Liber Numeri 31
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Locutusque est Dominus ad Moysen, dicens:
1Jahweh sprak tot Moses:
2Ulciscere prius filios Israël de Madianitis, et sic colligeris ad populum tuum.
2Nog moet ge voor de kinderen Israëls wraak nemen op de Midjanieten; daarna zult ge bij uw volk worden verzameld.
3Statimque Moyses: Armate, inquit, ex vobis viros ad pugnam, qui possint ultionem Domini expetere de Madianitis.
3Moses zei dus tot het volk: Laat een deel van uw mannen zich wapenen, om tegen Midjan op te rukken, en de wraak van Jahweh aan Midjan te voltrekken.
4Mille viri de singulis tribubus eligantur ex Israël qui mittantur ad bellum.
4Van iedere stam van Israël, moet ge duizend man in het veld brengen.
5Dederuntque millenos de singulis tribubus, id est, duodecim millia expeditorum ad pugnam:
5Zo werden uit iedere stam van Israël duizend krijgers aangemonsterd, dus twaalf duizend in het geheel.
6quos misit Moyses cum Phinees filio Eleazari sacerdotis, vasa quoque sancta, et tubas ad clangendum tradidit ei.
6En Moses zond die duizend uit iedere stam ten strijde met Pinechas, den zoon van den priester Elazar, wien hij de heilige vaten en de krijgstrompetten meegaf.
7Cumque pugnassent contra Madianitas atque vicissent, omnes mares occiderunt,
7Zij bonden dus de strijd aan tegen de Midjanieten, zoals Jahweh het Moses bevolen had, en doodden alle mannen.
8et reges eorum, Evi, et Recem, et Sur, et Hur, et Rebe, quinque principes gentis: Balaam quoque filium Beor interfecerunt gladio.
8Behalve de anderen, die zij neersabelden, doodden zij ook de koningen van Midjan, Ewi, Rékem, Soer, Choer en Réba, vijf midjanietische koningen; ook Balaäm, den zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.
9Ceperuntque mulieres eorum, et parvulos, omniaque pecora, et cunctam supellectilem: quidquid habere potuerant depopulati sunt:
9De Israëlieten maakten de vrouwen en kinderen der Midjanieten krijgsgevangen; al hun vee met al hun have en goed maakten zij buit;
10tam urbes quam viculos et castella flamma consumpsit.
10al de steden, die zij bewoonden, met al hun kampementen staken ze in brand.
11Et tulerunt prædam, et universa quæ ceperant tam ex hominibus quam ex jumentis,
11Al die roof en buit aan mensen en vee namen zij mee,
12et adduxerunt ad Moysen, et Eleazarum sacerdotem, et ad omnem multitudinem filiorum Israël: reliqua autem utensilia portaverunt ad castra in campestribus Moab juxta Jordanem contra Jericho.
12en brachten de gevangenen met roof en buit naar Moses, en den priester Elazar, en naar de gemeenschap der Israëlieten in de legerplaats in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
13Egressi sunt autem Moyses et Eleazar sacerdos, et omnes principes synagogæ, in occursum eorum extra castra.
13Moses, de priester Elazar en al de leiders van de gemeenschap trokken hen buiten de legerplaats tegemoet.
14Iratusque Moyses principibus exercitus, tribunis, et centurionibus qui venerant de bello,
14Maar Moses werd vertoornd op de aanvoerders van het leger, de hoofdmannen over duizend en honderd, die van de strijd terugkeerden,
15ait: Cur feminas reservastis?
15en zei tot hen: Hoe hebt ge al die vrouwen in leven kunnen laten?
16nonne istæ sunt, quæ deceperunt filios Israël ad suggestionem Balaam, et prævaricari vos fecerunt in Domino super peccato Phogor, unde et percussus est populus?
16Zij zijn toch juist op raad van Balaäm de oorzaak geweest, dat Israël om Peor van Jahweh afviel, zodat er onder de gemeenschap van Jahweh een ramp ontstond.
17ergo cunctos interficite quidquid est generis masculinis, etiam in parvulis: et mulieres, quæ noverunt viros in coitu, jugulate:
17Ge moet dus alle jongens doden, en alle vrouwen, die gemeenschap met een man hebben gehad.
