ΘΡΗΝΟΙ 3
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΕΓΩ ἀνὴρ ὁ βλέπων πτωχείαν ἐν ράβδῳ θυμοῦ αὐτοῦ ἐπ' ἐμέ·
1Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid;
2παρέλαβέ με καὶ ἀπήγαγέ με εἰς σκότος καὶ οὐ φῶς,
2Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in;
3πλὴν ἐν ἐμοὶ ἐπέστρεψε χεῖρα αὐτοῦ ὅλην τὴν ἡμέραν.
3Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw.
4Ἐπαλαίωσε σάρκα μου καὶ δέρμα μου, ὀστέα μου συνέτριψεν·
4Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken;
5ἀῳκοδόμησε κατ' ἐμοῦ καὶ ἐκύκλωσε κεφαλήν μου καὶ ἐμόχθησεν,
5Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer;
6ἐν σκοτεινοῖς ἐκάθισέ με ὡς νεκροὺς αἰῶνος.
6Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden.
7Ἀνῳκοδόμησε κατ' ἐμοῦ, καὶ οὐκ ἐξελεύσομαι, ἐβάρυνε χαλκόν μου·
7Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens;
8καί γε κεκράξομαι καὶ βοήσω, ἀπέφραξε προσευχήν μου·
8Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken;
9ἀνῳκοδόμησεν ὁδούς μου, ἐνέφραξε τρίβους μου, ἐτάραξεν.
9Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden.
10Ἄρκος ἐνεδρεύουσα αὐτός μοι, λέων ἐν κρυφαίοις·
10Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt;
11κατεδίωξεν ἀφεστηκότα καὶ κατέπαυσέ με, ἔθετό με ἠφανισμένην.
11Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf;
12ἐνέτεινε τόξον αὐτοῦ καὶ ἐστήλωσέ με ὡς σκοπὸν εἰς βέλος.
12Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl.
13Εἰσήγαγεν ἐν τοῖς νεφροῖς μου ἰοὺς φαρέτρας αὐτοῦ·
13Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker.
14ἐγενήθην γέλως παντὶ λαῷ μου, ψαλμὸς αὐτῶν ὅλην τὴν ἡμέραν·
14Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald.
15ἐχόρτασέ με πικρίας, ἐμέθυσέ με χολῆς.
15Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt.
16Καὶ ἐξέβαλε ψήφῳ ὀδόντας μου, ἐψώμισέ με σποδόν·
16Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd;
17καὶ ἀπώσατο ἐξ εἰρήνης ψυχήν μου,
17De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.
18ἐπελαθόμην ἀγαθά, καὶ εἶπα· ἀπώλετο νῖκός μου καὶ ἡ ἐλπίς μου ἀπὸ Κυρίου.
18Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh!
19Ἐμνήσθην ἀπὸ πτωχείας μου καὶ ἐκδιωγμοῦ μου πικρίας καὶ χολῆς μου.
19Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal!
20μνησθήσεται καὶ καταδολεσχήσει ἐπ' ἐμὲ ἡ ψυχή μου·
20Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt:
21ταύτην τάξω εἰς τὴν καρδίαν μου, διὰ τοῦτο ὑπομενῶ.
21Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen!
22Τὰ ἐλέη Κυρίου, ὅτι οὐκ ἐξέλιπέμε, ὅτι οὐσυνετελέσθησαν οἱ οἰκτιρμοὶ αὐτοῦ· μῆνας εἰς τὰς πρωΐας ἐλέησον, Κύριε, ὅτι οὐ συνετελέσθημεν, ὅτι οὐ συνετελέσθησαν οἱ οἰκτιρμοὶ αὐτοῦ.
22Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op:
23καινὰ εἰς τὰς πρωΐας, πολλὴ ἡ πίστις σου.
23Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw.
24μερίς μου Κύριος, εἶπεν ἡ ψυχή μου· διὰ τοῦτο ὑπομενῶ αὐτῷ.
24Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem!
25Ἀγαθὸς Κύριος τοῖς ὑπομένουσιν αὐτόν, ψυχὴ ἣ ζητήσει αὐτὸν ἀγαθὸν
25Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt;
26καὶ ὑπομεννεῖ καὶ ἡσυχάσει εἰς τὸ σωτήριον Κυρίου.
26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;
27ἀγαθὸν ἀνδρί, ὅταν ἄρῃ ζυγὸν ἐν νεότητι αὐτοῦ.
27Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af!
28Καθήσεται κατὰ μόνας καὶ σιωπήσεται, ὅτι ᾖρεν ἐφ' ἑαυτῷ·
28Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt;
no verse 29 in this text
29Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop;
30δώσει τῷ παίοντι αὐτὸν σιαγόνα, χορτασθήσεται ὀνειδισμῶν.
30Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad.
31¨Οτι οὐκ εἰς τὸν αἰῶνα ἀπώσεται Κύριος.
31Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen!
32ὅτι ὁ ταπεινώσας οἰκτειρήσει κατὰ τὸ πλῆθος τοῦ ἐλέους αὐτοῦ·
32Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming:
33ὅτι οὐκ ἀπεκρίθη ἀπὸ καρδίας αὐτοῦ καὶ ἐταπείνωσεν υἱοὺς ἀνδρός.
33Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen!
