Exodus
Chapter 39
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Baibal Olcim (Matu…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Baibal Olcim (Matupi Chin)
1De ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom vervaardigde men van violet, purper en karmozijn; men vervaardigde de heilige gewaden van Aäron juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
1Hmuencim ah aka thotat kah hnithun himbai khaw a thim, daidi, hlampai a lingdik neh a saii. Te phoeiah BOEIPA loh Moses a uen vanbangla Aaron ham khaw hmuencim himbai a hui uh.
2Hij maakte het borstkleed van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad.
2Te phoeiah sui hnisui te a thim, daidi, hlampai a lingdik la a en tih hnitang la a tah.
3Zij pletten het goud tot bladen en sneden het tot draden, om die kunstig tussen het violet, purper, karmozijn en het lijnwaad te weven.
3Sui phaldaep te a daep tih hamrhui khaw a thim la, daidi la, hlampai a lingdik la, bibi moehnah neh hnitang la saii ham a ah.
4De schouderbanden, die onderling verbonden waren, hechtte hij aan de twee uiteinden daarvan vast.
4Holhnam te a hmuicue rhoi ah hlinghlui ham a saii uh tih a hmoi te a hlinghlui.
5De band, die het borstkleed omsloot, was uit één stuk, en van hetzelfde maaksel: van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
5A pholip dongkah cihin khaw a bibi bangla a soah sui, a thim, daidi, hlampai a lingdik neh BOEIPA loh Moses a uen vanbangla hnitang la a tah.
6De beide onyxstenen, waarin de namen van Israëls zonen waren gegrift, zoals men in zegelstenen snijdt, vatte men in gouden zettingen.
6Sui oibom dongkah a det oitha lungto te a saii tih kutbuen thingthuk te Israel ca rhoek kah ming la a thuk.
7Hij hechtte ze op de schouderbanden van het borstkleed als gedachtenisstenen voor Israëls zonen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
7Te te BOEIPA loh Moses a uen vanbangla Israel ca rhoek ham poekkoepnah lungto la hnisui kah holhnam dongah a bang.
8Hij maakte de borsttas kunstig bewerkt van dezelfde stof als het borstkleed: van goud, violet, purper, karmozijn, en getwijnd lijnwaad.
8Rhangpho te khaw sui hnisui dongkah kutngo bangla bibi moehnah neh a thim, daidi, hlampai a lingdik a en tih hnitang la a tah.
9De borsttas was vierkant, en men vouwde haar dubbel; en dubbelgevouwen was zij een span lang en een span breed.
9Rhangpho a saii te hniboeng la om tih a yaep, a yun khap at neh a daang khap at la a yaep.
10Men bezette haar met vier rijen edelstenen; op de eerste rij: een robijn, een topaas en een smaragd;
10A soah lungto a than, than li a hulh tih a than cuek te lungling, vaya neh tamkuei,
11op de tweede rij: een karbonkel, een saffier en een sardonix;
11A than bae dongah ah khocillung, minhum neh lungmik,
12op de derde rij: een hyacint, een agaat en een ametist;
12a than thum dongah tamsenlung, khopang lung neh kemden,
13en op de vierde rij: een chrysoliet, een onyx en een jaspis. Bij het zetten werden ze in gouden zettingen gevat.
13A than li dongah timsuih, oitha, maihae te a hulhnah neh sui oibom dongah a bom.
14Deze stenen beantwoordden aan de namen van Israëls zonen; ze waren evenals hun namen twaalf in getal, en in iedere steen was de naam van één der twaalf stammen gegrift, zoals men een zegel snijdt.
14Lungto te khaw Israel ca hlai nit ming neh a khueh. Lungto ming tarhing ah koca hlai nit ham khaw a ming te kutbuen thingthuk la rhip a khueh pah.
15Aan de borsttas maakte men kettinkjes van zuiver goud als koorden gevlochten.
15Rhangpho dongkah cuehnah cangtui-rhaica khaw sui cilh rhuivaeh dongkah kutngo la a saii.
16Men vervaardigde ook twee gouden ringen, die men aan de beide boveneinden van de borsttas vasthechtte.
