Lamentationes 5
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Recordare, Domine, quid acciderit nobis; intuere et respice opprobrium nostrum.
1Gedenk toch, Jahweh, wat wij verduren, Zie toe, en aanschouw onze smaad:
2Hæreditas nostra versa est ad alienos, domus nostræ ad extraneos.
2Ons erfdeel is aan anderen vervallen, Onze huizen aan vreemden.
3Pupilli facti sumus absque patre, matres nostræ quasi viduæ.
3Wezen zijn wij, vaderloos, Als weduwen zijn onze moeders;
4Aquam nostram pecunia bibimus; ligna nostra pretio comparavimus.
4Ons water drinken wij voor geld, Wij moeten ons eigen hout betalen.
5Cervicibus nostris minabamur, lassis non dabatur requies.
5Voortgezweept, met het juk om de hals, Uitgeput, maar men gunt ons geen rust!
6Ægypto dedimus manum et Assyriis, ut saturaremur pane.
6Naar Egypte steken wij de handen uit, Naar Assjoer om brood!
7Patres nostri peccaverunt, et non sunt: et nos iniquitates eorum portavimus.
7Onze vaderen hebben gezondigd: zij zijn niet meer, Wij dragen hun schuld:
8Servi dominati sunt nostri: non fuit qui redimeret de manu eorum.
8Slaven zijn onze heersers, En niemand, die ons uit hun handen verlost.
9In animabus nostris afferebamus panem nobis, a facie gladii in deserto.
9Met gevaar voor ons leven halen wij brood, Voor het dreigende zwaard der woestijn;
10Pellis nostra quasi clibanus exusta est, a facie tempestatum famis.
10Onze huid is heet als een oven, Door de koorts van de honger.
11Mulieres in Sion humiliaverunt, et virgines in civitatibus Juda.
11De vrouwen worden in Sion onteerd, De maagden in de steden van Juda;
12Principes manu suspensi sunt; facies senum non erubuerunt.
12Vorsten door hen opgehangen, Geen oudsten gespaard.
13Adolescentibus impudice abusi sunt, et pueri in ligno corruerunt.
13De jongens moeten de molensteen torsen, De knapen bezwijken onder het hout;
14Senes defecerunt de portis, juvenes de choro psallentium.
14Geen grijsaards meer in de poorten, Geen jonge mannen meer met hun lier.
15Defecit gaudium cordis nostri; versus est in luctum chorus noster.
15Geen blijdschap meer voor ons hart, Onze reidans veranderd in rouw,
16Cecidit corona capitis nostri: væ nobis, quia peccavimus !
16Gevallen de kroon van ons hoofd: Wee onzer, wij hebben gezondigd!
17Propterea mœstum factum est cor nostrum; ideo contenebrati sunt oculi nostri,
17Hierom is ons hart verslagen, Staan onze ogen zo dof:
18propter montem Sion quia disperiit; vulpes ambulaverunt in eo.
18Om de Sionsberg, die ligt verlaten, Waar enkel jakhalzen lopen.
19Tu autem, Domine, in æternum permanebis, solium tuum in generationem et generationem.
19Maar Gij zetelt in eeuwigheid, Jahweh; Uw troon van geslacht tot geslacht!
20Quare in perpetuum oblivisceris nostri, derelinques nos in longitudine dierum?
20Waarom zoudt Gij ons dan altijd vergeten, Ten einde toe ons verlaten?
21Converte nos, Domine, ad te, et convertemur; innova dies nostros, sicut a principio.
21Ach Jahweh, breng ons tot U terug: wij willen bekeren; Maak onze dagen weer als voorheen!
22Sed projiciens repulisti nos: iratus es contra nos vehementer.]
22Neen, Gij hebt ons niet voor immer verworpen, Gij blijft op ons niet zo hevig verbolgen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.