18puellas autem et omnes feminas virgines reservate vobis:
18Maar alle meisjes, die nog geen gemeenschap met een man hebben gehad, moogt ge in leven laten en voor u behouden.
19et manete extra castra septem diebus. Qui occiderit hominem, vel occisum tetigerit, lustrabitur die tertio et septimo.
19Bovendien moet ge zeven dagen lang buiten de legerplaats blijven, en iedereen die een ander heeft gedood of een gesneuvelde heeft aangeraakt, moet zich op de derde en zevende dag reinigen, gij zowel als uw krijgsgevangenen.
20Et de omni præda, sive vestimentum fuerit, sive vas, et aliquid in utensilia præparatum, de caprarum pellibus, et pilis, et ligno, expiabitur.
20Ook alle kleren, alle leren voorwerpen, al wat uit geitenhaar is vervaardigd, en al wat van hout is, moet gij reinigen.
21Eleazar quoque sacerdos ad viros exercitus, qui pugnaverunt, sic locutus est: Hoc est præceptum legis, quod mandavit Dominus Moysi:
21En de priester Elazar zeide tot de krijgslieden, die ten strijde waren getrokken: Dit is het voorschrift van de wet, die Jahweh Moses heeft gegeven!
22aurum, et argentum, et æs, et ferrum, et plumbum, et stannum,
22Goud, zilver, brons, ijzer, tin en lood,
23et omne, quod potest transire per flammas, igne purgabitur: quidquid autem ignem non potest sustinere, aqua expiationis sanctificabitur:
23al wat tegen vuur bestand is, moet ge door het vuur halen; dan zal het rein zijn, en behoeft alleen nog met reinigingswater te worden ontsmet. Maar al wat niet tegen vuur is bestand, moet ge door het water halen.
24et lavabitis vestimenta vestra die septimo, et purificati postea castra intrabitis.
24Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen; dan zijt gij weer rein, en kunt in de legerplaats terugkeren.
25Dixit quoque Dominus ad Moysen:
25Daarna sprak Jahweh tot Moses:
26Tollite summam eorum quæ capta sunt, ab homine usque ad pecus, tu et Eleazar sacerdos et principes vulgi:
26Tel met den priester Elazar en de familiehoofden van de gemeenschap mensen en dieren, die aan buit zijn meegebracht,
27dividesque ex æquo prædam inter eos qui pugnaverunt egressique sunt ad bellum, et inter omnem reliquam multitudinem.
27en verdeel de buit tussen de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, en heel de gemeenschap.
28Et separabis partem Domino ab his qui pugnaverunt et fuerunt in bello, unam animam de quingentis, tam ex hominibus quam ex bobus et asinis et ovibus,
28Van de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, moet ge als gave voor Jahweh één op de vijfhonderd heffen van mensen, runderen, ezels en kleinvee;
29et dabis eam Eleazaro sacerdoti, quia primitiæ Domini sunt.
29ge moet het van hun helft nemen en het den priester Elazar geven als een cijns voor Jahweh.
30Ex media quoque parte filiorum Israël accipies quinquagesimum caput hominum, et boum, et asinorum, et ovium, cunctorum animantium, et dabis ea Levitis, qui excubant in custodiis tabernaculi Domini.
30Maar van de helft voor de Israëlieten bestemd moet ge één op de vijftig nemen, van wat voor de hand komt, van mensen, runderen, ezels en kleinvee, en alle andere beesten, en het aan de levieten geven, die dienst doen bij de tabernakel van Jahweh.
31Feceruntque Moyses et Eleazar sicut præceperat Dominus.
31Moses en de priester Elazar deden, wat Jahweh Moses bevolen had.
32Fuit autem præda, quam exercitus ceperat, ovium sexcenta septuaginta quinque millia,
32Het overschot van de buit, die het krijgsvolk gemaakt en meegebracht had, bedroeg zes honderd vijf en zeventig duizend schapen,
33boum septuaginta duo millia,
33twee en zeventig duizend runderen,
34asinorum sexaginta millia et mille:
34een en zestig duizend ezels,
35animæ hominum sexus feminei, quæ non cognoverant viros, triginta duo millia.
