Exodus 35
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Nu riep Moses de hele gemeenschap der Israëlieten bijeen, en sprak: Dit zijn de geboden, die Jahweh u beveelt te onderhouden.
1Moïse convoqua toute l’assemblée des enfants d’Israël, et leur dit: Voici les choses que l’Éternel ordonne de faire.
2Zes dagen kunt ge arbeid verrichten, maar op de zevende dag moet gij een heilige sabbat van volkomen rust ter ere van Jahweh houden. Iedereen, die op die dag arbeid verricht, moet sterven;
2On travaillera six jours; mais le septième jour sera pour vous une chose sainte; c’est le sabbat, le jour du repos, consacré à l’Éternel. Celui qui fera quelque ouvrage ce jour-là, sera puni de mort.
3zelfs geen vuur moogt ge op de sabbat in uw woningen aansteken.
3Vous n’allumerez point de feu, dans aucune de vos demeures, le jour du sabbat.
4En Moses vervolgde tot heel de gemeenschap der Israëlieten: Dit heeft Jahweh bevolen!
4Moïse parla à toute l’assemblée des enfants d’Israël, et dit: Voici ce que l’Éternel a ordonné.
5Gij moet van uw bezit een bijdrage voor Jahweh afstaan. Iedereen, wien het hart het ingeeft, moet Jahweh geschenken brengen: goud, zilver en brons,
5Prenez sur ce qui vous appartient une offrande pour l’Éternel. Tout homme dont le cœur est bien disposé apportera en offrande à l’Éternel: de l’or, de l’argent et de l’airain;
6violet, purper en karmozijn, getwijnd lijnwaad en geitenhaar;
6des étoffes teintes en bleu, en pourpre, en cramoisi, du fin lin et du poil de chèvre;
7roodgeverfde ramsvellen, gelooide huiden en acaciahout;
7des peaux de béliers teintes en rouge et des peaux de dauphins; du bois d’acacia;
8olie voor de lampen en specerijen voor de zalfolie en voor de geurige wierook;
8de l’huile pour le chandelier, des aromates pour l’huile d’onction et pour le parfum odoriférant;
9onyxstenen en andere edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten.
9des pierres d’onyx et d’autres pierres pour la garniture de l’éphod et du pectoral.
10Alle kunstenaars, die er onder u zijn, moeten opkomen, en alles vervaardigen, wat Jahweh bevolen heeft:
10Que tous ceux d’entre vous qui ont de l’habileté viennent et exécutent tout ce que l’Éternel a ordonné:
11de tabernakel met zijn tent en bedekking, zijn haken, schotten en bindlatten, zijn palen met hun voetstukken;
11le tabernacle, sa tente et sa couverture, ses agrafes, ses planches, ses barres, ses colonnes et ses bases;
12de ark met haar handbomen, het verzoendeksel en het voorhangsel;
12l’arche et ses barres, le propitiatoire, et le voile pour couvrir l’arche;
13de tafel en haar handbomen en al wat er bij hoort, en de toonbroden;
13la table et ses barres, et tous ses ustensiles, et les pains de proposition;
14de kandelaar met haar benodigdheden, de lampen en de olie voor de kandelaar;
14le chandelier et ses ustensiles, ses lampes, et l’huile pour le chandelier;
15het reukofferaltaar met zijn handbomen; de zalfolie en de geurige wierook; het tapijt voor de ingang van de tabernakel;
15l’autel des parfums et ses barres, l’huile d’onction et le parfum odoriférant, et le rideau de la porte pour l’entrée du tabernacle;
16het brandofferaltaar met zijn bronzen rasterwerk, zijn handbomen en al zijn benodigdheden; het bekken met zijn onderstel;
16l’autel des holocaustes, sa grille d’airain, ses barres, et tous ses ustensiles; la cuve avec sa base;
17de gordijnen rond de voorhof met hun palen en voetstukken, en het tapijt voor de ingang van de voorhof;
17les toiles du parvis, ses colonnes, ses bases, et le rideau de la porte du parvis;
18de pinnen voor de tabernakel en de pinnen voor de voorhof met haar touwen;
18les pieux du tabernacle, les pieux du parvis, et leurs cordages; les vêtements d’office pour le service dans le sanctuaire,
19de ambtsgewaden, om in het heiligdom de priesterdienst te verrichten, de heilige gewaden voor den priester Aäron en de priestergewaden voor zijn zonen.
19les vêtements sacrés pour le sacrificateur Aaron, et les vêtements de ses fils pour les fonctions du sacerdoce.
20Toen ging heel de gemeenschap der Israëlieten van Moses heen;
20Toute l’assemblée des enfants d’Israël sortit de la présence de Moïse.
21en iedereen, wien het hart het ingaf en die zich daartoe voelde aangetrokken, kwam Jahweh geschenken brengen voor de bouw van de openbaringstent, voor de eredienst en de heilige gewaden.
