I Paralipomenon
Chapter 24
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

I Paralipomenon 24

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Porro filiis Aaron hæ partitiones erant. Filii Aaron: Nadab, et Abiu, et Eleazar, et Ithamar.
1Ook de zonen van Aäron werden in groepen ingedeeld. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
2Mortui sunt autem Nadab et Abiu ante patrem suum absque liberis: sacerdotioque functus est Eleazar, et Ithamar.
2Nadab en Abihoe stierven eerder dan hun vader, en lieten geen kinderen na, zodat alleen Elazar en Itamar als priesters dienst deden.
3Et divisit eos David, id est, Sadoc de filiis Eleazari, et Ahimelech de filiis Ithamar, secundum vices suas et ministerium.
3Ze werden volgens hun ambtsbezigheden in groepen ingedeeld door David, en door Sadok, die van Elazar stamde, en door Achimélek, die van Itamar stamde.
4Inventique sunt multo plures filii Eleazar in principibus viris, quam filii Ithamar. Divisit autem eis, hoc est, filiis Eleazar, principes per familias sedecim: et filiis Ithamar per familias et domos suas octo.
4Het bleek, dat het aantal familiehoofden, die van Elazar afstamden, groter was dan dat van de afstammelingen van Itamar. Daarom werden ze in deze verhouding ingedeeld, dat er op zestien familiehoofden, die van Elazar afstamden, acht van Itamar stonden.
5Porro divisit utrasque inter se familias sortibus: erant enim principes sanctuarii, et principes Dei, tam de filiis Eleazar quam de filiis Ithamar.
5De indeling zelf geschiedde door het lot, beurt om beurt; want er waren zowel onder de afstammelingen van Elazar als onder die van Itamar heilige en door God begenadigde bestuurders.
6Descripsitque eos Semeias filius Nathanaël scriba Levites, coram rege et principibus, et Sadoc sacerdote, et Ahimelech filio Abiathar, principibus quoque familiarum sacerdotalium, et Leviticarum: unam domum, quæ ceteris præerat, Eleazar: et alteram domum, quæ sub se habebat ceteros, Ithamar.
6De geheimschrijver Sjemaja, de zoon van Netanel en eveneens een leviet, schreef ze op, in tegenwoordigheid van den koning, van de bestuurders, den priester Sadok, Achimélek den zoon van Ebjatar, en de familiehoofden der priesters en levieten. Telkens werd er om beurten één familie van Itamar en twee van Elazar door het lot aangewezen.
7Exivit autem sors prima Jojarib, secunda Jedei,
7Het eerste lot viel op Jehojarib, het tweede op Jedaja,
8tertia Harim, quarta Seorim,
8het derde op Charim, het vierde op Seorim,
9quinta Melchia, sexta Maiman,
9het vijfde op Malki-ja, het zesde op Mi-jamin,
10septima Accos, octava Abia,
10het zevende op Hakkos, het achtste op Abi-ja,
11nona Jesua, decima Sechenia,
11het negende op Jesjóea, het tiende op Sjekanjáhoe,
12undecima Eliasib, duodecima Jacim,
12het elfde op Eljasjib, het twaalfde op Jakim,
13tertiadecima Hoppha, decimaquarta Isbaab,
13het dertiende op Choeppa, het veertiende op Jesjebab,
14decimaquinta Belga, decimasexta Emmer,
14het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer,
15decimaseptima Hezir, decimaoctava Aphses,
15het zeventiende op Chezir, het achttiende op Happisses,
16decimanona Pheteia, vigesima Hezechiel,
16het negentiende op Petachja, het twintigste op Jecheskel,
17vigesima prima Jachin, vigesima secunda Gamul,
17het een en twintigste op Jakin, het twee en twintigste op Gamoel,
18vigesima tertia Dalaiau, vigesima quarta Maaziau.
18het drie en twintigste op Delajáhoe, het vier en twintigste op Maäzjáhoe.
19Hæ vices eorum secundum ministeria sua, ut ingrediantur domum Domini, et juxta ritum suum sub manu Aaron patris eorum, sicut præceperat Dominus Deus Israël.
19Dit was de indeling volgens hun ambtsbezigheden, die hierin bestonden, dat zij het heiligdom van Jahweh zouden betreden naar de verordeningen, die hun stamvader Aäron op bevel van Jahweh, den God van Israël, had uitgevaardigd.
20Porro filiorum Levi qui reliqui fuerant, de filiis Amram erat Subaël, et de filiis Subaël, Jehedeia.
20Wat de overige levieten betreft: De zonen van Amram waren Sjoebaël en Rechabjáhoe; die van Sjoebaël was Jechdejáhoe;
21De filiis quoque Rohobiæ, princeps Jesias.
21die van Rechabjáhoe was het opperhoofd Jissji-ja.
22Isaari vero filius Salemoth, filiusque Salemoth Jahath:
22De zoon van Jishar was Sjelomot, die van Sjelomot was Jáchat.
23filiusque ejus Jeriau primus, Amarias secundus, Jahaziel tertius, Jecmaan quartus.
23De zonen van Chebron waren Jeri-jáhoe het opperhoofd; Amarjáhoe, de tweede; Jachaziël, de derde; en Jekamam, de vierde.
24Filius Oziel, Micha: filius Micha, Samir.
24De zoon van Oezziël was Mika; de zoon van Mika was Sjamir;
25Frater Micha, Jesia: filiusque Jesiæ, Zacharias.
25de broer van Sjamir was Jissji-ja. De zoon van Jissji-ja was Zekarjáhoe.
26Filii Merari: Moholi, et Musi. Filius Oziau: Benno.
26De zonen van Merari waren Machli en Moesji.
27Filius quoque Merari: Oziau, et Soam, et Zachur, et Hebri.
27De zonen van Merari, langs zijn zoon Jaäzi-jáhoe, waren Sjoham, Zakkoer en Ibri.
28Porro Moholi filius, Eleazar, qui non habebat liberos.
28De zoon van Machli was Elazar; deze had geen kinderen.
29Filius vero Cis, Jerameel.
29Van Kisj: de zoon van Kisj was Jerachmeël.
30Filii Musi: Moholi, Eder et Jerimoth: isti filii Levi secundum domos familiarum suarum.
30De zonen van Moesji waren Machli, Éder en Jerimot. Dit waren de verschillende families der levieten.
31Miseruntque et ipsi sortes contra fratres suos filios Aaron coram David rege, et Sadoc, et Ahimelech, et principibus familiarum sacerdotalium et Leviticarum, tam majores quam minores: omnes sors æqualiter dividebat.
31Zij wierpen evengoed het lot als hun broeders, de zonen van Aäron, en wel in tegenwoordigheid van den koning, van Sadok en Achimélek en van de familiehoofden der priesters en levieten. En de mindere families deden het evengoed als de voornamere.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.