Lamentations
Chapter 3

Lamentations

JPS Tanakh (Jewish Publi…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I am the man that hath seen affliction by the rod of His wrath.
1Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid;
2He hath led me and caused me to walk in darkness and not in light.
2Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in;
3Surely against me He turneth His hand again and again all the day.
3Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw.
4My flesh and my skin hath He worn out; He hath broken my bones.
4Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken;
5He hath builded against me, and compassed me with gall and travail.
5Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer;
6He hath made me to dwell in dark places, as those that have been long dead.
6Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden.
7He hath hedged me about, that I cannot go forth; He hath made my chain heavy.
7Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens;
8Yea, when I cry and call for help, He shutteth out my prayer.
8Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken;
9He hath enclosed my ways with hewn stone, He hath made my paths crooked.
9Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden.
10He is unto me as a bear lying in wait, as a lion in secret places.
10Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt;
11He hath turned aside my ways, and pulled me in pieces; He hath made me desolate.
11Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf;
12He hath bent His bow, and set me as a mark for the arrow.
12Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl.
13He hath caused the arrows of His quiver to enter into my reins.
13Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker.
14I am become a derision to all my people, and their song all the day.
14Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald.
15He hath filled me with bitterness, He hath sated me with wormwood.
15Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt.
16He hath also broken my teeth with gravel stones, He hath made me to wallow in ashes.
16Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd;
17And my soul is removed far off from peace, I forgot prosperity.
17De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.
18And I said: 'My strength is perished, and mine expectation from the LORD.'
18Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh!
19Remember mine affliction and mine anguish, the wormwood and the gall.
19Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal!
20My soul hath them still in remembrance, and is bowed down within me.
20Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt:
21This I recall to my mind, therefore have I hope.
21Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen!
22Surely the LORD'S mercies are not consumed, surely His compassions fail not.
22Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op:
23They are new every morning; great is Thy faithfulness.
23Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw.
24'The LORD is my portion', saith my soul; 'Therefore will I hope in Him.'
24Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem!
25The LORD is good unto them that wait for Him, to the soul that seeketh Him.
25Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt;
26It is good that a man should quietly wait for the salvation of the LORD.
26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;
27It is good for a man that he bear the yoke in his youth.
27Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af!
28Let him sit alone and keep silence, because He hath laid it upon him.
28Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt;
29Let him put his mouth in the dust, if so be there may be hope.
29Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop;
30Let him give his cheek to him that smiteth him, let him be filled full with reproach.
30Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad.
31For the Lord will not cast off for ever.
31Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen!
32For though He cause grief, yet will He have compassion according to the multitude of His mercies.
32Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming:
33For He doth not afflict willingly, nor grieve the children of men.
33Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen!
34To crush under foot all the prisoners of the earth,
34Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen:
35To turn aside the right of a man before the face of the Most High,
35Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste:
36To subvert a man in his cause, the Lord approveth not.
36Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien?
37Who is he that saith, and it cometh to pass, when the Lord commandeth it not?
37Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden?
38Out of the mouth of the Most High proceedeth not evil and good?
38Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed?
39Wherefore doth a living man complain, a strong man because of his sins?
39Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde!
40Let us search and try our ways, and return to the LORD.
40Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren;
41Let us lift up our heart with our hands unto God in the heavens.
41Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel!
42We have transgressed and have rebelled; Thou hast not pardoned.
42Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!
43Thou hast covered with anger and pursued us; Thou hast slain unsparingly.
43Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood;
44Thou hast covered Thyself with a cloud, so that no prayer can pass through.
44U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon;
45Thou hast made us as the offscouring and refuse in the midst of the peoples.
45Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken.
46All our enemies have opened their mouth wide against us.
46Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn;
47Terror and the pit are come upon us, desolation and destruction.
47Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling;
48Mine eye runneth down with rivers of water, for the breach of the daughter of my people.
48Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk.
49Mine eye is poured out, and ceaseth not, without any intermission,
49Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing,
50Till the LORD look forth, and behold from heaven.
50Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet.
51Mine eye affected my soul, because of all the daughters of my city.
51Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad.
52They have chased me sore like a bird, that are mine enemies without cause.
52Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn;
53They have cut off my life in the dungeon, and have cast stones upon me.
53Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na;
54Waters flowed over my head; I said: 'I am cut off.'
54Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren!
55I called upon Thy name, O LORD, Out of the lowest dungeon.
55Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put!
56Thou heardest my voice; hide not Thine ear at my sighing, at my cry.
56Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien;
57Thou drewest near in the day that I called upon Thee; Thou saidst: 'Fear not.'
57Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang!
58O Lord, Thou hast pleaded the causes of my soul; Thou hast redeemed my life.
58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!
59O LORD, Thou hast seen my wrong; judge Thou my cause.
59Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft;
60Thou hast seen all their vengeance and all their devices against me.
60Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij.
61Thou hast heard their taunt, O LORD, and all their devices against me;
61Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij.
62The lips of those that rose up against me, and their muttering against me all the day.
62Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht.
63Behold Thou their sitting down, and their rising up; I am their song.
63Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen!
64Thou wilt render unto them a recompense, O LORD, according to the work of their hands.
64Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen!
65Thou wilt give them hardness of heart, Thy curse unto them.
65Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek;
66Thou wilt pursue them in anger, and destroy them from under the heavens of the LORD.
66Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.