Exodus 37
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Vervolgens maakte Besalel de ark van acaciahout. twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
1Fecit autem Beseleel et arcam de lignis setim, habentem duos semis cubitos in longitudine, et cubitum ac semissem in latitudine, altitudo quoque unius cubiti fuit et dimidii: vestivitque eam auro purissimo intus ac foris.
2Hij bekleedde haar van binnen en van buiten met zuiver goud, en maakte er loofwerk van goud omheen.
2Et fecit illi coronam auream per gyrum,
3Hij goot er vier gouden krammen voor, boven aan de vier poten, twee krammen dus aan iedere kant.
3conflans quatuor annulos aureos per quatuor angulos ejus: duos annulos in latere uno, et duos in altero.
4Hij maakte handbomen van acaciahout, die hij met goud besloeg.
4Vectes quoque fecit de lignis setim, quos vestivit auro,
5Die handbomen stak hij door de krammen aan weerskanten van de ark, om daarmee de ark te dragen.
5et quos misit in annulos, qui erant in lateribus arcæ ad portandum eam.
6Daarna maakte hij een verzoendeksel van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
6Fecit et propitiatorium, id est, oraculum, de auro mundissimo, duorum cubitorum et dimidii in longitudine, et cubiti ac semis in latitudine.
7Aan de beide uiteinden van het verzoendeksel maakte hij twee gouden cherubs, als drijfwerk.
7Duos etiam cherubim ex auro ductili, quos posuit ex utraque parte propitiatorii:
8Een cherub sloeg hij uit aan het ene einde, en een cherub aan het andere einde; zo sloeg hij in het verzoendeksel zelf aan beide uiteinden de cherubs uit.
8cherub unum in summitate unius partis, et cherub alterum in summitate partis alterius: duos cherubim in singulis summitatibus propitiatorii,
9De cherubs spreidden hun vleugels omhoog, en overspanden met hun vleugels het verzoendeksel; ze stonden tegenover elkander terwijl hun gezichten naar het verzoendeksel waren gericht.
9extendentes alas, et tegentes propitiatorium, seque mutuo et illud respicientes.
10Vervolgens vervaardigde hij de tafel van acaciahout, twee ellen lang, een el breed en anderhalve el hoog.
10Fecit et mensam de lignis setim in longitudine duorum cubitorum, et in latitudine unius cubiti, quæ habebat in altitudine cubitum ac semissem.
11Hij overtrok haar met zuiver goud, en maakte er loofwerk van goud omheen.
11Circumdeditque eam auro mundissimo, et fecit illi labium aureum per gyrum,
12Hij maakte daar een lijst omheen van een hand breed, en om die lijst loofwerk van goud.
12ipsique labio coronam auream interrasilem quatuor digitorum, et super eamdem, alteram coronam auream.
13Ook goot hij vier gouden krammen en bevestigde die aan de vier hoeken bij de vier poten.
13Fudit et quatuor circulos aureos, quos posuit in quatuor angulis per singulos pedes mensæ
14Die krammen zaten vlak bij de lijst, om er de handbomen door te steken, waaraan de tafel gedragen werd.
14contra coronam: misitque in eos vectes, ut possit mensa portari.
15De handbomen van de tafel maakte hij van acaciahout, en besloeg ze met goud.
15Ipsos quoque vectes fecit de lignis setim, et circumdedit eos auro.
16Bovendien maakte hij het vaatwerk dat bij de tafel behoort, de schotels, kannen, schalen en bekers, waarmee men de plengoffers brengt, van zuiver goud.
16Et vasa ad diversos usus mensæ, acetabula, phialas, et cyathos, et thuribula, ex auro puro, in quibus offerenda sunt libamina.
17Daarna maakte hij de kandelaar van zuiver goud. Hij vervaardigde de kandelaar als drijfwerk: zijn voetstuk, schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems uit één stuk.
17Fecit et candelabrum ductile de auro mundissimo, de cujus vecte calami, scyphi, sphærulæque, ac lilia procedebant:
18Zes armen staken terzijde uit, drie armen aan de ene kant van de kandelaar en drie armen aan de andere kant.
18sex in utroque latere, tres calami ex parte una, et tres ex altera:
19Aan iedere arm zaten drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems; dus aan de zes armen, die uit de kandelaar staken, op dezelfde manier.
19tres scyphi in nucis modum per calamos singulos, sphærulæque simul et lilia: et tres scyphi instar nucis in calamo altero, sphærulæque simul et lilia. Æquum erat opus sex calamorum, qui procedebant de stipite candelabri.
20Aan de kandelaar zelf zaten vier bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems;
20In ipso autem vecte erant quatuor scyphi in nucis modum, sphærulæque per singulos simul et lilia:
21onder de drie paar armen zat telkens een knop, waar de zes armen uit de kandelaar schoten.
21et sphærulæ sub duobus calamis per loca tria, qui simul sex fiunt calami procedentes de vecte uno.
22De knoppen en armen waren met de kandelaar uit één stuk: het geheel één stuk drijfwerk van zuiver goud.
22Et sphærulæ igitur, et calami ex ipso erant, universa ductilia ex auro purissimo.
23Bovendien maakte hij de zeven lampen, die er bij horen, met de snuiters en bakjes, van zuiver goud.
23Fecit et lucernas septem cum emunctoriis suis, et vasa ubi ea, quæ emuncta sunt, extinguantur, de auro mundissimo.
24Hij gebruikte voor het vervaardigen van de kandelaar en alles wat er bij hoort, een talent zuiver goud.
24Talentum auri appendebat candelabrum cum omnibus vasis suis.
25Vervolgens maakte hij het reukofferaltaar van acaciahout, een el lang en een el breed, dus vierkant, en twee ellen hoog. De hoornen maakten er één geheel mee uit.
25Fecit et altare thymiamatis de lignis setim, per quadrum singulos habens cubitos, et in altitudine duos: e cujus angulis procedebant cornua.
26Hij overtrok het met zuiver goud, zowel het bovenvlak als alle zijkanten en de hoornen, en maakte er loofwerk van goud omheen.
26Vestivitque illud auro purissimo cum craticula ac parietibus et cornibus.
27Onder dat loofwerk bracht hij aan weerskanten twee gouden krammen aan, die moesten dienen voor de handbomen, waarmee het gedragen werd.
27Fecitque ei coronam aureolam per gyrum, et duos annulos aureos sub corona per singula latera, ut mittantur in eos vectes, et possit altare portari.
28De handbomen maakte hij van acaciahout en besloeg ze met goud.
28Ipsos autem vectes fecit de lignis setim, et operuit laminis aureis.
29Nog bereidde hij de heilige zalfolie en de wierook van zuivere specerijen, volgens de regels der kunst gemengd.
29Composuit et oleum ad sanctificationis unguentum, et thymiama de aromatibus mundissimis opere pigmentarii.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.