Liber Numeri 33
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Hæ sunt mansiones filiorum Israël, qui egressi sunt de Ægypto per turmas suas in manu Moysi et Aaron,
1Dit zijn de halten van de Israëlieten, nadat zij onder leiding van Moses en Aäron met hun legerscharen uit Egypte waren opgetrokken.
2quas descripsit Moyses juxta castrorum loca, quæ Domini jussione mutabant.
2Op bevel van Jahweh schreef Moses hun zwerftochten op volgens de halten, die zij hadden gemaakt. En dit waren hun verschillende halten, die zij op hun zwerftochten hadden gemaakt.
3Profecti igitur de Ramesse mense primo, quintadecima die mensis primi, altera die Phase, filii Israël in manu excelsa, videntibus cunctis Ægyptiis,
3Op de vijftiende dag van de eerste maand, braken zij op van Raämses, daags na Pasen trokken de Israëlieten onder machtige schutse ten aanschouwen van heel Egypte weg,
4et sepelientibus primogenitos, quos percusserat Dominus (nam et in diis eorum exercuerat ultionem),
4terwijl de Egyptenaren al de eerstgeborenen begroeven, die Jahweh onder hen had getroffen, en Jahweh aan hun goden de strafgerichten voltrok.
5castrametati sunt in Soccoth.
5Nadat de Israëlieten van Raämses waren opgetrokken, legerden zij zich te Soekkot.
6Et de Soccoth venerunt in Etham, quæ est in extremis finibus solitudinis.
6Van Soekkot trokken zij verder en legerden zich te Etam, dat op de grens van de woestijn ligt.
7Inde egressi venerunt contra Phihahiroth, quæ respicit Beelsephon, et castrametati sunt ante Magdalum.
7Van Etam trokken zij verder, maar sloegen de richting in naar Pi-Hachirot, dat ten oosten van Báal-Sefon ligt, en legerden zich voor Migdol.
8Profectique de Phihahiroth, transierunt per medium mare in solitudinem: et ambulantes tribus diebus per desertum Etham, castrametati sunt in Mara.
8Van Pi-Hachirot trokken zij verder, gingen midden door de zee naar de woestijn, trokken drie dagreizen ver de woestijn Etam in, en legerden zich te Mara.
9Profectique de Mara, venerunt in Elim, ubi erant duodecim fontes aquarum, et palmæ septuaginta: ibique castrametati sunt.
9Van Mara trokken zij verder, en kwamen te Elim; te Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar.
10Sed et inde egressi, fixerunt tentoria super mare Rubrum. Profectique de mari Rubro,
10Van Elim trokken zij verder, en legerden zich aan de Rode Zee.
11castrametati sunt in deserto Sin.
11Van de Rode Zee trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin.
12Unde egressi, venerunt in Daphca.
12Van de woestijn Sin trokken zij verder, en legerden zich te Dofka.
13Profectique de Daphca, castrametati sunt in Alus.
13Van Dofka trokken zij verder, en legerden zich te Aloesj.
14Egressique de Alus, in Raphidim fixere tentoria, ubi populo defuit aqua ad bibendum.
14Van Aloesj trokken zij verder, en legerden zich te Refidim; daar was geen water voor het volk, om te drinken.
15Profectique de Raphidim, castrametati sunt in deserto Sinai.
15Van Refidim trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn van de Sinaï.
16Sed et de solitudine Sinai egressi, venerunt ad sepulchra concupiscentiæ.
16Van de woestijn Sinaï trokken zij verder, en legerden zich te Kibrot-Hattaäwa.
17Profectique de sepulchris concupiscentiæ, castrametati sunt in Haseroth.
17Van Kibrot-Hattaäwa trokken zij verder, en legerden zich te Chaserot.
18Et de Haseroth venerunt in Rethma.
18Van Chaserot trokken zij verder, en legerden zich te Ritma.
19Profectique de Rethma, castrametati sunt in Remmomphares.
19Van Ritma trokken zij verder, en legerden zich te Rimmon-Péres.
20Unde egressi venerunt in Lebna.
20Van Rimmon-Péres trokken zij verder, en legerden zich te Libna.
21De Lebna castrametati sunt in Ressa.
21Van Libna trokken zij verder, en legerden zich te Rissa.
22Egressique de Ressa, venerunt in Ceelatha.
22Van Rissa trokken zij verder, en legerden zich te Keheláta.
23Unde profecti, castrametati sunt in monte Sepher.
23Van Keheláta trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Sjéfer.
24Egressi de monte Sepher, venerunt in Arada.
24Van de berg Sjéfer trokken zij verder, en legerden zich te Charada.
25Inde proficiscentes, castrametati sunt in Maceloth.
25Van Charada trokken zij verder, en legerden zich te Makhelot.
26Profectique de Maceloth, venerunt in Thahath.
26Van Makhelot trokken zij verder, en legerden zich te Táchat.
27De Thahath, castrametati sunt in Thare.
27Van Táchat trokken zij verder, en legerden zich te Térach.
28Unde egressi, fixere tentoria in Methca.
28Van Térach trokken zij verder, en legerden zich te Mitka.
29Et de Methca, castrametati sunt in Hesmona.
29Van Mitka trokken zij verder, en legerden zich te Chasjmona.
