Números
Chapter 31
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Números 31

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y JEHOVÁ habló á Moisés, diciendo:
1Jahweh sprak tot Moses:
2Haz la venganza de los hijos de Israel sobre los Madianitas; después serás recogido á tus pueblos.
2Nog moet ge voor de kinderen Israëls wraak nemen op de Midjanieten; daarna zult ge bij uw volk worden verzameld.
3Entonces Moisés habló al pueblo, diciendo: Armaos algunos de vosotros para la guerra, é irán contra Madián, y harán la venganza de Jehová en Madián.
3Moses zei dus tot het volk: Laat een deel van uw mannen zich wapenen, om tegen Midjan op te rukken, en de wraak van Jahweh aan Midjan te voltrekken.
4Mil de cada tribu de todas las tribus de los hijos de Israel, enviaréis á la guerra.
4Van iedere stam van Israël, moet ge duizend man in het veld brengen.
5Así fueron dados de los millares de Israel, mil por cada tribu, doce mil á punto de guerra.
5Zo werden uit iedere stam van Israël duizend krijgers aangemonsterd, dus twaalf duizend in het geheel.
6Y Moisés los envió á la guerra: mil de cada tribu envió: y Phinees, hijo de Eleazar sacerdote, fué á la guerra con los santos instrumentos, con las trompetas en su mano para tocar.
6En Moses zond die duizend uit iedere stam ten strijde met Pinechas, den zoon van den priester Elazar, wien hij de heilige vaten en de krijgstrompetten meegaf.
7Y pelearon contra Madián, como Jehová lo mandó á Moisés, y mataron á todo varón.
7Zij bonden dus de strijd aan tegen de Midjanieten, zoals Jahweh het Moses bevolen had, en doodden alle mannen.
8Mataron también, entre los muertos de ellos, á los reyes de Madián: Evi, y Recem, y Zur, y Hur, y Reba, cinco reyes de Madián: á Balaam también, hijo de Beor, mataron á cuchillo.
8Behalve de anderen, die zij neersabelden, doodden zij ook de koningen van Midjan, Ewi, Rékem, Soer, Choer en Réba, vijf midjanietische koningen; ook Balaäm, den zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.
9Y llevaron cautivas los hijos de Israel las mujeres de los Madianitas, y sus chiquitos y todas sus bestias, y todos sus ganados; y arrebataron toda su hacienda.
9De Israëlieten maakten de vrouwen en kinderen der Midjanieten krijgsgevangen; al hun vee met al hun have en goed maakten zij buit;
10Y abrasaron con fuego todas sus ciudades, aldeas y castillos.
10al de steden, die zij bewoonden, met al hun kampementen staken ze in brand.
11Y tomaron todo el despojo, y toda la presa, así de hombres como de bestias.
11Al die roof en buit aan mensen en vee namen zij mee,
12Y trajeron á Moisés, y á Eleazar el sacerdote, y á la congregación de los hijos de Israel, los cautivos y la presa y los despojos, al campo en los llanos de Moab, que están junto al Jordán de Jericó.
12en brachten de gevangenen met roof en buit naar Moses, en den priester Elazar, en naar de gemeenschap der Israëlieten in de legerplaats in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
13Y salieron Moisés y Eleazar el sacerdote, y todos los príncipes de la congregación, á recibirlos fuera del campo.
13Moses, de priester Elazar en al de leiders van de gemeenschap trokken hen buiten de legerplaats tegemoet.
14Y enojóse Moisés contra los capitanes del ejército, contra los tribunos y centuriones que volvían de la guerra;
14Maar Moses werd vertoornd op de aanvoerders van het leger, de hoofdmannen over duizend en honderd, die van de strijd terugkeerden,
15Y díjoles Moisés: ¿Todas las mujeres habéis reservado?
15en zei tot hen: Hoe hebt ge al die vrouwen in leven kunnen laten?
16He aquí ellas fueron á los hijos de Israel, por consejo de Balaam, para causar prevaricación contra Jehová en el negocio de Peor; por lo que hubo mortandad en la congregación de Jehová.
16Zij zijn toch juist op raad van Balaäm de oorzaak geweest, dat Israël om Peor van Jahweh afviel, zodat er onder de gemeenschap van Jahweh een ramp ontstond.
17Matad pues ahora todos los varones entre los niños: matad también toda mujer que haya conocido varón carnalmente.
17Ge moet dus alle jongens doden, en alle vrouwen, die gemeenschap met een man hebben gehad.
