Lampah
Chapter 34
Baibal Olcim (Matupi Chin)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Lampah 34

Baibal Olcim (Matupi Chin)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1BOEIPA loh Moses te a voek tih,
1Jahweh sprak tot Moses:
2“Israel ca rhoek te uen lamtah amih te thui pah. Nangmih Kanaan khohmuen la aka kun rhoek aw, khohmuen he tah nangmih ham Kanaan khohmuen kah rho la a rhibawn neh ha yalh bitni.
2Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer ge in het land Kanaän komt, dan zullen dit de grenzen zijn van het land Kanaän, dat uw erfdeel is.
3Tuithim baengki ah Zin khosoek lamloh Edom ngong phai Edom te nangmih ham om bitni. Tuithim khorhi tah lungkaeh li a bawt lamloh khothoeng hil nangmih ham om bitni.
3De zuidgrens zal lopen van de woestijn Sin langs Edom, en in het oosten beginnen bij het einde van de Zoutzee.
4Nangmih ham khorhi tah tuithim kah Akrabbim kham ah a hil vetih Zin a poeng duela om ni. Te phoeiah Kadeshbarnea tuithim lamloh a hmoi ah pawk vetih Hazaraddar a pha phoeiah Azmon la pawk ni.
4Dan zal de grens zich ten zuiden bij de pas van Akrabbim ombuigen, doorlopen tot Sin, en Kadesj-Barnéa zal haar meest zuidelijke punt vormen. Vandaar zal zij zich uitstrekken tot Chasar-Addar en doorlopen tot Asmon.
5Azmon lamkah soklong khorhi te Egypt la a hil vetih a bawtnah tuipuei ah om ni.
5Van Asmon zal de grens ombuigen naar de beek van Egypte, en haar eindpunt zal de zee zijn.
6Khotlak kah khorhi te khaw tuipuei len hil te nangmih ham om vetih khotlak khorhi te nangmih ham khorhi la om ni.
6Wat nu de westgrens betreft, zo dient de Grote Zee tegelijk als grens; die vormt uw westgrens.
7Tlangpuei khorhi te tuipuei len lamloh nangmih ham om vetih Hor tlang te namamih ham thuun thil uh.
7Dit zal voor u de noordelijke grens zijn: Van de Grote Zee af moet ge de grenslijn trekken naar de berg Hor,
8Hor tlang lamloh Lebokhamath te thuun uh lamtah khorhi hmoi te Zedad la pawk saeh.
8en van de berg Hor ze doortrekken tot bij Chamat, met Sedad als haar uiterste punt.
9Te phoeiah khorhi te Ziphron la pawk vetih Hazarenan ah a bawt om ni. He tah nangmih ham tlangpuei kah khorhi la om ni.
9Vandaar zal de grens doorlopen naar Zifron met Chasar-Enan als eindpunt. Dit zal uw noordgrens zijn.
10Khothoeng kah khorhi te Hazarenan lamloh Shepham duela nangmih ham thuun sak.
10Uw oostgrens zult ge trekken van Chasar-Enan naar Sjefam.
11Riblah Shepham lamkah khorhi te Ayin khothoeng ah suntla saeh lamtah khorhi aka suntla te khothoeng kah Kinnereth tuipuei kah hlaep la khoe saeh.
11Van Sjefam zal de grens afdalen naar Ribla, ten oosten van Ain, en verder uitlopen op de bergrug ten oosten van het meer van Gennezaret.
12Khorhi te Jordan la suntla bal saeh lamtah a bawtnah te lungkaeh li ah om saeh. He tah khohmuen kaepvai ah nangmih ham rhilung la om ni,” a ti nah.
12Dan daalt de grens af naar de Jordaan, en loopt uit op de Zoutzee. Dit zal uw land zijn met zijn grenzen rondom.
13Te phoeiah Moses loh Israel ca rhoek te a uen tih, “BOEIPA loh koca pako neh koca rhakthuem taengah paek ham a uen vanbangla khohmuen he hmulung neh tael uh.
13Moses beval de Israëlieten, en zeide: Dit is het land, dat gij door loting moet verdelen, daar Jahweh bevolen heeft, het aan de negen en halve stam te geven.
14A napa rhoek kah imsawn tarhing ah Reuben ca rhoek kah koca neh a napa rhoek imsawn tarhing ah Gad ca rhoek koca loh a yo uh. Amih kah rho te Manasseh koca rhakthuem a loh.
14Want de families van de stam der Rubenieten en Gadieten en die van de halve stam van Manasse hebben hun erfdeel al ontvangen.
15Koca panit neh koca rhakthuem loh a rho te khothoeng ah khocuk kah Jerikho Jordan kah rhalvangan ah a doe uh coeng, ” a ti nah.
15De twee en een halve stam hebben hun aandeel ontvangen aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, dus aan de oostkant.
16BOEIPA loh Moses te a voek tih,
16En Jahweh sprak tot Moses:
17He kah ming aka om hlang rhoi, khosoih Eleazar neh Nun capa Joshua loh nangmih ham khohmuen han tael bitni.
17De volgende mannen moeten het land onder u verdelen: De priester Elazar en Josuë, de zoon van Noen;
18Khoboei khaw koca pakhat lamloh khoboei pakhat tah khohmuen aka tael la lo.
18verder moet gij uit iedere stam één stamhoofd nemen, om het land te verdelen.
19He hlang rhoek a ming tah, Judah koca lamloh Jephunneh capa Kaleb,
19Dit zijn de namen van die mannen: Van de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefoenne;
20Simeon ca rhoek kah koca lamloh Ammihud capa Samuel,
20van de stam der Simeonieten Sjemoeël, de zoon van Ammihoed;
21Benjamin koca lamloh Khislon capa Elidad,
21van de stam Benjamin Elidad, de zoon van Kislon;
22Dan ca rhoek koca kah khoboei Jogli capa Bukki,
22van de stam der Danieten het stamhoofd Boekki, de zoon van Jogli;
23Joseph capa Manasseh ca rhoek kah koca lamloh Ephod capa khoboei Hanniel,
23van de zonen van Josef, van de stam der Manassieten het stamhoofd Channiël, de zoon van Efod,
24Ephraim ca rhoek kah koca lamloh Shiphtan capa khoboei Kemuel,
24en van de stam der Efraïmieten het stamhoofd Kemoeël, de zoon van Sjiftan;
25Zebulun ca rhoek kah koca lamloh Parnach capa khoboei Elizaphan,
25van de stam der Zabulonieten het stamhoofd Elisafan, de zoon van Parnak;
26Issakhar ca rhoek kah koca lamloh Azzan capa khoboei Paltiel,
26van de stam der Issakarieten het stamhoofd Paltiël, de zoon van Azzan;
27Asher ca rhoek kah koca lamloh Shelomi capa khoboei Ahihud,
27van de stam der Aserieten het stamhoofd Achihoed, de zoon van Sjelomi;
28Naphtali ca rhoek kah koca lamloh Ammihud capa khoboei Pedahel saeh,” a ti nah.
28van de stam der Neftalieten het stamhoofd Pedaël, de zoon van Ammihoed.
29Te rhoek te Kanaan khohmuen ah Israel ca rhoek phaeng sak ham BOEIPA loh a uen.
29Aan hen gaf Jahweh bevel het land Kanaän onder de kinderen Israëls te verdelen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.