Genesis
Chapter 10
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Genesis 10

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Hæ sunt generationes filiorum Noë, Sem, Cham et Japheth: natique sunt eis filii post diluvium.
1Dit is de geslachtslijst van de zonen van Noë: van Sem, Cham en Jáfet; want hun werden na de zondvloed zonen geboren.
2Filii Japheth: Gomer, et Magog, et Madai, et Javan, et Thubal, et Mosoch, et Thiras.
2De zonen van Jáfet zijn Gómer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mésjek en Tiras.
3Porro filii Gomer: Ascenez et Riphath et Thogorma.
3De zonen van Gómer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
4Filii autem Javan: Elisa et Tharsis, Cetthim et Dodanim.
4De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Rodiërs;
5Ab his divisæ sunt insulæ gentium in regionibus suis, unusquisque secundum linguam suam et familias suas in nationibus suis.
5dezen hebben zich over de kustlanden der volken verdeeld. Dit zijn de zonen van Jáfet volgens hun landen, elk naar zijn taal, zijn stam en zijn volk.
6Filii autem Cham: Chus, et Mesraim, et Phuth, et Chanaan.
6De zonen van Cham zijn Koesj, Egypte, Poet en Kanaän.
7Filii Chus: Saba, et Hevila, et Sabatha, et Regma, et Sabatacha. Filii Regma: Saba et Dadan.
7De zonen van Koesj zijn Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama zijn Sjeba en Dedan.
8Porro Chus genuit Nemrod: ipse cœpit esse potens in terra,
8Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde;
9et erat robustus venator coram Domino. Ob hoc exivit proverbium: Quasi Nemrod robustus venator coram Domino.
9hij was een geweldig jager voor Jahweh. Daarom zegt men “Een geweldig jager voor Jahweh als Nimrod”.
10Fuit autem principium regni ejus Babylon, et Arach et Achad, et Chalanne, in terra Sennaar.
10Aanvankelijk heerste hij over Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sjinar;
11De terra illa egressus est Assur, et ædificavit Niniven, et plateas civitatis, et Chale.
11maar van dat land rukte hij naar Assjoer op, waar hij Ninive bouwde, Rechobot-Ir en Kálach,
12Resen quoque inter Niniven et Chale: hæc est civitas magna.
12en Résen tussen Ninive en Kálach; dit is de grote stad.
13At vero Mesraim genuit Ludim, et Anamim et Laabim, Nephthuim,
13Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten en de Naftoechieten,
14et Phetrusim, et Chasluim: de quibus egressi sunt Philisthiim et Caphtorim.
14de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
15Chanaan autem genuit Sidonem primogenitum suum. Hethæum,
15Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
16et Jebusæum, et Amorrhæum, Gergesæum,
16verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
17Hevæum, et Aracæum: Sinæum,
17de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
18et Aradium, Samaræum, et Amathæum: et post hæc disseminati sunt populi Chananæorum.
18de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten. Later werden de stammen der Kanaänieten verspreid,
19Factique sunt termini Chanaan venientibus a Sidone Geraram usque Gazam, donec ingrediaris Sodomam et Gomorrham, et Adamam, et Seboim usque Lesa.
19zodat het gebied der Kanaänieten zich uitstrekte van Sidon af in de richting van Gerar tot Gaza toe, en in de richting van Sodoma, Gomorra, Adma en Seboim tot Lésja toe.
20Hi sunt filii Cham in cognationibus, et linguis, et generationibus, terrisque et gentibus suis.
20Dit zijn de zonen van Cham volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
21De Sem quoque nati sunt, patre omnium filiorum Heber, fratre Japheth majore.
21Ook Sem, den stamvader van de zonen van Eber en oudsten broer van Jáfet, werden kinderen geboren.
22Filii Sem: Ælam, et Assur, et Arphaxad, et Lud, et Aram.
22De zonen van Sem zijn Elam, Assjoer, Arpaksad, Loed en Aram.
23Filii Aram: Us, et Hul, et Gether, et Mes.
23De zonen van Aram zijn Oes, Choel, Géter en Masj.
24At vero Arphaxad genuit Sale, de quo ortus est Heber.
24Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Eber.
25Natique sunt Heber filii duo: nomen uni Phaleg, eo quod in diebus ejus divisa sit terra: et nomen fratris ejus Jectan.
25Eber had twee zonen; de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
26Qui Jectan genuit Elmodad, et Saleph, et Asarmoth, Jare,
26Joktan verwekte Almodad en Sjélef, Chasarmáwet en Jérach,
27et Aduram, et Uzal, et Decla,
27Hadoram, Oezal en Dikla,
28et Ebal, et Abimaël, Saba,
28Obal, Abimaël, Sjeba,
29et Ophir, et Hevila, et Jobab: omnes isti, filii Jectan.
29Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
30Et facta est habitatio eorum de Messa pergentibus usque Sephar montem orientalem.
30Zij woonden van Mesja af in de richting van Sefar, een gebergte in het oosten.
31Isti filii Sem secundum cognationes, et linguas, et regiones in gentibus suis.
31Dit zijn de zonen van Sem volgens hun stammen en talen, naar hun landen en volken.
32Hæ familiæ Noë juxta populos et nationes suas. Ab his divisæ sunt gentes in terra post diluvium.
32Dit zijn dan de geslachten van de zonen van Noë naar hun stammen en volken; uit hen zijn de volken voortgekomen, die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.