16Sui oibom panit neh sui kutcaeng panit a saii tih kutcaeng rhoi te rhangpho kah a hmoi rhoi ah a bang.
17Dan bevestigde men de twee gouden snoeren aan de beide ringen, die aan de boveneinden van de borsttas zaten.
17Sui rhuivaeh rhoi te rhangpho hmoi kah kutcaeng rhoi dongah a khih uh.
18De beide einden van de twee snoeren maakte men aan de beide zettingen vast, en hechtte ze aan de voorkant der schouderbanden van het borstkleed.
18Rhuivaeh rhoi kah a hmoi rhoi te oibom rhoi dongla a hlinghlui. Te rhoek te a hmai kah hnisui holhnam dongla a khih uh.
19Vervolgens maakte men nog twee gouden ringen, en bevestigde die aan de beide benedeneinden van de borsttas en wel aan de binnenrand, die tegen het borstkleed lag;
19Te phoeiah sui kutcaeng panit te a saii uh tih hnisui a khui, a hmai a hmoi dongah rhangpho hmoi rhoi dongah a khih uh.
20bovendien nog twee gouden ringen, die men onder aan de voorkant van het borstkleed hechtte, boven de band van het borstkleed en vlak bij de sluiting.
20Sui kutcaeng rhoi a saii uh tih te rhoi te hnisui cihin sokah a rhui voeivang taeng, a hmai ah a dang kah hnisui holhnam rhoi dongla a hlin.
21Dan bond men de ringen van de borsttas met een purperen snoer aan de ringen van het borstkleed vast, zodat de borsttas boven de band van het borstkleed bleef hangen, en niet op het borstkleed kon verschuiven: zoals Jahweh het Moses bevolen had.
21Rhangpho dongkah a kutcaeng rhoi neh te hnisui dongkah kutcaeng rhoi te hamrhui a thim neh a pin. BOEIPA loh Moses a uen bangla hnisui kah cihin soah a om daengah ni rhangpho hnisui dong lamloh a hawl pawt eh.
22Hij maakte over het borstkleed een kunstig geweven schoudermantel, geheel van violet.
22Te phoeiah hnikul te hnisui dongkah kutngo bangla a saii tih a thim la boeih a tah.
23De opening van de mantel was in het midden als de hals van een wapenrok, en was rondom gezoomd, zodat ze niet kon inscheuren.
23Hnikul kah a rhai te a laklung ah rhawnmoep kah a rhai bangla om tih a rhai ham a kongnah khaw pin a om dongah pawn mahpawh.
24Aan de onderrand van de schoudermantel bracht men violette, purperen en karmozijnen granaatappeltjes aan.
24Hnikul dongkah hnihmoi ah tale thaih a saii tih a thim, daidi, hlampai a lingdik neh a tah.
25Men maakte belletjes van zuiver goud, en zette die tussen de granaatappeltjes, rond de onderrand van de schoudermantel;
25Sui cilh te hling la a saii tih hling te hnikul hnihmoi kah tale laklo, tale laklo ah pin a bang.
26dus om beurt telkens een belletje en een granaatappeltje rond de onderrand van de schoudermantel, die voor de eredienst was bestemd, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
26BOEIPA loh Moses a uen vanbangla aka thotat ham kah hnikul hmoi ah te hling neh tale thaih, hling neh tale thaih tila pin a bang.
27Vervolgens maakte men voor Aäron en zijn zonen de tunieken van lijnwaad, kunstig bewerkt,
27Te phoeiah Aaron ham neh anih koca rhoek ham hnitang kutngo a tah angkidung te a hui uh.
28de tulband en de hoofddoeken van lijnwaad, de linnen heupkleren van getwijnd lijnwaad,
28Hnitang lupong neh lukhuem khaw, hnitang samkhuem neh takhlawk hnii khaw hnitang la a tah.
29en de kunstig bewerkte gordel van getwijnd lijnwaad, van violet, purper en karmozijn, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
29Lamko te khaw hnitang la a tah tih BOEIPA loh Moses a uen vanbangla a kutngo te a thim, daidi, hlampai a lingdik neh a en.
