Nombres 33
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Voici les stations des enfants d’Israël qui sortirent du pays d’Égypte, selon leurs corps d’armée, sous la conduite de Moïse et d’Aaron.
1Dit zijn de halten van de Israëlieten, nadat zij onder leiding van Moses en Aäron met hun legerscharen uit Egypte waren opgetrokken.
2Moïse écrivit leurs marches de station en station, d’après l’ordre de l’Éternel. Et voici leurs stations, selon leurs marches.
2Op bevel van Jahweh schreef Moses hun zwerftochten op volgens de halten, die zij hadden gemaakt. En dit waren hun verschillende halten, die zij op hun zwerftochten hadden gemaakt.
3Ils partirent de Ramsès le premier mois, le quinzième jour du premier mois. Le lendemain de la Pâque, les enfants d’Israël sortirent la main levée, à la vue de tous les Égyptiens.
3Op de vijftiende dag van de eerste maand, braken zij op van Raämses, daags na Pasen trokken de Israëlieten onder machtige schutse ten aanschouwen van heel Egypte weg,
4Et les Égyptiens enterraient ceux que l’Éternel avait frappés parmi eux, tous les premiers-nés; l’Éternel exerçait aussi des jugements contre leurs dieux.
4terwijl de Egyptenaren al de eerstgeborenen begroeven, die Jahweh onder hen had getroffen, en Jahweh aan hun goden de strafgerichten voltrok.
5Les enfants d’Israël partirent de Ramsès, et campèrent à Succoth.
5Nadat de Israëlieten van Raämses waren opgetrokken, legerden zij zich te Soekkot.
6Ils partirent de Succoth, et campèrent à Étham, qui est à l’extrémité du désert.
6Van Soekkot trokken zij verder en legerden zich te Etam, dat op de grens van de woestijn ligt.
7Ils partirent d’Étham, se détournèrent vers Pi-Hahiroth, vis-à-vis de Baal-Tsephon, et campèrent devant Migdol.
7Van Etam trokken zij verder, maar sloegen de richting in naar Pi-Hachirot, dat ten oosten van Báal-Sefon ligt, en legerden zich voor Migdol.
8Ils partirent de devant Pi-Hahiroth, et passèrent au milieu de la mer dans la direction du désert; ils firent trois journées de marche dans le désert d’Étham, et campèrent à Mara.
8Van Pi-Hachirot trokken zij verder, gingen midden door de zee naar de woestijn, trokken drie dagreizen ver de woestijn Etam in, en legerden zich te Mara.
9Ils partirent de Mara, et arrivèrent à Élim; il y avait à Élim douze sources d’eau et soixante-dix palmiers: ce fut là qu’ils campèrent.
9Van Mara trokken zij verder, en kwamen te Elim; te Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar.
10Ils partirent d’Élim, et campèrent près de la mer Rouge.
10Van Elim trokken zij verder, en legerden zich aan de Rode Zee.
11Ils partirent de la mer Rouge, et campèrent dans le désert de Sin.
11Van de Rode Zee trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin.
12Ils partirent du désert de Sin, et campèrent à Dophka.
12Van de woestijn Sin trokken zij verder, en legerden zich te Dofka.
13Ils partirent de Dophka, et campèrent à Alusch.
13Van Dofka trokken zij verder, en legerden zich te Aloesj.
14Ils partirent d’Alusch, et campèrent à Rephidim, où le peuple ne trouva point d’eau à boire.
14Van Aloesj trokken zij verder, en legerden zich te Refidim; daar was geen water voor het volk, om te drinken.
15Ils partirent de Rephidim, et campèrent dans le désert de Sinaï.
15Van Refidim trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn van de Sinaï.
16Ils partirent du désert du Sinaï, et campèrent à Kibroth-Hattaava.
16Van de woestijn Sinaï trokken zij verder, en legerden zich te Kibrot-Hattaäwa.
