Lamentations 5
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Souviens-toi, Éternel, de ce qui nous est arrivé! Regarde, vois notre opprobre!
1Gedenk toch, Jahweh, wat wij verduren, Zie toe, en aanschouw onze smaad:
2Notre héritage a passé à des étrangers, Nos maisons à des inconnus.
2Ons erfdeel is aan anderen vervallen, Onze huizen aan vreemden.
3Nous sommes orphelins, sans père; Nos mères sont comme des veuves.
3Wezen zijn wij, vaderloos, Als weduwen zijn onze moeders;
4Nous buvons notre eau à prix d’argent, Nous payons notre bois.
4Ons water drinken wij voor geld, Wij moeten ons eigen hout betalen.
5Nous sommes poursuivis, le joug sur le cou; Nous sommes épuisés, nous n’avons point de repos.
5Voortgezweept, met het juk om de hals, Uitgeput, maar men gunt ons geen rust!
6Nous avons tendu la main vers l’Égypte, vers l’Assyrie, Pour nous rassasier de pain.
6Naar Egypte steken wij de handen uit, Naar Assjoer om brood!
7Nos pères ont péché, ils ne sont plus, Et c’est nous qui portons la peine de leurs iniquités.
7Onze vaderen hebben gezondigd: zij zijn niet meer, Wij dragen hun schuld:
8Des esclaves dominent sur nous, Et personne ne nous délivre de leurs mains.
8Slaven zijn onze heersers, En niemand, die ons uit hun handen verlost.
9Nous cherchons notre pain au péril de notre vie, Devant l’épée du désert.
9Met gevaar voor ons leven halen wij brood, Voor het dreigende zwaard der woestijn;
10Notre peau est brûlante comme un four, Par l’ardeur de la faim.
10Onze huid is heet als een oven, Door de koorts van de honger.
11Ils ont déshonoré les femmes dans Sion, Les vierges dans les villes de Juda.
11De vrouwen worden in Sion onteerd, De maagden in de steden van Juda;
12Des chefs ont été pendus par leurs mains; La personne des vieillards n’a pas été respectée.
12Vorsten door hen opgehangen, Geen oudsten gespaard.
13Les jeunes hommes ont porté la meule, Les enfants chancelaient sous des fardeaux de bois.
13De jongens moeten de molensteen torsen, De knapen bezwijken onder het hout;
14Les vieillards ne vont plus à la porte, Les jeunes hommes ont cessé leurs chants.
14Geen grijsaards meer in de poorten, Geen jonge mannen meer met hun lier.
15La joie a disparu de nos cœurs, Le deuil a remplacé nos danses.
15Geen blijdschap meer voor ons hart, Onze reidans veranderd in rouw,
16La couronne de notre tête est tombée! Malheur à nous, parce que nous avons péché!
16Gevallen de kroon van ons hoofd: Wee onzer, wij hebben gezondigd!
17Si notre cœur est souffrant, Si nos yeux sont obscurcis,
17Hierom is ons hart verslagen, Staan onze ogen zo dof:
18C’est que la montagne de Sion est ravagée, C’est que les renards s’y promènent.
18Om de Sionsberg, die ligt verlaten, Waar enkel jakhalzen lopen.
19Toi, l’Éternel, tu règnes à jamais; Ton trône subsiste de génération en génération.
19Maar Gij zetelt in eeuwigheid, Jahweh; Uw troon van geslacht tot geslacht!
20Pourquoi nous oublierais-tu pour toujours, Nous abandonnerais-tu pour de longues années?
20Waarom zoudt Gij ons dan altijd vergeten, Ten einde toe ons verlaten?
21Fais-nous revenir vers toi, ô Éternel, et nous reviendrons! Donne-nous encore des jours comme ceux d’autrefois!
21Ach Jahweh, breng ons tot U terug: wij willen bekeren; Maak onze dagen weer als voorheen!
22Nous aurais-tu entièrement rejetés, Et t’irriterais-tu contre nous jusqu’à l’excès?
22Neen, Gij hebt ons niet voor immer verworpen, Gij blijft op ons niet zo hevig verbolgen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.