30Tenslotte vervaardigde men de plaat, de heilige diadeem, van zuiver goud, en men grifte daarin, als in een zegel: Aan Jahweh gewijd.
30Rhuisam tamlaep cim te khaw sui cilh neh a saii tih a soah kutbuen dongkah thingthuk cadaek te BOEIPA ham Cim tila a daek.
31Met een purperen snoer maakte men ze aan de tulband vast, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
31Te phoeiah BOEIPA loh Moses a uen bangla te te a so ah lupong dongah khih ham hamrhui a thim neh a hlinghlui.
32Zo werd heel het werk van de tabernakel, de openbaringstent, voltooid en voerden de Israëlieten alles nauwkeurig uit, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
32Tingtunnah dap ah dungtlungim kah thothuengnah boeih a coeng tangloeng coeng. Israel ca rhoek loh a saii uh vaengah a cungkuem dongah BOEIPA loh Moses a uen te ni a saii uh van.
33Toen brachten zij de tabernakel naar Moses, de Tent met al haar toebehoren, de haken, schotten en bindlatten, en de palen met hun voetstukken;
33Te phoeiah dungtlungim te Moses taengah dap neh a hnopai boeih, a rhuithu neh a longlaeng a thohkalh khaw, a thohkalh neh a tung a buenhol khaw.
34het dek van rood geverfde ramsvellen en het dekkleed van gelooide huiden en het afsluittapijt;
34Imphu, tutal pho a thimyum neh imphu, saham pho te khaw himbaiyan hniyan khaw,
35de ark des Verbonds met haar handbomen en het verzoendeksel;
35Olphong thingkawng neh a thingpang khaw a tlaeng khaw,
36de tafel met toebehoren en de toonbroden;
36Caboei neh a hnopai boeih neh a hmai kah buh,
37de kandelaar van zuiver goud met zijn lampen er bovenop, met alle benodigdheden en de olie voor de kandelaar;
37A hmaithoi cim kah hmaitung neh hmaithoi bong khaw, a hnopai cungkuem neh hmaivang situi khaw,
38het gouden altaar, de zalfolie, de geurige wierook en het tapijt voor de ingang van de Tent;
38Sui hmueihtuk neh koelhnah situi khaw, botui bo-ul neh dap thohka kah himbaiyan khaw,
39het bronzen altaar met zijn bronzen rasterwerk, zijn handbomen en al wat er bij hoort; het wasbekken met zijn onderstel;
39rhohum hmueihtuk neh rhohum pahak khaw, a thingpang neh a hnopai boeih, baeldung neh a kho khaw,
40de gordijnen en palen, met hun voetstukken voor de voorhof; het tapijt voor de ingang van de voorhof; de touwen en pinnen, en alles wat er nodig was voor de bouw van de tabernakel, de openbaringstent;
40vongtung imbang kah a tung neh a buenhol khaw, vongup vongka dongkah himbaiyan khaw, a liva neh te a hlingcong khaw, dungtlungim kah thothuengnah hnopai cungkuem neh tingtunnah dap ham khaw,
41de ambtsgewaden voor de eredienst in het heiligdom, de heilige gewaden voor den priester Aäron, en de priestergewaden voor zijn zonen.
41Hmuencim ah aka thotat ham hnithun himbai te khaw, khosoih Aaron kah hmuencim himbai neh aka khosoih ham koi anih koca rhoek kah himbai te khaw a khuen uh.
42De kinderen Israëls hadden alles vervaardigd, juist zoals Jahweh het Moses bevolen had.
42BOEIPA loh Moses taengah boeih a uen vanbangla Israel ca rhoek loh thothuengnah cungkuem te a saii uh.
43Toen Moses dan ook al het werk had gezien, en het bleek, dat zij alles volgens de bevelen van Jahweh hadden vervaardigd, zegende hij hen.
43Moses loh bitat cungkuem te a hmuh vaengah BOEIPA kah a uen bangla buelh a saii uh. A saii tangloeng dongah amih te Moses loh a uem.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.