Lamentations 3
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Je suis l’homme qui a vu la misère Sous la verge de sa fureur.
1Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid;
2Il m’a conduit, mené dans les ténèbres, Et non dans la lumière.
2Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in;
3Contre moi il tourne et retourne sa main Tout le jour.
3Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw.
4Il a fait dépérir ma chair et ma peau, Il a brisé mes os.
4Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken;
5Il a bâti autour de moi, Il m’a environné de poison et de douleur.
5Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer;
6Il me fait habiter dans les ténèbres, Comme ceux qui sont morts dès longtemps.
6Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden.
7Il m’a entouré d’un mur, pour que je ne sorte pas; Il m’a donné de pesantes chaînes.
7Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens;
8J’ai beau crier et implorer du secours, Il ne laisse pas accès à ma prière.
8Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken;
9Il a fermé mon chemin avec des pierres de taille, Il a détruit mes sentiers.
9Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden.
10Il a été pour moi un ours en embuscade, Un lion dans un lieu caché.
10Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt;
11Il a détourné mes voies, il m’a déchiré, Il m’a jeté dans la désolation.
11Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf;
12Il a tendu son arc, et il m’a placé Comme un but pour sa flèche.
12Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl.
13Il a fait entrer dans mes reins Les traits de son carquois.
13Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker.
14Je suis pour tout mon peuple un objet de raillerie, Chaque jour l’objet de leurs chansons.
14Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald.
15Il m’a rassasié d’amertume, Il m’a enivré d’absinthe.
15Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt.
16Il a brisé mes dents avec des cailloux, Il m’a couvert de cendre.
16Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd;
17Tu m’as enlevé la paix; Je ne connais plus le bonheur.
17De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.
18Et j’ai dit: Ma force est perdue, Je n’ai plus d’espérance en l’Éternel!
18Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh!
19Quand je pense à ma détresse et à ma misère, A l’absinthe et au poison;
19Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal!
20Quand mon âme s’en souvient, Elle est abattue au-dedans de moi.
20Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt:
21Voici ce que je veux repasser en mon cœur, Ce qui me donnera de l’espérance.
21Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen!
22Les bontés de l’Éternel ne sont pas épuisées, Ses compassions ne sont pas à leur terme;
22Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op:
23Elles se renouvellent chaque matin. Oh! Que ta fidélité est grande!
23Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw.
24L’Éternel est mon partage, dit mon âme; C’est pourquoi je veux espérer en lui.
24Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem!
25L’Éternel a de la bonté pour qui espère en lui, Pour l’âme qui le cherche.
25Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt;
26Il est bon d’attendre en silence Le secours de l’Éternel.
26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;
27Il est bon pour l’homme De porter le joug dans sa jeunesse.
27Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af!
28Il se tiendra solitaire et silencieux, Parce que l’Éternel le lui impose;
28Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt;
29Il mettra sa bouche dans la poussière, Sans perdre toute espérance;
29Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop;
30Il présentera la joue à celui qui le frappe, Il se rassasiera d’opprobres.
30Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad.
31Car le Seigneur Ne rejette pas à toujours.
31Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen!
32Mais, lorsqu’il afflige, Il a compassion selon sa grande miséricorde;
32Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming:
33Car ce n’est pas volontiers qu’il humilie Et qu’il afflige les enfants des hommes.
33Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen!
34Quand on foule aux pieds Tous les captifs du pays,
34Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen:
35Quand on viole la justice humaine A la face du Très-Haut,
35Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste:
36Quand on fait tort à autrui dans sa cause, Le Seigneur ne le voit-il pas?
36Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien?
37Qui dira qu’une chose arrive, Sans que le Seigneur l’ait ordonnée?
37Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden?
38N’est-ce pas de la volonté du Très-Haut que viennent Les maux et les biens?
38Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed?
39Pourquoi l’homme vivant se plaindrait-il? Que chacun se plaigne de ses propres péchés.
39Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde!
40Recherchons nos voies et sondons, Et retournons à l’Éternel;
40Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren;
41Élevons nos cœurs et nos mains Vers Dieu qui est au ciel:
41Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel!
42Nous avons péché, nous avons été rebelles! Tu n’as point pardonné!
42Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!
43Tu t’es caché dans ta colère, et tu nous as poursuivis; Tu as tué sans miséricorde;
43Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood;
44Tu t’es enveloppé d’un nuage, Pour fermer accès à la prière.
44U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon;
45Tu nous as rendus un objet de mépris et de dédain Au milieu des peuples.
45Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken.
46Ils ouvrent la bouche contre nous, Tous ceux qui sont nos ennemis.
46Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn;
47Notre partage a été la terreur et la fosse, Le ravage et la ruine.
47Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling;
48Des torrents d’eau coulent de mes yeux, A cause de la ruine de la fille de mon peuple.
48Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk.
49Mon œil fond en larmes, sans repos, Sans relâche,
49Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing,
50Jusqu’à ce que l’Éternel regarde et voie Du haut des cieux;
50Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet.
51Mon œil me fait souffrir, A cause de toutes les filles de ma ville.
51Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad.
52Ils m’ont donné la chasse comme à un oiseau, Ceux qui sont à tort mes ennemis.
52Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn;
53Ils ont voulu anéantir ma vie dans une fosse, Et ils ont jeté des pierres sur moi.
53Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na;
54Les eaux ont inondé ma tête; Je disais: Je suis perdu!
54Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren!
55J’ai invoqué ton nom, ô Éternel, Du fond de la fosse.
55Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put!
56Tu as entendu ma voix: Ne ferme pas l’oreille à mes soupirs, à mes cris!
56Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien;
57Au jour où je t’ai invoqué, tu t’es approché, Tu as dit: Ne crains pas!
57Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang!
58Seigneur, tu as défendu la cause de mon âme, Tu as racheté ma vie.
58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!
59Éternel, tu as vu ce qu’on m’a fait souffrir: Rends-moi justice!
59Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft;
60Tu as vu toutes leurs vengeances, Tous leurs complots contre moi.
60Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij.
61Éternel, tu as entendu leurs outrages, Tous leurs complots contre moi,
61Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij.
62Les discours de mes adversaires, et les projets Qu’ils formaient chaque jour contre moi.
62Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht.
63Regarde quand ils sont assis et quand ils se lèvent: Je suis l’objet de leurs chansons.
63Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen!
64Tu leur donneras un salaire, ô Éternel, Selon l’œuvre de leurs mains;
64Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen!
65Tu les livreras à l’endurcissement de leur cœur, A ta malédiction contre eux;
65Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek;
66Tu les poursuivras dans ta colère, et tu les extermineras De dessous les cieux, ô Éternel!
66Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.