Numbers
Chapter 31
King James Version with …
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the LORD spake unto Moses, saying,
1Jahweh sprak tot Moses:
2Avenge the children of Israel of the Midianites: afterward shalt thou be gathered unto thy people.
2Nog moet ge voor de kinderen Israëls wraak nemen op de Midjanieten; daarna zult ge bij uw volk worden verzameld.
3And Moses spake unto the people, saying, Arm some of yourselves unto the war, and let them go against the Midianites, and avenge the LORD of Midian.
3Moses zei dus tot het volk: Laat een deel van uw mannen zich wapenen, om tegen Midjan op te rukken, en de wraak van Jahweh aan Midjan te voltrekken.
4Of every tribe a thousand, throughout all the tribes of Israel, shall ye send to the war.
4Van iedere stam van Israël, moet ge duizend man in het veld brengen.
5So there were delivered out of the thousands of Israel, a thousand of every tribe, twelve thousand armed for war.
5Zo werden uit iedere stam van Israël duizend krijgers aangemonsterd, dus twaalf duizend in het geheel.
6And Moses sent them to the war, a thousand of every tribe, them and Phinehas the son of Eleazar the priest, to the war, with the holy instruments, and the trumpets to blow in his hand.
6En Moses zond die duizend uit iedere stam ten strijde met Pinechas, den zoon van den priester Elazar, wien hij de heilige vaten en de krijgstrompetten meegaf.
7And they warred against the Midianites, as the LORD commanded Moses; and they slew all the males.
7Zij bonden dus de strijd aan tegen de Midjanieten, zoals Jahweh het Moses bevolen had, en doodden alle mannen.
8And they slew the kings of Midian, beside the rest of them that were slain; namely , Evi, and Rekem, and Zur, and Hur, and Reba, five kings of Midian: Balaam also the son of Beor they slew with the sword.
8Behalve de anderen, die zij neersabelden, doodden zij ook de koningen van Midjan, Ewi, Rékem, Soer, Choer en Réba, vijf midjanietische koningen; ook Balaäm, den zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.
9And the children of Israel took all the women of Midian captives, and their little ones, and took the spoil of all their cattle, and all their flocks, and all their goods.
9De Israëlieten maakten de vrouwen en kinderen der Midjanieten krijgsgevangen; al hun vee met al hun have en goed maakten zij buit;
10And they burnt all their cities wherein they dwelt, and all their goodly castles, with fire.
10al de steden, die zij bewoonden, met al hun kampementen staken ze in brand.
11And they took all the spoil, and all the prey, both of men and of beasts.
11Al die roof en buit aan mensen en vee namen zij mee,
12And they brought the captives, and the prey, and the spoil, unto Moses, and Eleazar the priest, and unto the congregation of the children of Israel, unto the camp at the plains of Moab, which are by Jordan near Jericho.
12en brachten de gevangenen met roof en buit naar Moses, en den priester Elazar, en naar de gemeenschap der Israëlieten in de legerplaats in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
13¶ And Moses, and Eleazar the priest, and all the princes of the congregation, went forth to meet them without the camp.
13Moses, de priester Elazar en al de leiders van de gemeenschap trokken hen buiten de legerplaats tegemoet.
14And Moses was wroth with the officers of the host, with the captains over thousands, and captains over hundreds, which came from the battle.
14Maar Moses werd vertoornd op de aanvoerders van het leger, de hoofdmannen over duizend en honderd, die van de strijd terugkeerden,
15And Moses said unto them, Have ye saved all the women alive?
15en zei tot hen: Hoe hebt ge al die vrouwen in leven kunnen laten?
16Behold, these caused the children of Israel, through the counsel of Balaam, to commit trespass against the LORD in the matter of Peor, and there was a plague among the congregation of the LORD .
16Zij zijn toch juist op raad van Balaäm de oorzaak geweest, dat Israël om Peor van Jahweh afviel, zodat er onder de gemeenschap van Jahweh een ramp ontstond.
17Now therefore kill every male among the little ones, and kill every woman that hath known man by lying with him.
17Ge moet dus alle jongens doden, en alle vrouwen, die gemeenschap met een man hebben gehad.