18Y todas las niñas entre las mujeres, que no hayan conocido ayuntamiento de varón, os reservaréis vivas.
18Maar alle meisjes, die nog geen gemeenschap met een man hebben gehad, moogt ge in leven laten en voor u behouden.
19Y vosotros quedaos fuera del campo siete días: y todos los que hubieren matado persona, y cualquiera que hubiere tocado muerto, os purificaréis al tercero y al séptimo día, vosotros y vuestros cautivos.
19Bovendien moet ge zeven dagen lang buiten de legerplaats blijven, en iedereen die een ander heeft gedood of een gesneuvelde heeft aangeraakt, moet zich op de derde en zevende dag reinigen, gij zowel als uw krijgsgevangenen.
20Asimismo purificaréis todo vestido, y toda prenda de pieles, y toda obra de pelos de cabra, y todo vaso de madera.
20Ook alle kleren, alle leren voorwerpen, al wat uit geitenhaar is vervaardigd, en al wat van hout is, moet gij reinigen.
21Y Eleazar el sacerdote dijo á los hombres de guerra que venían de la guerra: Esta es la ordenanza de la ley que Jehová ha mandado á Moisés:
21En de priester Elazar zeide tot de krijgslieden, die ten strijde waren getrokken: Dit is het voorschrift van de wet, die Jahweh Moses heeft gegeven!
22Ciertamente el oro, y la plata, metal, hierro, estaño, y plomo,
22Goud, zilver, brons, ijzer, tin en lood,
23Todo lo que resiste el fuego, por fuego lo haréis pasar, y será limpio, bien que en las aguas de purificación habrá de purificarse: mas haréis pasar por agua todo lo que no aguanta el fuego.
23al wat tegen vuur bestand is, moet ge door het vuur halen; dan zal het rein zijn, en behoeft alleen nog met reinigingswater te worden ontsmet. Maar al wat niet tegen vuur is bestand, moet ge door het water halen.
24Además lavaréis vuestros vestidos el séptimo día, y así seréis limpios; y después entraréis en el campo.
24Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen; dan zijt gij weer rein, en kunt in de legerplaats terugkeren.
25Y Jehová habló á Moisés, diciendo:
25Daarna sprak Jahweh tot Moses:
26Toma la cuenta de la presa que se ha hecho, así de las personas como de las bestias, tú y el sacerdote Eleazar, y las cabezas de los padres de la congregación:
26Tel met den priester Elazar en de familiehoofden van de gemeenschap mensen en dieren, die aan buit zijn meegebracht,
27Y partirás por mitad la presa entre los que pelearon, los que salieron á la guerra, y toda la congregación.
27en verdeel de buit tussen de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, en heel de gemeenschap.
28Y apartarás para Jehová el tributo de los hombres de guerra, que salieron á la guerra: de quinientos uno, así de las personas como de los bueyes, de los asnos, y de las ovejas:
28Van de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, moet ge als gave voor Jahweh één op de vijfhonderd heffen van mensen, runderen, ezels en kleinvee;
29De la mitad de ellos lo tomarás; y darás á Eleazar el sacerdote la ofrenda de Jehová.
29ge moet het van hun helft nemen en het den priester Elazar geven als een cijns voor Jahweh.
30Y de la mitad perteneciente á los hijos de Israel tomarás uno de cincuenta, de las personas, de los bueyes, de los asnos, y de las ovejas, de todo animal; y los darás á los Levitas, que tienen la guarda del tabernáculo de Jehová.
30Maar van de helft voor de Israëlieten bestemd moet ge één op de vijftig nemen, van wat voor de hand komt, van mensen, runderen, ezels en kleinvee, en alle andere beesten, en het aan de levieten geven, die dienst doen bij de tabernakel van Jahweh.
31E hicieron Moisés y Eleazar el sacerdote como Jehová mandó á Moisés.
31Moses en de priester Elazar deden, wat Jahweh Moses bevolen had.
32Y fué la presa, el resto de la presa que tomaron los hombres de guerra, seiscientas y setenta y cinco mil ovejas,
32Het overschot van de buit, die het krijgsvolk gemaakt en meegebracht had, bedroeg zes honderd vijf en zeventig duizend schapen,
33Y setenta y dos mil bueyes,
33twee en zeventig duizend runderen,
34Y setenta y un mil asnos;
34een en zestig duizend ezels,
35Y en cuanto á personas, de mujeres que no habían conocido ayuntamiento de varón, en todas treinta y dos mil.
35en aan mensen, twee en dertig duizend vrouwen, die geen gemeenschap met een man hadden gehad.