17Ils partirent de Kibroth-Hattaava, et campèrent à Hatséroth.
17Van Kibrot-Hattaäwa trokken zij verder, en legerden zich te Chaserot.
18Ils partirent de Hatséroth, et campèrent à Rithma.
18Van Chaserot trokken zij verder, en legerden zich te Ritma.
19Ils partirent de Rithma, et campèrent à Rimmon-Pérets.
19Van Ritma trokken zij verder, en legerden zich te Rimmon-Péres.
20Ils partirent de Rimmon-Pérets, et campèrent à Libna.
20Van Rimmon-Péres trokken zij verder, en legerden zich te Libna.
21Ils partirent de Libna, et campèrent à Rissa.
21Van Libna trokken zij verder, en legerden zich te Rissa.
22Ils partirent de Rissa, et campèrent à Kehélatha.
22Van Rissa trokken zij verder, en legerden zich te Keheláta.
23Ils partirent de Kehélatha, et campèrent à la montagne de Schapher.
23Van Keheláta trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Sjéfer.
24Ils partirent de la montagne de Schapher, et campèrent à Harada.
24Van de berg Sjéfer trokken zij verder, en legerden zich te Charada.
25Ils partirent de Harada, et campèrent à Makhéloth.
25Van Charada trokken zij verder, en legerden zich te Makhelot.
26Ils partirent de Makhéloth, et campèrent à Tahath.
26Van Makhelot trokken zij verder, en legerden zich te Táchat.
27Ils partirent de Tahath, et campèrent à Tarach.
27Van Táchat trokken zij verder, en legerden zich te Térach.
28Ils partirent de Tarach, et campèrent à Mithka.
28Van Térach trokken zij verder, en legerden zich te Mitka.
29Ils partirent de Mithka, et campèrent à Haschmona.
29Van Mitka trokken zij verder, en legerden zich te Chasjmona.
30Ils partirent de Haschmona, et campèrent à Moséroth.
30Van Chasjmona trokken zij verder, en legerden zich te Moserot.
31Ils partirent de Moséroth, et campèrent à Bené-Jaakan.
31Van Moserot trokken zij verder, en legerden zich te Bene-Jaäkan.
32Ils partirent de Bené-Jaakan, et campèrent à Hor-Guidgad.
32Van Bene-Jaäkan trokken zij verder, en legerden zich te Chor-Haggidgad.
33Ils partirent de Hor-Guidgad, et campèrent à Jothbatha.
33Van Chor-Haggidgad trokken zij verder, en legerden zich te Jotbáta.
34Ils partirent de Jothbatha, et campèrent à Abrona.
34Van Jotbáta trokken zij verder, en legerden zich te Abrona.
35Ils partirent d’Abrona, et campèrent à Étsjon-Guéber.
35Van Abrona trokken zij verder, en legerden zich te Es-jon-Géber.
36Ils partirent d’Étsjon-Guéber, et campèrent dans le désert de Tsin: c’est Kadès.
36Van Es-jon-Géber trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin, dat is Kadesj.
37Ils partirent de Kadès, et campèrent à la montagne de Hor, à l’extrémité du pays d’Édom.
37Van Kadesj trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Hor aan de grens van het land Edom.
38Le sacrificateur Aaron monta sur la montagne de Hor, suivant l’ordre de l’Éternel; et il y mourut, la quarantième année après la sortie des enfants d’Israël du pays d’Égypte, le cinquième mois, le premier jour du mois.
38De priester Aäron besteeg op bevel van Jahweh de berg Hor, en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste van de vijfde maand.
39Aaron était âgé de cent vingt-trois ans lorsqu’il mourut sur la montagne de Hor.
39Aäron was honderd drie en twintig jaar oud, toen hij op de berg Hor stierf.
40Le roi d’Arad, Cananéen, qui habitait le midi du pays de Canaan, apprit l’arrivée des enfants d’Israël.
