Exodus 39
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom vervaardigde men van violet, purper en karmozijn; men vervaardigde de heilige gewaden van Aäron juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
1De hyacintho vero et purpura, vermiculo ac bysso, fecit vestes, quibus indueretur Aaron quando ministrabat in sanctis, sicut præcepit Dominus Moysi.
2Hij maakte het borstkleed van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad.
2Fecit igitur superhumerale de auro, hyacintho, et purpura, coccoque bis tincto, et bysso retorta,
3Zij pletten het goud tot bladen en sneden het tot draden, om die kunstig tussen het violet, purper, karmozijn en het lijnwaad te weven.
3opere polymitario: inciditque bracteas aureas, et extenuavit in fila, ut possent torqueri cum priorum colorum subtegmine,
4De schouderbanden, die onderling verbonden waren, hechtte hij aan de twee uiteinden daarvan vast.
4duasque oras sibi invicem copulatas in utroque latere summitatum,
5De band, die het borstkleed omsloot, was uit één stuk, en van hetzelfde maaksel: van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
5et balteum ex eisdem coloribus, sicut præceperat Dominus Moysi.
6De beide onyxstenen, waarin de namen van Israëls zonen waren gegrift, zoals men in zegelstenen snijdt, vatte men in gouden zettingen.
6Paravit et duos lapides onychinos, astrictos et inclusos auro, et sculptos arte gemmaria nominibus filiorum Israël:
7Hij hechtte ze op de schouderbanden van het borstkleed als gedachtenisstenen voor Israëls zonen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
7posuitque eos in lateribus superhumeralis in monimentum filiorum Israël, sicut præceperat Dominus Moysi.
8Hij maakte de borsttas kunstig bewerkt van dezelfde stof als het borstkleed: van goud, violet, purper, karmozijn, en getwijnd lijnwaad.
8Fecit et rationale opere polymito juxta opus superhumeralis, ex auro, hyacintho, purpura, coccoque bis tincto, et bysso retorta:
9De borsttas was vierkant, en men vouwde haar dubbel; en dubbelgevouwen was zij een span lang en een span breed.
9quadrangulum, duplex, mensuræ palmi.
10Men bezette haar met vier rijen edelstenen; op de eerste rij: een robijn, een topaas en een smaragd;
10Et posuit in eo gemmarum ordines quatuor. In primo versu erat sardius, topazius, smaragdus.
11op de tweede rij: een karbonkel, een saffier en een sardonix;
11In secundo, carbunculus, sapphirus, et jaspis.
12op de derde rij: een hyacint, een agaat en een ametist;
12In tertio, ligurius, achates, et amethystus.
13en op de vierde rij: een chrysoliet, een onyx en een jaspis. Bij het zetten werden ze in gouden zettingen gevat.
13In quarto, chrysolithus, onychinus, et beryllus, circumdati et inclusi auro per ordines suos.
14Deze stenen beantwoordden aan de namen van Israëls zonen; ze waren evenals hun namen twaalf in getal, en in iedere steen was de naam van één der twaalf stammen gegrift, zoals men een zegel snijdt.
14Ipsique lapides duodecim sculpti erant nominibus duodecim tribuum Israël, singuli per nomina singulorum.
15Aan de borsttas maakte men kettinkjes van zuiver goud als koorden gevlochten.
15Fecerunt in rationali et catenulas sibi invicem cohærentes, de auro purissimo:
16Men vervaardigde ook twee gouden ringen, die men aan de beide boveneinden van de borsttas vasthechtte.
16et duos uncinos, totidemque annulos aureos. Porro annulos posuerunt in utroque latere rationalis,
17Dan bevestigde men de twee gouden snoeren aan de beide ringen, die aan de boveneinden van de borsttas zaten.
17e quibus penderent duæ catenæ aureæ, quas inseruerunt uncinis, qui in superhumeralis angulis eminebant.
18De beide einden van de twee snoeren maakte men aan de beide zettingen vast, en hechtte ze aan de voorkant der schouderbanden van het borstkleed.
18Hæc et ante et retro ita conveniebant sibi, ut superhumerale et rationale mutuo necterentur,
19Vervolgens maakte men nog twee gouden ringen, en bevestigde die aan de beide benedeneinden van de borsttas en wel aan de binnenrand, die tegen het borstkleed lag;
19stricta ad balteum et annulis fortius copulata, quos jungebat vitta hyacinthina, ne laxa fluerent, et a se invicem moverentur, sicut præcepit Dominus Moysi.
20bovendien nog twee gouden ringen, die men onder aan de voorkant van het borstkleed hechtte, boven de band van het borstkleed en vlak bij de sluiting.
20Feceruntque quoque tunicam superhumeralis totam hyacinthinam,
21Dan bond men de ringen van de borsttas met een purperen snoer aan de ringen van het borstkleed vast, zodat de borsttas boven de band van het borstkleed bleef hangen, en niet op het borstkleed kon verschuiven: zoals Jahweh het Moses bevolen had.