36Y la mitad, la parte de los que habían salido á la guerra, fué el número de trescientas treinta y siete mil y quinientas ovejas.
36De helft, die toekwam aan hen, die ten strijde waren getrokken, bedroeg: aan schapen drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
37Y el tributo para Jehová de las ovejas, fué seiscientas setenta y cinco.
37en de gave voor Jahweh daarvan zeshonderd vijf en zeventig;
38Y de los bueyes, treinta y seis mil: y de ellos el tributo para Jehová, setenta y dos.
38aan runderen, zes en dertig duizend, en de gave voor Jahweh daarvan twee en zeventig;
39Y de los asnos, treinta mil y quinientos: y de ellos el tributo para Jehová, setenta y uno.
39aan ezels, dertig duizend vijfhonderd, en de gave voor Jahweh daarvan een en zestig;
40Y de las personas, diez y seis mil: y de ellas el tributo para Jehová, treinta y dos personas.
40aan mensen zestien duizend, en de gave voor Jahweh twee en dertig.
41Y dió Moisés el tributo, por elevada ofrenda á Jehová, á Eleazar el sacerdote, como Jehová lo mandó á Moisés.
41Moses stelde die gave als cijns voor Jahweh, aan den priester Elazar ter hand, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
42Y de la mitad para los hijos de Israel, que apartó Moisés de los hombres que habían ido á la guerra;
42De helft, die voor de Israëlieten was bestemd, en die Moses van het krijgsvolk, dat was uitgetrokken, had geheven,
43(La mitad para la congregación fué: de las ovejas, trescientas treinta y siete mil y quinientas;
43deze helft voor de gemeenschap bedroeg: aan schapen, drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
44Y de los bueyes, treinta y seis mil;
44aan runderen, zes en dertig duizend;
45Y de los asnos, treinta mil y quinientos;
45aan ezels dertig duizend vijfhonderd;
46Y de las personas, diez y seis mil:)
46en aan mensen, zestien duizend.
47De la mitad, pues, para los hijos de Israel tomó Moisés uno de cada cincuenta, así de las personas como de los animales, y diólos á los Levitas, que tenían la guarda del tabernáculo de Jehová; como Jehová lo había mandado á Moisés.
47Van deze helft, voor de Israëlieten bestemd, nam Moses één op de vijftig van mensen en vee, zoals het voor de hand kwam, en gaf het aan de levieten, die dienst deden bij de tabernakel, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
48Y llegaron á Moisés los jefes de los millares de aquel ejército, los tribunos y centuriones;
48Toen traden de aanvoerders van de troepen, de hoofdmannen over duizend en honderd, op Moses toe,
49Y dijeron á Moisés: Tus siervos han tomado razón de los hombres de guerra que están en nuestro poder, y ninguno ha faltado de nosotros.
49en zeiden tot hem: Uw dienaren hebben de strijders, die onder ons stonden, geteld en er ontbreekt er niet één.
50Por lo cual hemos ofrecido á Jehová ofrenda, cada uno de lo que ha hallado, vasos de oro, brazaletes, manillas, anillos, zarcillos, y cadenas, para hacer expiación por nuestras almas delante de Jehová.
50Daarom brengt ieder van ons de gouden sieraden, die hij heeft buitgemaakt, gespen, armbanden, zegelringen, oorringen en kralen, als gave aan Jahweh, om voor ons verzoening te verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh.
51Y Moisés y el sacerdote Eleazar recibieron el oro de ellos, alhajas, todas elaboradas.
51Moses en de priester Elazar namen al die gouden sieraden van hen aan.
52Y todo el oro de la ofrenda que ofrecieron á Jehová de los tribunos y centuriones, fué diez y seis mil setecientos y cincuenta siclos.
52Al het goud, dat zij als cijns aan Jahweh brachten, bedroeg zestien duizend zeven honderd vijftig sikkels. Dit was van de hoofdmannen over duizend en honderd;
53Los hombres del ejército habían pillado cada uno para sí.
53ook de krijgslieden hadden ieder voor zich nog buit behaald.
54Recibieron, pues, Moisés y el sacerdote Eleazar, el oro de los tribunos y centuriones, y trajéronlo al tabernáculo del testimonio, por memoria de los hijos de Israel delante de Jehová.
54Moses en de priester Elazar namen het goud van de hoofdmannen over duizend en honderd in ontvangst en brachten het naar de openbaringstent, om de Israëlieten bij Jahweh in gedachtenis te houden.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.