Exodus
Chapter 37
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Vervolgens maakte Besalel de ark van acaciahout. twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
1Betsaleel fit l’arche de bois d’acacia; sa longueur était de deux coudées et demie, sa largeur d’une coudée et demie, et sa hauteur d’une coudée et demie.
2Hij bekleedde haar van binnen en van buiten met zuiver goud, en maakte er loofwerk van goud omheen.
2Il la couvrit d’or pur en dedans et en dehors, et il y fit une bordure d’or tout autour.
3Hij goot er vier gouden krammen voor, boven aan de vier poten, twee krammen dus aan iedere kant.
3Il fondit pour elle quatre anneaux d’or, qu’il mit à ses quatre coins, deux anneaux d’un côté et deux anneaux de l’autre côté.
4Hij maakte handbomen van acaciahout, die hij met goud besloeg.
4Il fit des barres de bois d’acacia, et les couvrit d’or.
5Die handbomen stak hij door de krammen aan weerskanten van de ark, om daarmee de ark te dragen.
5Il passa les barres dans les anneaux sur les côtés de l’arche, pour porter l’arche.
6Daarna maakte hij een verzoendeksel van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
6Il fit un propitiatoire d’or pur; sa longueur était de deux coudées et demie, et sa largeur d’une coudée et demie.
7Aan de beide uiteinden van het verzoendeksel maakte hij twee gouden cherubs, als drijfwerk.
7Il fit deux chérubins d’or; il les fit d’or battu, aux deux extrémités du propitiatoire,
8Een cherub sloeg hij uit aan het ene einde, en een cherub aan het andere einde; zo sloeg hij in het verzoendeksel zelf aan beide uiteinden de cherubs uit.
8un chérubin à l’une des extrémités, et un chérubin à l’autre extrémité; il fit les chérubins sortant du propitiatoire à ses deux extrémités.
9De cherubs spreidden hun vleugels omhoog, en overspanden met hun vleugels het verzoendeksel; ze stonden tegenover elkander terwijl hun gezichten naar het verzoendeksel waren gericht.
9Les chérubins étendaient les ailes par-dessus, couvrant de leurs ailes le propitiatoire, et se regardant l’un l’autre; les chérubins avaient la face tournée vers le propitiatoire.
10Vervolgens vervaardigde hij de tafel van acaciahout, twee ellen lang, een el breed en anderhalve el hoog.
10Il fit la table de bois d’acacia, sa longueur était de deux coudées, sa largeur d’une coudée, et sa hauteur d’une coudée et demie.
11Hij overtrok haar met zuiver goud, en maakte er loofwerk van goud omheen.
11Il la couvrit d’or pur, et il y fit une bordure d’or tout autour.
12Hij maakte daar een lijst omheen van een hand breed, en om die lijst loofwerk van goud.
12Il y fit à l’entour un rebord de quatre doigts, sur lequel il mit une bordure d’or tout autour.
13Ook goot hij vier gouden krammen en bevestigde die aan de vier hoeken bij de vier poten.
13Il fondit pour la table quatre anneaux d’or, et mit les anneaux aux quatre coins, qui étaient à ses quatre pieds.
14Die krammen zaten vlak bij de lijst, om er de handbomen door te steken, waaraan de tafel gedragen werd.
14Les anneaux étaient près du rebord, et recevaient les barres pour porter la table.
15De handbomen van de tafel maakte hij van acaciahout, en besloeg ze met goud.
15Il fit les barres de bois d’acacia, et les couvrit d’or; et elles servaient à porter la table.
16Bovendien maakte hij het vaatwerk dat bij de tafel behoort, de schotels, kannen, schalen en bekers, waarmee men de plengoffers brengt, van zuiver goud.
16Il fit les ustensiles qu’on devait mettre sur la table, ses plats, ses coupes, ses calices et ses tasses pour servir aux libations; il les fit d’or pur.
17Daarna maakte hij de kandelaar van zuiver goud. Hij vervaardigde de kandelaar als drijfwerk: zijn voetstuk, schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems uit één stuk.
17Il fit le chandelier d’or pur; il fit le chandelier d’or battu; son pied, sa tige, ses calices, ses pommes et ses fleurs, étaient d’une même pièce.
18Zes armen staken terzijde uit, drie armen aan de ene kant van de kandelaar en drie armen aan de andere kant.
18Six branches sortaient de ses côtés, trois branches du chandelier de l’un des côtés, et trois branches du chandelier de l’autre côté.
19Aan iedere arm zaten drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems; dus aan de zes armen, die uit de kandelaar staken, op dezelfde manier.
19Il y avait sur une branche trois calices en forme d’amande, avec pommes et fleurs, et sur une autre branche trois calices en forme d’amande, avec pommes et fleurs; il en était de même pour les six branches sortant du chandelier.
20Aan de kandelaar zelf zaten vier bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems;
20A la tige du chandelier il y avait quatre calices en forme d’amande, avec leurs pommes et leurs fleurs.
21onder de drie paar armen zat telkens een knop, waar de zes armen uit de kandelaar schoten.
21Il y avait une pomme sous deux des branches sortant du chandelier, une pomme sous deux autres branches, et une pomme sous deux autres branches; il en était de même pour les six branches sortant du chandelier.
22De knoppen en armen waren met de kandelaar uit één stuk: het geheel één stuk drijfwerk van zuiver goud.
22Les pommes et les branches du chandelier étaient d’une même pièce; il était tout entier d’or battu, d’or pur.
23Bovendien maakte hij de zeven lampen, die er bij horen, met de snuiters en bakjes, van zuiver goud.
23Il fit ses sept lampes, ses mouchettes et ses vases à cendre d’or pur.
24Hij gebruikte voor het vervaardigen van de kandelaar en alles wat er bij hoort, een talent zuiver goud.
24Il employa un talent d’or pur, pour faire le chandelier avec tous ses ustensiles.
25Vervolgens maakte hij het reukofferaltaar van acaciahout, een el lang en een el breed, dus vierkant, en twee ellen hoog. De hoornen maakten er één geheel mee uit.
25Il fit l’autel des parfums de bois d’acacia; sa longueur était d’une coudée et sa largeur d’une coudée; il était carré, et sa hauteur était de deux coudées. Des cornes sortaient de l’autel.
26Hij overtrok het met zuiver goud, zowel het bovenvlak als alle zijkanten en de hoornen, en maakte er loofwerk van goud omheen.
26Il le couvrit d’or pur, le dessus, les côtés tout autour et les cornes, et il y fit une bordure d’or tout autour.
27Onder dat loofwerk bracht hij aan weerskanten twee gouden krammen aan, die moesten dienen voor de handbomen, waarmee het gedragen werd.
27Il fit au-dessous de la bordure deux anneaux d’or aux deux côtés; il en mit aux deux côtés, pour recevoir les barres qui servaient à le porter.
28De handbomen maakte hij van acaciahout en besloeg ze met goud.
28Il fit des barres de bois d’acacia, et les couvrit d’or.
29Nog bereidde hij de heilige zalfolie en de wierook van zuivere specerijen, volgens de regels der kunst gemengd.
29Il fit l’huile pour l’onction sainte, et le parfum odoriférant, pur, composé selon l’art du parfumeur.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.