Liber Numeri
Chapter 34
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Liber Numeri 34

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Locutusque est Dominus ad Moysen, dicens:
1Jahweh sprak tot Moses:
2Præcipe filiis Israël, et dices ad eos: Cum ingressi fueritis terram Chanaan, et in possessionem vobis sorte ceciderit, his finibus terminabitur.
2Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer ge in het land Kanaän komt, dan zullen dit de grenzen zijn van het land Kanaän, dat uw erfdeel is.
3Pars meridiana incipiet a solitudine Sin, quæ est juxta Edom: et habebit terminos contra orientem mare salsissimum.
3De zuidgrens zal lopen van de woestijn Sin langs Edom, en in het oosten beginnen bij het einde van de Zoutzee.
4Qui circuibunt australem plagam per ascensum Scorpionis, ita ut transeant in Senna, et perveniant a meridie usque ad Cadesbarne, unde egredientur confinia ad villam nomine Adar, et tendent usque ad Asemona.
4Dan zal de grens zich ten zuiden bij de pas van Akrabbim ombuigen, doorlopen tot Sin, en Kadesj-Barnéa zal haar meest zuidelijke punt vormen. Vandaar zal zij zich uitstrekken tot Chasar-Addar en doorlopen tot Asmon.
5Ibitque per gyrum terminus ab Asemona usque ad torrentem Ægypti, et maris magni littore finietur.
5Van Asmon zal de grens ombuigen naar de beek van Egypte, en haar eindpunt zal de zee zijn.
6Plaga autem occidentalis a mari magno incipiet, et ipso fine claudetur.
6Wat nu de westgrens betreft, zo dient de Grote Zee tegelijk als grens; die vormt uw westgrens.
7Porro ad septentrionalem plagam a mari magno termini incipient, pervenientes usque ad montem altissimum,
7Dit zal voor u de noordelijke grens zijn: Van de Grote Zee af moet ge de grenslijn trekken naar de berg Hor,
8a quo venient in Emath usque ad terminos Sedada:
8en van de berg Hor ze doortrekken tot bij Chamat, met Sedad als haar uiterste punt.
9ibuntque confinia usque ad Zephrona, et villam Enan. Hi erunt termini in parte aquilonis.
9Vandaar zal de grens doorlopen naar Zifron met Chasar-Enan als eindpunt. Dit zal uw noordgrens zijn.
10Inde metabuntur fines contra orientalem plagam de villa Enan usque Sephama,
10Uw oostgrens zult ge trekken van Chasar-Enan naar Sjefam.
11et de Sephama descendent termini in Rebla contra fontem Daphnim: inde pervenient contra orientem ad mare Cenereth,
11Van Sjefam zal de grens afdalen naar Ribla, ten oosten van Ain, en verder uitlopen op de bergrug ten oosten van het meer van Gennezaret.
12et tendent usque ad Jordanem, et ad ultimum salsissimo claudentur mari. Hanc habebitis terram per fines suos in circuitu.
12Dan daalt de grens af naar de Jordaan, en loopt uit op de Zoutzee. Dit zal uw land zijn met zijn grenzen rondom.
13Præcepitque Moyses filiis Israël, dicens: Hæc erit terra, quam possidebitis sorte, et quam jussit Dominus dari novem tribubus, et dimidiæ tribui.
13Moses beval de Israëlieten, en zeide: Dit is het land, dat gij door loting moet verdelen, daar Jahweh bevolen heeft, het aan de negen en halve stam te geven.
14Tribus enim filiorum Ruben per familias suas, et tribus filiorum Gad juxta cognationum numerum, media quoque tribus Manasse,
14Want de families van de stam der Rubenieten en Gadieten en die van de halve stam van Manasse hebben hun erfdeel al ontvangen.
15id est, duæ semis tribus, acceperunt partem suam trans Jordanem contra Jericho ad orientalem plagam.
15De twee en een halve stam hebben hun aandeel ontvangen aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, dus aan de oostkant.
16Et ait Dominus ad Moysen:
16En Jahweh sprak tot Moses:
17Hæc sunt nomina virorum qui terram vobis divident, Eleazar sacerdos, et Josue filius Nun,
17De volgende mannen moeten het land onder u verdelen: De priester Elazar en Josuë, de zoon van Noen;
18et singuli principes de tribubus singulis,
18verder moet gij uit iedere stam één stamhoofd nemen, om het land te verdelen.
19quorum ista sunt vocabula. De tribu Juda, Caleb filius Jephone.
19Dit zijn de namen van die mannen: Van de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefoenne;
20De tribu Simeon, Samuel filius Ammiud.
20van de stam der Simeonieten Sjemoeël, de zoon van Ammihoed;
21De tribu Benjamin, Elidad filius Chaselon.
21van de stam Benjamin Elidad, de zoon van Kislon;
22De tribu filiorum Dan, Bocci filius Jogli.
22van de stam der Danieten het stamhoofd Boekki, de zoon van Jogli;
23Filiorum Joseph de tribu Manasse, Hanniel filius Ephod.
23van de zonen van Josef, van de stam der Manassieten het stamhoofd Channiël, de zoon van Efod,
24De tribu Ephraim, Camuel filius Sephthan.
24en van de stam der Efraïmieten het stamhoofd Kemoeël, de zoon van Sjiftan;
25De tribu Zabulon, Elisaphan filius Pharnach.
25van de stam der Zabulonieten het stamhoofd Elisafan, de zoon van Parnak;
26De tribu Issachar, dux Phaltiel filius Ozan.
26van de stam der Issakarieten het stamhoofd Paltiël, de zoon van Azzan;
27De tribu Aser, Ahiud filius Salomi.
27van de stam der Aserieten het stamhoofd Achihoed, de zoon van Sjelomi;
28De tribu Nephthali, Phedaël filius Ammiud.
28van de stam der Neftalieten het stamhoofd Pedaël, de zoon van Ammihoed.
29Hi sunt, quibus præcepit Dominus ut dividerent filiis Israël terram Chanaan.
29Aan hen gaf Jahweh bevel het land Kanaän onder de kinderen Israëls te verdelen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.