40Daar de kanaänietische koning van Arad, die in de Négeb van het land Kanaän woonde, vernomen had, dat de Israëlieten in aantocht waren,
41Ils partirent de la montagne de Hor, et campèrent à Tsalmona.
41trokken zij van de berg Hor verder, en legerden zich te Salmona.
42Ils partirent de Tsalmona, et campèrent à Punon.
42Van Salmona trokken zij verder, en legerden zich te Poenon.
43Ils partirent de Punon, et campèrent à Oboth.
43Van Poenon trokken zij verder, en legerden zich te Obot.
44Ils partirent d’Oboth, et campèrent à Ijjé-Abarim, sur la frontière de Moab.
44Van Obot trokken zij verder, en legerden zich te Ijje-Haäbarim, in het gebied van Moab.
45Ils partirent d’Ijjé-Abarim, et campèrent à Dibon-Gad.
45Van Ijje-Haäbarim trokken zij verder, en legerden zich te Dibon-Gad.
46Ils partirent de Dibon-Gad, et campèrent à Almon-Diblathaïm.
46Van Dibon-Gad trokken zij verder, en legerden zich te Almon-Diblatáim.
47Ils partirent d’Almon-Diblathaïm, et campèrent aux montagnes d’Abarim, devant Nebo.
47Van Almon-Diblatáim trokken zij verder, en legerden zich bij het gebergte Abarim tegenover Nebo.
48Ils partirent des montagnes d’Abarim, et campèrent dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho.
48Van het gebergte Abarim trokken zij verder, en legerden zich in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
49Ils campèrent près du Jourdain, depuis Beth-Jeschimoth jusqu’à Abel-Sittim, dans les plaines de Moab.
49Hun legerplaatsen bij de Jordaan strekten zich uit van Bet-Hajjesjimot af tot aan Abel-Hassjittim in de velden van Moab.
50L’Éternel parla à Moïse dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho. Il dit:
50In de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho sprak Jahweh tot Moses:
51Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur: Lorsque vous aurez passé le Jourdain et que vous serez entrés dans le pays de Canaan,
51Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer gij de Jordaan zijt overgetrokken naar het land Kanaän,
52vous chasserez devant vous tous les habitants du pays, vous détruirez toutes leurs idoles de pierre, vous détruirez toutes leurs images de fonte, et vous détruirez tous leurs hauts lieux.
52dan moet gij al de bewoners van het land verjagen, en al hun gehouwen beelden stukslaan, al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten verwoesten.
53Vous prendrez possession du pays, et vous vous y établirez; car je vous ai donné le pays, pour qu’il soit votre propriété.
53Dan zult gij het land in bezit nemen en er u vestigen; want aan u heb Ik het land in eigendom gegeven.
54Vous partagerez le pays par le sort, selon vos familles. A ceux qui sont en plus grand nombre vous donnerez une portion plus grande, et à ceux qui sont en plus petit nombre vous donnerez une portion plus petite. Chacun possédera ce qui lui sera échu par le sort: vous le recevrez en propriété, selon les tribus de vos pères.
54Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen; aan een talrijk geslacht moet gij een groot stuk geven, aan een minder talrijk een klein. Ge moet het dus onder de voorvaderlijke stammen zo verdelen, dat iedereen krijgt, wat hem door het lot wordt toegewezen.
55Mais si vous ne chassez pas devant vous les habitants du pays, ceux d’entre eux que vous laisserez seront comme des épines dans vos yeux et des aiguillons dans vos côtés, ils seront vos ennemis dans le pays où vous allez vous établir.
55Maar wanneer gij de bewoners van het land niet verjaagt, dan zullen zij, die gij ervan overlaat, als doornen in uw ogen zijn en als prikkels in uw zijden; zij zullen u in uw eigen land verdrukken.
56Et il arrivera que je vous traiterai comme j’avais résolu de les traiter.
56En zoals Ik besloten had, hen te behandelen, zo zal Ik het u doen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.