30Profectique de Hesmona, venerunt in Moseroth.
30Van Chasjmona trokken zij verder, en legerden zich te Moserot.
31Et de Moseroth, castrametati sunt in Benejaacan.
31Van Moserot trokken zij verder, en legerden zich te Bene-Jaäkan.
32Profectique de Benejaacan, venerunt in montem Gadgad.
32Van Bene-Jaäkan trokken zij verder, en legerden zich te Chor-Haggidgad.
33Unde profecti, castrametati sunt in Jetebatha.
33Van Chor-Haggidgad trokken zij verder, en legerden zich te Jotbáta.
34Et de Jetebatha venerunt in Hebrona.
34Van Jotbáta trokken zij verder, en legerden zich te Abrona.
35Egressique de Hebrona, castrametati sunt in Asiongaber.
35Van Abrona trokken zij verder, en legerden zich te Es-jon-Géber.
36Inde profecti, venerunt in desertum Sin, hæc est Cades.
36Van Es-jon-Géber trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin, dat is Kadesj.
37Egressique de Cades, castrametati sunt in monte Hor, in extremis finibus terræ Edom.
37Van Kadesj trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Hor aan de grens van het land Edom.
38Ascenditque Aaron sacerdos in montem Hor jubente Domino: et ibi mortuus est anno quadragesimo egressionis filiorum Israël ex Ægypto, mense quinto, prima die mensis,
38De priester Aäron besteeg op bevel van Jahweh de berg Hor, en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste van de vijfde maand.
39cum esset annorum centum viginti trium.
39Aäron was honderd drie en twintig jaar oud, toen hij op de berg Hor stierf.
40Audivitque Chananæus rex Arad, qui habitabat ad meridiem, in terram Chanaan venisse filios Israël.
40Daar de kanaänietische koning van Arad, die in de Négeb van het land Kanaän woonde, vernomen had, dat de Israëlieten in aantocht waren,
41Et profecti de monte Hor, castrametati sunt in Salmona.
41trokken zij van de berg Hor verder, en legerden zich te Salmona.
42Unde egressi, venerunt in Phunon.
42Van Salmona trokken zij verder, en legerden zich te Poenon.
43Profectique de Phunon, castrametati sunt in Oboth.
43Van Poenon trokken zij verder, en legerden zich te Obot.
44Et de Oboth venerunt in Ijeabarim, quæ est in finibus Moabitarum.
44Van Obot trokken zij verder, en legerden zich te Ijje-Haäbarim, in het gebied van Moab.
45Profectique de Ijeabarim, fixere tentoria in Dibongad.
45Van Ijje-Haäbarim trokken zij verder, en legerden zich te Dibon-Gad.
46Unde egressi, castrametati sunt in Helmondeblathaim.
46Van Dibon-Gad trokken zij verder, en legerden zich te Almon-Diblatáim.
47Egressique de Helmondeblathaim, venerunt ad montes Abarim contra Nabo.
47Van Almon-Diblatáim trokken zij verder, en legerden zich bij het gebergte Abarim tegenover Nebo.
48Profectique de montibus Abarim, transierunt ad campestria Moab, supra Jordanem, contra Jericho.
48Van het gebergte Abarim trokken zij verder, en legerden zich in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
49Ibique castrametati sunt de Bethsimoth usque ad Abelsatim in planioribus locis Moabitarum.
49Hun legerplaatsen bij de Jordaan strekten zich uit van Bet-Hajjesjimot af tot aan Abel-Hassjittim in de velden van Moab.
50Ubi locutus est Dominus ad Moysen:
50In de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho sprak Jahweh tot Moses:
51Præcipe filiis Israël, et dic ad eos: Quando transieritis Jordanem, intrantes terram Chanaan,
51Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer gij de Jordaan zijt overgetrokken naar het land Kanaän,
52disperdite cunctos habitatores terræ illius: confringite titulos, et statuas comminuite, atque omnia excelsa vastate,
52dan moet gij al de bewoners van het land verjagen, en al hun gehouwen beelden stukslaan, al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten verwoesten.
53mundantes terram, et habitantes in ea. Ego enim dedi vobis illam in possessionem,
53Dan zult gij het land in bezit nemen en er u vestigen; want aan u heb Ik het land in eigendom gegeven.
54quam dividetis vobis sorte. Pluribus dabitis latiorem, et paucis angustiorem. Singulis ut sors ceciderit, ita tribuetur hæreditas. Per tribus et familias possessio dividetur.
54Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen; aan een talrijk geslacht moet gij een groot stuk geven, aan een minder talrijk een klein. Ge moet het dus onder de voorvaderlijke stammen zo verdelen, dat iedereen krijgt, wat hem door het lot wordt toegewezen.
55Sin autem nolueritis interficere habitatores terræ: qui remanserint, erunt vobis quasi clavi in oculis, et lanceæ in lateribus, et adversabuntur vobis in terra habitationis vestræ:
55Maar wanneer gij de bewoners van het land niet verjaagt, dan zullen zij, die gij ervan overlaat, als doornen in uw ogen zijn en als prikkels in uw zijden; zij zullen u in uw eigen land verdrukken.
56et quidquid illis cogitaveram facere, vobis faciam.
56En zoals Ik besloten had, hen te behandelen, zo zal Ik het u doen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.