21Tous ceux qui furent entraînés par le cœur et animés de bonne volonté vinrent et apportèrent une offrande à l’Éternel pour l’œuvre de la tente d’assignation, pour tout son service, et pour les vêtements sacrés.
22Zowel mannen als vrouwen brachten geschenken, iedereen, wien het hart het ingaf. Iedereen, die Jahweh een wijgeschenk van goud wilde aanbieden, bracht gespen, oorringen, vingerringen, halsketens en allerlei andere gouden sieraden.
22Les hommes vinrent aussi bien que les femmes; tous ceux dont le cœur était bien disposé apportèrent des boucles, des anneaux, des bagues, des bracelets, toutes sortes d’objets d’or; chacun présenta l’offrande d’or qu’il avait consacrée à l’Éternel.
23Iedereen, die violet, purper en karmozijn, lijnwaad en geitenhaar, roodgeverfde ramsvellen of gelooide huiden bezat, kwam het brengen.
23Tous ceux qui avaient des étoffes teintes en bleu, en pourpre, en cramoisi, du fin lin et du poil de chèvre, des peaux de béliers teintes en rouge et des peaux de dauphins, les apportèrent.
24Iedereen, die een geschenk van zilver of koper wilde aanbieden, bracht het als een gave voor Jahweh; en iedereen, die acaciahout bezat, dat overal bij het werk nodig kon zijn, bracht dat.
24Tous ceux qui présentèrent par élévation une offrande d’argent et d’airain apportèrent l’offrande à l’Éternel. Tous ceux qui avaient du bois d’acacia pour les ouvrages destinés au service, l’apportèrent.
25Alle kunstzinnige vrouwen begonnen eigenhandig te spinnen, en brachten wat ze gesponnen hadden: violet, purper, karmozijn en lijnwaad;
25Toutes les femmes qui avaient de l’habileté filèrent de leurs mains, et elles apportèrent leur ouvrage, des fils teints en bleu, en pourpre, en cramoisi, et du fin lin.
26en alle vrouwen, die door haar vaardigheid er lust in vonden, sponnen het geitenhaar.
26Toutes les femmes dont le cœur était bien disposé, et qui avaient de l’habileté, filèrent du poil de chèvre.
27De leiders brachten onyxstenen en edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten;
27Les principaux du peuple apportèrent des pierres d’onyx et d’autres pierres pour la garniture de l’éphod et du pectoral;
28bovendien de specerijen, de olie voor de kandelaar, de zalfolie en de geurige wierook.
28des aromates et de l’huile pour le chandelier, pour l’huile d’onction et pour le parfum odoriférant.
29Zo brachten de kinderen Israëls Jahweh hun vrijwillige gaven; alle mannen en vrouwen, wie het hart het ingaf, om bij te dragen voor heel het werk, dat Jahweh door Moses bevolen had te verrichten.
29Tous les enfants d’Israël, hommes et femmes, dont le cœur était disposé à contribuer pour l’œuvre que l’Éternel avait ordonnée par Moïse, apportèrent des offrandes volontaires à l’Éternel.
30Daarop sprak Moses tot de Israëlieten: Ziet, Jahweh heeft Besalel, den zoon van Oeri, zoon van Choer, uit de stam van Juda uitverkoren,
30Moïse dit aux enfants d’Israël: Sachez que l’Éternel a choisi Betsaleel, fils d’Uri, fils de Hur, de la tribu de Juda.
31en hem met Gods geest vervuld: met wijsheid en inzicht, met kennis en vaardigheid,
31Il l’a rempli de l’Esprit de Dieu, de sagesse, d’intelligence, et de savoir pour toutes sortes d’ouvrages.
32om ontwerpen te maken en in goud, zilver of brons uit te voeren,
32Il l’a rendu capable de faire des inventions, de travailler l’or, l’argent et l’airain,
33om edelstenen te graveren en te zetten, hout te bewerken, en allerlei kunstzinnige arbeid te verrichten.
33de graver les pierres à enchâsser, de travailler le bois, et d’exécuter toutes sortes d’ouvrages d’art.
34Hem en Oholiab, den zoon van Achisamak, uit de stam van Dan, heeft Hij geschikt gemaakt, om leiding te geven,
34Il lui a accordé aussi le don d’enseigner, de même qu’à Oholiab, fils d’Ahisamac, de la tribu de Dan.
35en vakkennis verleend, om alle soort arbeid te laten verrichten, zowel het werk van ambachtslieden als van kunstenaars, het werk van wevers van violet, purper, karmozijn en lijnwaad, als dat van eenvoudige wevers. Zij zullen dus zowel de uitvoerders zijn van het hele werk, als de ontwerpers ervan.
35Il les a remplis d’intelligence, pour exécuter tous les ouvrages de sculpture et d’art, pour broder et tisser les étoffes teintes en bleu, en pourpre, en cramoisi, et le fin lin, pour faire toute espèce de travaux et d’inventions.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.