18But all the women children, that have not known a man by lying with him, keep alive for yourselves.
18Maar alle meisjes, die nog geen gemeenschap met een man hebben gehad, moogt ge in leven laten en voor u behouden.
19And do ye abide without the camp seven days: whosoever hath killed any person, and whosoever hath touched any slain, purify both yourselves and your captives on the third day, and on the seventh day.
19Bovendien moet ge zeven dagen lang buiten de legerplaats blijven, en iedereen die een ander heeft gedood of een gesneuvelde heeft aangeraakt, moet zich op de derde en zevende dag reinigen, gij zowel als uw krijgsgevangenen.
20And purify all your raiment, and all that is made of skins, and all work of goats’ hair , and all things made of wood.
20Ook alle kleren, alle leren voorwerpen, al wat uit geitenhaar is vervaardigd, en al wat van hout is, moet gij reinigen.
21¶ And Eleazar the priest said unto the men of war which went to the battle, This is the ordinance of the law which the LORD commanded Moses;
21En de priester Elazar zeide tot de krijgslieden, die ten strijde waren getrokken: Dit is het voorschrift van de wet, die Jahweh Moses heeft gegeven!
22Only the gold, and the silver, the brass, the iron, the tin, and the lead,
22Goud, zilver, brons, ijzer, tin en lood,
23Every thing that may abide the fire, ye shall make it go through the fire, and it shall be clean: nevertheless it shall be purified with the water of separation: and all that abideth not the fire ye shall make go through the water.
23al wat tegen vuur bestand is, moet ge door het vuur halen; dan zal het rein zijn, en behoeft alleen nog met reinigingswater te worden ontsmet. Maar al wat niet tegen vuur is bestand, moet ge door het water halen.
24And ye shall wash your clothes on the seventh day, and ye shall be clean, and afterward ye shall come into the camp.
24Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen; dan zijt gij weer rein, en kunt in de legerplaats terugkeren.
25¶ And the LORD spake unto Moses, saying,
25Daarna sprak Jahweh tot Moses:
26Take the sum of the prey that was taken, both of man and of beast, thou, and Eleazar the priest, and the chief fathers of the congregation:
26Tel met den priester Elazar en de familiehoofden van de gemeenschap mensen en dieren, die aan buit zijn meegebracht,
27And divide the prey into two parts; between them that took the war upon them, who went out to battle, and between all the congregation:
27en verdeel de buit tussen de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, en heel de gemeenschap.
28And levy a tribute unto the LORD of the men of war which went out to battle: one soul of five hundred, both of the persons, and of the beeves, and of the asses, and of the sheep:
28Van de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, moet ge als gave voor Jahweh één op de vijfhonderd heffen van mensen, runderen, ezels en kleinvee;
29Take it of their half, and give it unto Eleazar the priest, for an heave offering of the LORD .
29ge moet het van hun helft nemen en het den priester Elazar geven als een cijns voor Jahweh.
30And of the children of Israel’s half, thou shalt take one portion of fifty, of the persons, of the beeves, of the asses, and of the flocks, of all manner of beasts, and give them unto the Levites, which keep the charge of the tabernacle of the LORD .
30Maar van de helft voor de Israëlieten bestemd moet ge één op de vijftig nemen, van wat voor de hand komt, van mensen, runderen, ezels en kleinvee, en alle andere beesten, en het aan de levieten geven, die dienst doen bij de tabernakel van Jahweh.
31And Moses and Eleazar the priest did as the LORD commanded Moses.
31Moses en de priester Elazar deden, wat Jahweh Moses bevolen had.
32And the booty, being the rest of the prey which the men of war had caught, was six hundred thousand and seventy thousand and five thousand sheep,
32Het overschot van de buit, die het krijgsvolk gemaakt en meegebracht had, bedroeg zes honderd vijf en zeventig duizend schapen,
33And threescore and twelve thousand beeves,
33twee en zeventig duizend runderen,
34And threescore and one thousand asses,
34een en zestig duizend ezels,
35And thirty and two thousand persons in all, of women that had not known man by lying with him.
35en aan mensen, twee en dertig duizend vrouwen, die geen gemeenschap met een man hadden gehad.
