Números
Chapter 33
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Números 33

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ESTAS son las estancias de los hijos de Israel, los cuales salieron de la tierra de Egipto por sus escuadrones, bajo la conducta de Moisés y Aarón.
1Dit zijn de halten van de Israëlieten, nadat zij onder leiding van Moses en Aäron met hun legerscharen uit Egypte waren opgetrokken.
2Y Moisés escribió sus salidas conforme á sus jornadas por mandato de Jehová. Estas, pues, son sus estancias con arreglo á sus partidas.
2Op bevel van Jahweh schreef Moses hun zwerftochten op volgens de halten, die zij hadden gemaakt. En dit waren hun verschillende halten, die zij op hun zwerftochten hadden gemaakt.
3De Rameses partieron en el mes primero, á los quince días del mes primero: el segundo día de la pascua salieron los hijos de Israel con mano alta, á ojos de todos los Egipcios.
3Op de vijftiende dag van de eerste maand, braken zij op van Raämses, daags na Pasen trokken de Israëlieten onder machtige schutse ten aanschouwen van heel Egypte weg,
4Estaban enterrando los Egipcios los que Jehová había muerto de ellos, á todo primogénito; habiendo Jehová hecho también juicios en sus dioses.
4terwijl de Egyptenaren al de eerstgeborenen begroeven, die Jahweh onder hen had getroffen, en Jahweh aan hun goden de strafgerichten voltrok.
5Partieron, pues, los hijos de Israel de Rameses, y asentaron campo en Succoth.
5Nadat de Israëlieten van Raämses waren opgetrokken, legerden zij zich te Soekkot.
6Y partiendo de Succoth, asentaron en Etham, que está al cabo del desierto.
6Van Soekkot trokken zij verder en legerden zich te Etam, dat op de grens van de woestijn ligt.
7Y partiendo de Etham, volvieron sobre Pi-hahiroth, que está delante de Baalsephon, y asentaron delante de Migdol.
7Van Etam trokken zij verder, maar sloegen de richting in naar Pi-Hachirot, dat ten oosten van Báal-Sefon ligt, en legerden zich voor Migdol.
8Y partiendo de Pi-hahiroth, pasaron por medio de la mar al desierto, y anduvieron camino de tres días por el desierto de Etham, y asentaron en Mara.
8Van Pi-Hachirot trokken zij verder, gingen midden door de zee naar de woestijn, trokken drie dagreizen ver de woestijn Etam in, en legerden zich te Mara.
9Y partiendo de Mara, vinieron á Elim, donde había doce fuentes de aguas, y setenta palmeras; y asentaron allí.
9Van Mara trokken zij verder, en kwamen te Elim; te Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar.
10Y partidos de Elim, asentaron junto al mar Bermejo.
10Van Elim trokken zij verder, en legerden zich aan de Rode Zee.
11Y partidos del mar Bermejo, asentaron en el desierto de Sin.
11Van de Rode Zee trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin.
12Y partidos del desierto de Sin, asentaron en Dophca.
12Van de woestijn Sin trokken zij verder, en legerden zich te Dofka.
13Y partidos de Dophca, asentaron en Alús.
13Van Dofka trokken zij verder, en legerden zich te Aloesj.
14Y partidos de Alús, asentaron en Rephidim, donde el pueblo no tuvo aguas para beber.
14Van Aloesj trokken zij verder, en legerden zich te Refidim; daar was geen water voor het volk, om te drinken.
15Y partidos de Rephidim, asentaron en el desierto de Sinaí.
15Van Refidim trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn van de Sinaï.
16Y partidos del desierto de Sinaí, asentaron en Kibroth-hataava.
16Van de woestijn Sinaï trokken zij verder, en legerden zich te Kibrot-Hattaäwa.
17Y partidos de Kibroth-hataava, asentaron en Haseroth.
17Van Kibrot-Hattaäwa trokken zij verder, en legerden zich te Chaserot.
18Y partidos de Haseroth, asentaron en Ritma.
18Van Chaserot trokken zij verder, en legerden zich te Ritma.
19Y partidos de Ritma, asentaron en Rimmón-peres.
19Van Ritma trokken zij verder, en legerden zich te Rimmon-Péres.
20Y partidos de Rimmón-peres, asentaron en Libna.
20Van Rimmon-Péres trokken zij verder, en legerden zich te Libna.
21Y partidos de Libna, asentaron en Rissa.
21Van Libna trokken zij verder, en legerden zich te Rissa.
22Y partidos de Rissa, asentaron en Ceelatha.
22Van Rissa trokken zij verder, en legerden zich te Keheláta.
23Y partidos de Ceelatha, asentaron en el monte de Sepher.
23Van Keheláta trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Sjéfer.
24Y partidos del monte de Sepher, asentaron en Harada.
24Van de berg Sjéfer trokken zij verder, en legerden zich te Charada.
25Y partidos de Harada, asentaron en Maceloth.
25Van Charada trokken zij verder, en legerden zich te Makhelot.
26Y partidos de Maceloth, asentaron en Tahath.
26Van Makhelot trokken zij verder, en legerden zich te Táchat.
27Y partidos de Tahath, asentaron en Tara.
27Van Táchat trokken zij verder, en legerden zich te Térach.
28Y partidos de Tara, asentaron en Mithca.
28Van Térach trokken zij verder, en legerden zich te Mitka.
29Y partidos de Mithca, asentaron en Hasmona.
29Van Mitka trokken zij verder, en legerden zich te Chasjmona.
30Y partidos de Hasmona, asentaron en Moseroth.