34Τοῦ ταπεινῶσαι ὑπὸ τοὺς πόδας αὐτοῦ πάντας δεσμίους γῆς,
34Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen:
35τοῦ ἐκκλῖναι κρίσιν ἀνδρὸς κατέναντι προσώπου Ὑψίστου,
35Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste:
36καταδικάσαι ἄνθρωπον ἐν τῷ κρίνεσθαι αὐτὸν Κύριος οὐκ εἶπε.
36Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien?
37Τίς οὕτως εἶπε, καὶ ἐγενήθη; Κύριος οὐκ ἐνετείλατο.
37Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden?
38ἐκ στόματος Ὑψίστου οὐκ ἐξελεύσεται τὰ κακὰ καὶ τὸ ἀγαθόν;
38Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed?
39τί γογγύσει ἄνθρωπος ζῶν, ἀνὴρ περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ;
39Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde!
40Ἐξηρευνήθη ἡ ὁδὸς ἡμῶν καὶ ἠτάσθη, κὶ ἐπιστρέψομεν ἕως Κυρίου·
40Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren;
41ἀναλάβωμεν καρδίας ἡμῶν ἐπὶ χειρῶν πρὸς ὑψηλὸν ἐν οὐρανῷ·
41Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel!
42ἡμαρτήσαμεν, ἠσεβήσαμεν, καὶ οὐχ ἱλάσθης.
42Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!
43Ἐπεσκέπασας ἐν θυμῷ καὶ ἀπεδίωξας ἡμᾶς· ἀπέκτεινας, οὐκ ἐφείσω.
43Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood;
44Ἐπεσκέπασας νεφέλην σεαυτῷ ἕνεκεν προσευχῆς,
44U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon;
45καμμύσαι με καὶ ἀπωσθῆναι ἔθηκας ἡμᾶς ἐν μέσῳ τῶν λαῶν.
45Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken.
46Διήνοιξαν ἐφ' ἡμᾶς τὸ στόμα αὐτῶν πάντες οἱ ἐχθροὶ ἡμῶν·
46Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn;
47φόβος καὶ θυμὸς ἐγενήθη ἡμῖν, ἔπαρσις καὶ συντριβή.
47Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling;
48ἀφέσεις ὑδάτων κατάξει ὁ ὀφθαλμός μου ἐπὶ τὸ σύντριμμα τῆς θυγατρὸς τοῦ λαοῦ μου.
48Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk.
49Ὁ ὀφθαλμός μου κατεπόθη, καὶ οὐ σιγήσομαι τοῦ μὴ εἶναι ἔκνηψιν,
49Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing,
50ἕως οὗ διακύψῃ καὶ ἴδῃ Κύριος ἐξ οὐρανοῦ·
50Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet.
51ὁ ὀφθαλμός μου ἐπιφυλλιεῖ ἐπὶ τὴν ψυχήν μου παρὰ πάσας θυγατέρας πόλεως.
51Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad.
52Θηρεύοντες ἐθήρευσάν με ὡς στρουθίον πάντες οἱ ἐχθροί μου δωρεάν,
52Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn;
53ἐθανάτωσαν ἐν λάκκῳ ζωήν μου καὶ ἐπέθηκαν λίθον ἐπ' ἐμοί.
53Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na;
54ὑπερεχύθη ὕδωρ ἐπὶ τὴν κεφαλήν μου· εἶπα· ἀπῶσμαι.
54Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren!
55Ἐπεκαλεσάμην τὸ ὄνομά σου, Κύριε, ἐκ λάκκου κατωτάτου·
55Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put!
56φωνήν μου ἤκουσας· μὴ κρύψῃς τὰ ὦτά σου εἰς τὴν δέησίν μου.
56Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien;
57εἰς τὴν βοήθειάν μου ἤγγισας ἐν ἡμέρᾳ, ᾗ ἐπεκαλεσάμην σε· εἶπάς μοι· μὴ φοβοῦ.
57Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang!
58Ἐδίκασας, Κύριε, τὰς δίκας τῆς ψυχῆς μου, ἐλυτρώσω τὴν ζωήν μου·
58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!
59εἶδες, Κύριε, τὰς ταραχάς μου, ἔκρινας τὴν κρίσιν μου·
59Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft;
60εἶδες πᾶσαν τὴν ἐκδίκησιν αὐτῶν εἰς πάντας διαλογισμοὺς αὐτῶν ἐν ἐμοί.
60Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij.
61Ἤκουσας τὸν ὀνειδισμὸν αὐτῶν, πάντας τοὺς διαλογισμοὺς αὐτῶν κατ' ἐμοῦ,
61Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij.
62χείλη ἐπανισταμένων μοι καὶ μελέτας αὐτῶν κατ' ἐμοῦ ὅλην τὴν ἡμέραν,
62Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht.
63καθέδραν αὐτῶν καὶ ἀνάστασιν αὐτῶν· ἐπίβλεψον ἐπὶ τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτῶν.
63Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen!
64Ἀποδώσεις αὐτοῖς ἀνταπόδομα, Κύριε, κατὰ τὰ ἔργα τῶν χειρῶν αὐτῶν.
64Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen!
65ἀποδώσεις αὐτοῖς ὑπερασπισμὸν καρδίας, μόχθον σου αὐτοῖας,
65Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek;
66καταδιώξεις ἐν ὀργῇ καὶ ἐξαναλώσεις αὐτοὺς ὑποκάτωθεν τοῦ οὐρανοῦ, Κύριε.
66Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.