustensiles d’après le modèle que je vais te montrer.
10Ge moet een ark vervaardigen van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
10Ils feront une arche de bois d’acacia, sa longueur sera de deux coudées et demie, sa largeur d’une coudée et demie, et sa hauteur d’une coudée et demie.
11Ge moet haar van binnen en van buiten met zuiver goud bekleden en er loofwerk van goud omheen maken.
11Tu la couvriras d’or pur, tu la couvriras en dedans et en dehors, et tu y feras une bordure d’or tout autour.
12Dan moet ge er vier gouden krammen voor gieten, en die boven aan de vier poten bevestigen, twee krammen aan iedere kant.
12Tu fondras pour elle quatre anneaux d’or, et tu les mettras à ses quatre coins, deux anneaux d’un côté et deux anneaux de l’autre côté.
13Maak vervolgens handbomen van acaciahout, besla ze met goud,
13Tu feras des barres de bois d’acacia, et tu les couvriras d’or.
14en steek ze in de krammen aan weerskanten van de ark, om daarmee de ark te dragen.
14Tu passeras les barres dans les anneaux sur les côtés de l’arche, pour qu’elles servent à porter l’arche;
15De handbomen moeten in de krammen aan de ark blijven, en mogen er niet worden uitgetrokken.
15les barres resteront dans les anneaux de l’arche, et n’en seront point retirées.
16In de ark moet ge de verbondswet leggen, die Ik u geven zal.
16Tu mettras dans l’arche le témoignage, que je te donnerai.
17Daarna moet ge ook een verzoendeksel maken van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
17Tu feras un propitiatoire d’or pur; sa longueur sera de deux coudées et demie, et sa largeur d’une coudée et demie.
18Aan de beide uiteinden van het verzoendeksel moet ge twee gouden cherubs als drijfwerk maken.
18Tu feras deux chérubins d’or, tu les feras d’or battu, aux deux extrémités du propitiatoire;
19Sla een cherub uit aan het ene einde en een cherub aan het andere einde; dus in het verzoendeksel zelf moet ge aan beide uiteinden de cherubs uitslaan.
19fais un chérubin à l’une des extrémités et un chérubin à l’autre extrémité; vous ferez les chérubins sortant du propitiatoire à ses deux extrémités.
20De cherubs moeten hun vleugels omhoog spreiden, en met hun vleugels het verzoendeksel overspannen; ze moeten tegenover elkander staan, terwijl hun gezichten naar het verzoendeksel gericht moeten zijn.
20Les chérubins étendront les ailes par-dessus, couvrant de leurs ailes le propitiatoire, et se faisant face l’un à l’autre; les chérubins auront la face tournée vers le propitiatoire.
21Leg dan het verzoendeksel boven op de ark, en de verbondswet, die Ik u geven zal, erin.
21Tu mettras le propitiatoire sur l’arche, et tu mettras dans l’arche le témoignage, que je te donnerai.
22Daar zal Ik Mij aan u openbaren, en boven het verzoendeksel tussen de twee cherubs, die op de ark des Verbonds staan, zal Ik alles mededelen, wat Ik u voor de Israëlieten heb te bevelen.
22C’est là que je me rencontrerai avec toi; du haut du propitiatoire, entre les deux chérubins placés sur l’arche du témoignage, je te donnerai tous mes ordres pour les enfants d’Israël.
23Gij moet ook een tafel van acaciahout vervaardigen, twee ellen lang, een el breed en anderhalve el hoog.
23Tu feras une table de bois d’acacia; sa longueur sera de deux coudées, sa largeur d’une coudée, et sa hauteur d’une coudée et demie.
24Overtrek die met zuiver goud, en maak er loofwerk van goud omheen.
24Tu la couvriras d’or pur, et tu y feras une bordure d’or tout autour.
25Gij moet daar een lijst van een hand breed omheen maken, en om die lijst loofwerk van goud.
25Tu y feras à l’entour un rebord de quatre doigts, sur lequel tu mettras une bordure d’or tout autour.
26Dan moet ge vier gouden krammen maken, en die aan de vier hoeken bij de poten bevestigen.
26Tu feras pour la table quatre anneaux d’or, et tu mettras les anneaux aux quatre coins, qui seront à ses quatre pieds.
27Breng die krammen voor de handbomen van de tafel vlak bij de lijst aan.
27Les anneaux seront près du rebord, et recevront les barres pour porter la table.
28De handbomen moet ge van acaciahout maken, en met goud beslaan; daarmee moet de tafel worden gedragen.
28Tu feras les barres de bois d’acacia, et tu les couvriras d’or; et elles serviront à porter la table.
29Bovendien moet ge nog de nodige schotels, kannen, bekers en schalen vervaardigen voor het uitgieten van de plengoffers; ge moet ze maken van zuiver goud.
29Tu feras ses plats, ses coupes, ses calices et ses tasses, pour servir aux libations; tu les feras d’or pur.
30Ook moet ge er voor zorgen, dat er op de tafel voortdurend toonbroden voor Mij liggen.
30Tu mettras sur la table les pains de proposition continuellement devant ma face.
31Vervolgens moet ge een kandelaar maken van zuiver goud. De kandelaar moet drijfwerk zijn: zijn voetstuk en schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems uit één stuk.
31Tu feras un chandelier d’or pur; ce chandelier sera fait d’or battu; son pied, sa tige, ses calices, ses pommes et ses fleurs seront d’une même pièce.
32Zes armen moeten terzijde uitsteken, drie armen aan de ene kant van de kandelaar en drie armen aan de andere kant.
32Six branches sortiront de ses côtés, trois branches du chandelier de l’un des côtés, et trois branches du chandelier de l’autre côté.
33Aan iedere arm moeten drie bloemkelken zitten in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems; dus aan de zes armen, die uit de kandelaar steken op dezelfde manier.
33Il y aura sur une branche trois calices en forme d’amande, avec pommes et fleurs, et sur une autre branche trois calices en forme d’amande, avec pommes et fleurs; il en sera de même pour les six branches sortant du chandelier.
34Maar aan de kandelaar zelf moeten vier bloemkelken zitten in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems;
34A la tige du chandelier, il y aura quatre calices en forme d’amande, avec leurs pommes et leurs fleurs.
35telkens moet één knop onder elk van de drie paar armen zitten, waar de zes armen uit de kandelaar schieten.
35Il y aura une pomme sous deux des branches sortant de la tige du chandelier, une pomme sous deux autres branches, et une pomme sous deux autres branches; il en sera de même pour les six branches sortant du chandelier.
36De knoppen en armen moeten met de kandelaar zelf uit één stuk zijn; het geheel één stuk drijfwerk van zuiver goud.
36Les pommes et les branches du chandelier seront d’une même pièce: il sera tout entier d’or battu, d’or pur.
37Bovendien moet ge de zeven lampen maken, die er bij horen, en deze er zo boven op plaatsen, dat het licht naar de voorzijde valt.
37Tu feras ses sept lampes, qui seront placées dessus, de manière à éclairer en face.
38Ook de snuiters en bakjes moeten van zuiver goud zijn.
38Ses mouchettes et ses vases à cendre seront d’or pur.
39Een talent zuiver goud moet men gebruiken voor de kandelaar en voor alles wat er bij hoort.
39On emploiera un talent d’or pur pour faire le chandelier avec tous ses ustensiles.
40Zorg er voor, dat ge het vervaardigt naar de modellen, die u op de berg zijn getoond.
40Regarde, et fais d’après le modèle qui t’est montré sur la montagne.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.