35en aan mensen, twee en dertig duizend vrouwen, die geen gemeenschap met een man hadden gehad.
36Dataque est media pars his qui in prælio fuerant, ovium trecenta triginta septem millia quingentæ:
36De helft, die toekwam aan hen, die ten strijde waren getrokken, bedroeg: aan schapen drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
37e quibus in partem Domini supputatæ sunt oves sexcentæ septuaginta quinque:
37en de gave voor Jahweh daarvan zeshonderd vijf en zeventig;
38et de bobus triginta sex millibus, boves septuaginta et duo:
38aan runderen, zes en dertig duizend, en de gave voor Jahweh daarvan twee en zeventig;
39de asinis triginta millibus quingentis, asini sexaginta unus:
39aan ezels, dertig duizend vijfhonderd, en de gave voor Jahweh daarvan een en zestig;
40de animabus hominum sedecim millibus, cesserunt in partem Domini triginta duæ animæ.
40aan mensen zestien duizend, en de gave voor Jahweh twee en dertig.
41Tradiditque Moyses numerum primitiarum Domini Eleazaro sacerdoti, sicut fuerat ei imperatum,
41Moses stelde die gave als cijns voor Jahweh, aan den priester Elazar ter hand, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
42ex media parte filiorum Israël, quam separaverat his qui in prælio fuerant.
42De helft, die voor de Israëlieten was bestemd, en die Moses van het krijgsvolk, dat was uitgetrokken, had geheven,
43De media vero parte, quæ contigerat reliquæ multitudini, id est, de ovibus trecentis triginta septem millibus quingentis,
43deze helft voor de gemeenschap bedroeg: aan schapen, drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
44et de bobus triginta sex millibus,
44aan runderen, zes en dertig duizend;
45et de asinis triginta millibus quingentis,
45aan ezels dertig duizend vijfhonderd;
46et de hominibus sedecim millibus,
46en aan mensen, zestien duizend.
47tulit Moyses quinquagesimum caput, et dedit Levitis, qui excubabant in tabernaculo Domini, sicut præceperat Dominus.
47Van deze helft, voor de Israëlieten bestemd, nam Moses één op de vijftig van mensen en vee, zoals het voor de hand kwam, en gaf het aan de levieten, die dienst deden bij de tabernakel, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
48Cumque accessissent principes exercitus ad Moysen, et tribuni, centurionesque, dixerunt:
48Toen traden de aanvoerders van de troepen, de hoofdmannen over duizend en honderd, op Moses toe,
49Nos servi tui recensuimus numerum pugnatorum, quos habuimus sub manu nostra: et ne unus quidem defuit.
49en zeiden tot hem: Uw dienaren hebben de strijders, die onder ons stonden, geteld en er ontbreekt er niet één.
50Ob hanc causam offerimus in donariis Domini singuli quod in præda auri potuimus invenire, periscelides et armillas, annulos et dextralia, ac murænulas, ut depreceris pro nobis Dominum.
50Daarom brengt ieder van ons de gouden sieraden, die hij heeft buitgemaakt, gespen, armbanden, zegelringen, oorringen en kralen, als gave aan Jahweh, om voor ons verzoening te verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh.
51Susceperuntque Moyses et Eleazar sacerdos omne aurum in diversis speciebus,
51Moses en de priester Elazar namen al die gouden sieraden van hen aan.
52pondo sedecim millia septingentos quinquaginta siclos, a tribunis et centurionibus.
52Al het goud, dat zij als cijns aan Jahweh brachten, bedroeg zestien duizend zeven honderd vijftig sikkels. Dit was van de hoofdmannen over duizend en honderd;
53Unusquisque enim quod in præda rapuerat, suum erat.
53ook de krijgslieden hadden ieder voor zich nog buit behaald.
54Et susceptum intulerunt in tabernaculum testimonii, in monimentum filiorum Israël coram Domino.
54Moses en de priester Elazar namen het goud van de hoofdmannen over duizend en honderd in ontvangst en brachten het naar de openbaringstent, om de Israëlieten bij Jahweh in gedachtenis te houden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.