21et capitium in superiori parte contra medium, oramque per gyrum capitii textilem:
22Hij maakte over het borstkleed een kunstig geweven schoudermantel, geheel van violet.
22deorsum autem ad pedes mala punica ex hyacintho, purpura, vermiculo, ac bysso retorta:
23De opening van de mantel was in het midden als de hals van een wapenrok, en was rondom gezoomd, zodat ze niet kon inscheuren.
23et tintinnabula de auro purissimo, quæ posuerunt inter malogranata, in extrema parte tunicæ per gyrum:
24Aan de onderrand van de schoudermantel bracht men violette, purperen en karmozijnen granaatappeltjes aan.
24tintinnabulum autem aureum, et malum punicum, quibus ornatus incedebat pontifex quando ministerio fungebatur, sicut præceperat Dominus Moysi.
25Men maakte belletjes van zuiver goud, en zette die tussen de granaatappeltjes, rond de onderrand van de schoudermantel;
25Fecerunt et tunicas byssinas opere textili Aaron et filiis ejus:
26dus om beurt telkens een belletje en een granaatappeltje rond de onderrand van de schoudermantel, die voor de eredienst was bestemd, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
26et mitras cum coronulis suis ex bysso:
27Vervolgens maakte men voor Aäron en zijn zonen de tunieken van lijnwaad, kunstig bewerkt,
27feminalia quoque linea, byssina:
28de tulband en de hoofddoeken van lijnwaad, de linnen heupkleren van getwijnd lijnwaad,
28cingulum vero de bysso retorta, hyacintho, purpura, ac vermiculo bis tincto, arte plumaria, sicut præceperat Dominus Moysi.
29en de kunstig bewerkte gordel van getwijnd lijnwaad, van violet, purper en karmozijn, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
29Fecerunt et laminam sacræ venerationis de auro purissimo, scripseruntque in ea opere gemmario, Sanctum Domini:
30Tenslotte vervaardigde men de plaat, de heilige diadeem, van zuiver goud, en men grifte daarin, als in een zegel: Aan Jahweh gewijd.
30et strinxerunt eam cum mitra vitta hyacinthina, sicut præceperat Dominus Moysi.
31Met een purperen snoer maakte men ze aan de tulband vast, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
31Perfectum est igitur omne opus tabernaculi et tecti testimonii: feceruntque filii Israël cuncta quæ præceperat Dominus Moysi.
32Zo werd heel het werk van de tabernakel, de openbaringstent, voltooid en voerden de Israëlieten alles nauwkeurig uit, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
32Et obtulerunt tabernaculum et tectum et universam supellectilem, annulos, tabulas, vectes, columnas ac bases,
33Toen brachten zij de tabernakel naar Moses, de Tent met al haar toebehoren, de haken, schotten en bindlatten, en de palen met hun voetstukken;
33opertorium de pellibus arietum rubricatis, et aliud operimentum de janthinis pellibus,
34het dek van rood geverfde ramsvellen en het dekkleed van gelooide huiden en het afsluittapijt;
34velum; arcam, vectes, propitiatorium,
35de ark des Verbonds met haar handbomen en het verzoendeksel;
35mensam cum vasis suis et propositionis panibus;
36de tafel met toebehoren en de toonbroden;
36candelabrum, lucernas, et utensilia earum cum oleo;
37de kandelaar van zuiver goud met zijn lampen er bovenop, met alle benodigdheden en de olie voor de kandelaar;
37altare aureum, et unguentum, et thymiama ex aromatibus,
38het gouden altaar, de zalfolie, de geurige wierook en het tapijt voor de ingang van de Tent;
38et tentorium in introitu tabernaculi;
39het bronzen altaar met zijn bronzen rasterwerk, zijn handbomen en al wat er bij hoort; het wasbekken met zijn onderstel;
39altare æneum, retiaculum, vectes, et vasa ejus omnia; labrum cum basi sua; tentoria atrii, et columnas cum basibus suis;
40de gordijnen en palen, met hun voetstukken voor de voorhof; het tapijt voor de ingang van de voorhof; de touwen en pinnen, en alles wat er nodig was voor de bouw van de tabernakel, de openbaringstent;
40tentorium in introitu atrii, funiculosque illius et paxillos. Nihil ex vasis defuit, quæ in ministerium tabernaculi, et in tectum fœderis jussa sunt fieri.
41de ambtsgewaden voor de eredienst in het heiligdom, de heilige gewaden voor den priester Aäron, en de priestergewaden voor zijn zonen.
41Vestes quoque, quibus sacerdotes utuntur in sanctuario, Aaron scilicet et filii ejus,
42De kinderen Israëls hadden alles vervaardigd, juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
42obtulerunt filii Israël, sicut præceperat Dominus.
43Toen Moses dan ook al het werk had gezien, en het bleek, dat zij alles volgens de bevelen van Jahweh hadden vervaardigd, zegende hij hen.
43Quæ postquam Moyses cuncta vidit completa, benedixit eis.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.