30Van Chasjmona trokken zij verder, en legerden zich te Moserot.
31Y partidos de Moseroth, asentaron en Bene-jaacán.
31Van Moserot trokken zij verder, en legerden zich te Bene-Jaäkan.
32Y partidos de Bene-jaacán, asentaron en el monte de Gidgad.
32Van Bene-Jaäkan trokken zij verder, en legerden zich te Chor-Haggidgad.
33Y partidos del monte de Gidgad, asentaron en Jotbatha.
33Van Chor-Haggidgad trokken zij verder, en legerden zich te Jotbáta.
34Y partidos de Jotbatha, asentaron en Abrona.
34Van Jotbáta trokken zij verder, en legerden zich te Abrona.
35Y partidos de Abrona, asentaron en Esion-geber.
35Van Abrona trokken zij verder, en legerden zich te Es-jon-Géber.
36Y partidos de Esion-geber, asentaron en el desierto de Zin, que es Cades.
36Van Es-jon-Géber trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin, dat is Kadesj.
37Y partidos de Cades, asentaron en el monte de Hor, en la extremidad del país de Edom.
37Van Kadesj trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Hor aan de grens van het land Edom.
38Y subió Aarón el sacerdote al monte de Hor, conforme al dicho de Jehová, y allí murió á los cuarenta años de la salida de los hijos de Israel de la tierra de Egipto, en el mes quinto, en el primero del mes.
38De priester Aäron besteeg op bevel van Jahweh de berg Hor, en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste van de vijfde maand.
39Y era Aarón de edad de ciento y veinte y tres años, cuando murió en el monte de Hor.
39Aäron was honderd drie en twintig jaar oud, toen hij op de berg Hor stierf.
40Y el Cananeo, rey de Arad, que habitaba al mediodía en la tierra de Canaán, oyó como habían venido los hijos de Israel.
40Daar de kanaänietische koning van Arad, die in de Négeb van het land Kanaän woonde, vernomen had, dat de Israëlieten in aantocht waren,
41Y partidos del monte de Hor, asentaron en Salmona.
41trokken zij van de berg Hor verder, en legerden zich te Salmona.
42Y partidos de Salmona, asentaron en Phunón.
42Van Salmona trokken zij verder, en legerden zich te Poenon.
43Y partidos de Phunón, asentaron en Oboth.
43Van Poenon trokken zij verder, en legerden zich te Obot.
44Y partidos de Oboth, asentaron en Ije-abarim; en el término de Moab.
44Van Obot trokken zij verder, en legerden zich te Ijje-Haäbarim, in het gebied van Moab.
45Y partidos de Ije-abarim, asentaron en Dibon-gad.
45Van Ijje-Haäbarim trokken zij verder, en legerden zich te Dibon-Gad.
46Y partidos de Dibon-gad, asentaron en Almon-diblathaim.
46Van Dibon-Gad trokken zij verder, en legerden zich te Almon-Diblatáim.
47Y partidos de Almon-diblathaim, asentaron en los montes de Abarim, delante de Nebo.
47Van Almon-Diblatáim trokken zij verder, en legerden zich bij het gebergte Abarim tegenover Nebo.
48Y partidos de los montes de Abarim, asentaron en los campos de Moab, junto al Jordán de Jericó.
48Van het gebergte Abarim trokken zij verder, en legerden zich in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
49Finalmente asentaron junto al Jordán, desde Beth-jesimoth hasta Abel-sitim, en los campos de Moab.
49Hun legerplaatsen bij de Jordaan strekten zich uit van Bet-Hajjesjimot af tot aan Abel-Hassjittim in de velden van Moab.
50Y habló Jehová á Moisés en los campos de Moab junto al Jordán de Jericó, diciendo:
50In de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho sprak Jahweh tot Moses:
51Habla á los hijos de Israel, y diles: Cuando hubiereis pasado el Jordán á la tierra de Canaán,
51Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer gij de Jordaan zijt overgetrokken naar het land Kanaän,
52Echaréis á todos los moradores del país de delante de vosotros, y destruiréis todas sus pinturas, y todas sus imágenes de fundición, y arruinaréis todos sus altos;
52dan moet gij al de bewoners van het land verjagen, en al hun gehouwen beelden stukslaan, al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten verwoesten.
53Y echaréis los moradores de la tierra, y habitaréis en ella; porque yo os la he dado para que la poseáis.
53Dan zult gij het land in bezit nemen en er u vestigen; want aan u heb Ik het land in eigendom gegeven.
54Y heredaréis la tierra por suertes por vuestras familias: á los muchos daréis mucho por su heredad, y á los pocos daréis menos por heredad suya: donde le saliere la suerte, allí la tendrá cada uno: por las tribus de vuestros padres heredaréis.
54Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen; aan een talrijk geslacht moet gij een groot stuk geven, aan een minder talrijk een klein. Ge moet het dus onder de voorvaderlijke stammen zo verdelen, dat iedereen krijgt, wat hem door het lot wordt toegewezen.
55Y si no echareis los moradores del país de delante de vosotros, sucederá que los que dejareis de ellos serán por aguijones en vuestros ojos, y por espinas en vuestros costados, y afligiros han sobre la tierra en que vosotros habitareis.
55Maar wanneer gij de bewoners van het land niet verjaagt, dan zullen zij, die gij ervan overlaat, als doornen in uw ogen zijn en als prikkels in uw zijden; zij zullen u in uw eigen land verdrukken.
56Será además, que haré á vosotros como yo pensé hacerles á ellos.
56En zoals Ik besloten had, hen te behandelen, zo zal Ik het u doen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.