36And the half, which was the portion of them that went out to war, was in number three hundred thousand and seven and thirty thousand and five hundred sheep:
36De helft, die toekwam aan hen, die ten strijde waren getrokken, bedroeg: aan schapen drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
37And the LORD’s tribute of the sheep was six hundred and threescore and fifteen.
37en de gave voor Jahweh daarvan zeshonderd vijf en zeventig;
38And the beeves were thirty and six thousand; of which the LORD’s tribute was threescore and twelve.
38aan runderen, zes en dertig duizend, en de gave voor Jahweh daarvan twee en zeventig;
39And the asses were thirty thousand and five hundred; of which the LORD’s tribute was threescore and one.
39aan ezels, dertig duizend vijfhonderd, en de gave voor Jahweh daarvan een en zestig;
40And the persons were sixteen thousand; of which the LORD’s tribute was thirty and two persons.
40aan mensen zestien duizend, en de gave voor Jahweh twee en dertig.
41And Moses gave the tribute, which was the LORD’s heave offering, unto Eleazar the priest, as the LORD commanded Moses.
41Moses stelde die gave als cijns voor Jahweh, aan den priester Elazar ter hand, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
42And of the children of Israel’s half, which Moses divided from the men that warred,
42De helft, die voor de Israëlieten was bestemd, en die Moses van het krijgsvolk, dat was uitgetrokken, had geheven,
43(Now the half that pertained unto the congregation was three hundred thousand and thirty thousand and seven thousand and five hundred sheep,
43deze helft voor de gemeenschap bedroeg: aan schapen, drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
44And thirty and six thousand beeves,
44aan runderen, zes en dertig duizend;
45And thirty thousand asses and five hundred,
45aan ezels dertig duizend vijfhonderd;
46And sixteen thousand persons;)
46en aan mensen, zestien duizend.
47Even of the children of Israel’s half, Moses took one portion of fifty, both of man and of beast, and gave them unto the Levites, which kept the charge of the tabernacle of the LORD ; as the LORD commanded Moses.
47Van deze helft, voor de Israëlieten bestemd, nam Moses één op de vijftig van mensen en vee, zoals het voor de hand kwam, en gaf het aan de levieten, die dienst deden bij de tabernakel, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
48¶ And the officers which were over thousands of the host, the captains of thousands, and captains of hundreds, came near unto Moses:
48Toen traden de aanvoerders van de troepen, de hoofdmannen over duizend en honderd, op Moses toe,
49And they said unto Moses, Thy servants have taken the sum of the men of war which are under our charge, and there lacketh not one man of us.
49en zeiden tot hem: Uw dienaren hebben de strijders, die onder ons stonden, geteld en er ontbreekt er niet één.
50We have therefore brought an oblation for the LORD , what every man hath gotten, of jewels of gold, chains, and bracelets, rings, earrings, and tablets, to make an atonement for our souls before the LORD .
50Daarom brengt ieder van ons de gouden sieraden, die hij heeft buitgemaakt, gespen, armbanden, zegelringen, oorringen en kralen, als gave aan Jahweh, om voor ons verzoening te verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh.
51And Moses and Eleazar the priest took the gold of them, even all wrought jewels.
51Moses en de priester Elazar namen al die gouden sieraden van hen aan.
52And all the gold of the offering that they offered up to the LORD , of the captains of thousands, and of the captains of hundreds, was sixteen thousand seven hundred and fifty shekels.
52Al het goud, dat zij als cijns aan Jahweh brachten, bedroeg zestien duizend zeven honderd vijftig sikkels. Dit was van de hoofdmannen over duizend en honderd;
53( For the men of war had taken spoil, every man for himself.)
53ook de krijgslieden hadden ieder voor zich nog buit behaald.
54And Moses and Eleazar the priest took the gold of the captains of thousands and of hundreds, and brought it into the tabernacle of the congregation, for a memorial for the children of Israel before the LORD .
54Moses en de priester Elazar namen het goud van de hoofdmannen over duizend en honderd in ontvangst en brachten het naar de openbaringstent, om de Israëlieten bij Jahweh in gedachtenis te houden.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.