I Paralipomenon 9
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Universus ergo Israël dinumeratus est, et summa eorum scripta est in libro regum Israël et Juda: translatique sunt in Babylonem propter delictum suum.
1Zo stond de gehele bevolking van Israël ingeschreven in de familieregisters, die opgenomen werden in het boek van de koningen van Israël. De Judeërs werden later om hun afval naar Babel verbannen.
2Qui autem habitaverunt primi in possessionibus et in urbibus suis: Israël, et sacerdotes, et Levitæ, et Nathinæi.
2De vroegere bewoners, die zich toen weer op hun bezittingen in de steden vestigden, waren: de gewone Israëlieten, de priesters, de levieten en de tempelknechten.
3Commorati sunt in Jerusalem de filiis Juda, et de filiis Benjamin, de filiis quoque Ephraim, et Manasse.
3In Jerusalem woonden nu afstammelingen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse.
4Othei filius Ammiud, filii Amri, filii Omrai, filii Bonni, de filiis Phares filii Juda.
4De volgende Judeërs: Oetai, zoon van Ammihoed, den zoon van Omri, zoon van Imri, zoon van Bani, een afstammeling van Fáres, den zoon van Juda.
5Et de Siloni: Asaia primogenitus, et filii ejus.
5Verder enige afstammelingen van Sjilo: namelijk Asaja de oudste, met zijn zonen.
6De filiis autem Zara, Jehuel, et fratres eorum, sexcenti nonaginta.
6Ook enige afstammelingen van Zára; namelijk Jeoeël met zijn stamgenoten. In het geheel zeshonderd negentig man.
7Porro de filiis Benjamin: Salo filius Mosollam, filii Oduia, filii Asana,
7Bovendien de volgende Benjamieten: Salloe, de zoon van Mesjoellam, den zoon van Hodawja, zoon van Hassenoea;
8et Jobania filius Jeroham, et Ela filius Ozi, filii Mochori, et Mosollam filius Saphatiæ, filii Rahuel, filii Jebaniæ,
8Jibneja, de zoon van Jerocham; Ela, de zoon van Oezzi, den zoon van Mikri; en Mesjoellam, de zoon van Sjefatja, den zoon van Reoeël, zoon van Jibneja.
9et fratres eorum per familias suas, nongenti quinquaginta sex. Omnes hi principes cognationum per domos patrum suorum.
9Met hun stamgenoten naar hun geslachten telden ze negenhonderd zes en vijftig man. Deze mannen waren allen familiehoofden.
10De sacerdotibus autem: Jedaia, Jojarib, et Jachin:
10De volgende priesters: Jedaja, Jehojarib, Jakin.
11Azarias quoque filius Helciæ, filii Mosollam, filii Sadoc, filii Maraioth, filii Achitob, pontifex domus Dei.
11Verder Azarja, de zoon van Chilki-ja, den zoon van Mesjoellam, zoon van Sadok, zoon van Merajot, zoon van Achitoeb; deze was de opzichter van het Godshuis.
12Porro Adaias filius Jeroham, filii Phassur, filii Melchiæ, et Maasai filius Adiel filii Jezra, filii Mosollam, filii Mosollamith, filii Emmer.
12Verder nog Adaja, de zoon van Jerocham, den zoon van Pasjchoer, zoon van Malki-ja; en Masai, de zoon van Adiël, den zoon van Jachzéra, zoon van Mesjoellam, zoon van Mesjillemot, zoon van Immer.
13Fratres quoque eorum principes per familias suas, mille septingenti sexaginta, fortissimi robore ad faciendum opus ministerii in domo Dei.
13Tezamen met hun stamgenoten, die familiehoofden waren. vormden ze een groep van zeventienhonderd zestig mannen, geschikt voor het dienstwerk in het Godshuis.
14De Levitis autem: Semeia filius Hassub filii Ezricam, filii Hasebia de filiis Merari.
14De volgende levieten: Sjemaja, de zoon van Chas-sjoeb, den zoon van Azrikam, zoon van Chasjabja, een afstammeling van Merari.
15Bacbacar quoque carpentarius, et Galal, et Mathania filius Micha, filii Zechri, filii Asaph:
15Verder Bakbakkar, Chéresj en Galal. Ook Mattanja, de zoon van Mika, den zoon van Zikri, zoon van Asaf.
16et Obdia filius Semeiæ, filii Galal, filii Idithun: et Barachia filius Asa, filii Elcana, qui habitavit in atriis Netophati.
16Verder nog Obadja, de zoon van Sjemaja, den zoon van Galal, zoon van Jedoetoen. Ook nog Berekja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, die in de dorpen der Netofatieten woonachtig was.
17Janitores autem: Sellum, et Accub, et Telmon, et Ahimam: et frater eorum Sellum princeps,
17De poortwachters waren Sjalloem, Akkoeb, Talmon en Achiman, met hun verwanten. Sjalloem was hun hoofd;
18usque ad illud tempus, in porta regis ad orientem, observabant per vices suas de filiis Levi.
18evenals tot nu had hij zijn standplaats in de koningspoort, aan de oostzijde. Zij waren vroeger de poortwachters in het kamp der levieten.
19Sellum vero filius Core filii Abiasaph, filii Core, cum fratribus suis, et domo patris sui, hi sunt Coritæ super opera ministerii, custodes vestibulorum tabernaculi: et familiæ eorum per vices castrorum Domini custodientes introitum.
19Sjalloem, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf, zoon van Kórach, en zijn verwanten, leden van de familie der Korachieten, deden dienst als drempelwachters van de tent. Want hun voorouders hadden in het kamp van Jahweh de ingang bewaakt;
20Phinees autem filius Eleazari erat dux eorum coram Domino.
20Pinechas, de zoon van Elazar (moge Jahweh met hem zijn), was vroeger hun hoofd geweest.
21Porro Zacharias filius Mosollamia, janitor portæ tabernaculi testimonii.
21Zakarja, de zoon van Mesjelemja, was poortwachter van de openbaringstent.
22Omnes hi electi in ostiarios per portas, ducenti duodecim: et descripti in villis propriis, quos constituerunt David, et Samuel videns, in fide sua,
22Het totale aantal van hen, die uitverkoren waren tot drempelwachters, bedroeg tweehonderd twintig; in hun dorpen stonden ze in het stamregister ingeschreven, en ze werden door David en den profeet Samuël voorgoed in hun ambt bevestigd.
23tam ipsos quam filios eorum, in ostiis domus Domini et in tabernaculo vicibus suis.
23Met hun zonen bewaakten zij de poorten van het verblijf van Jahweh, de tabernakel.
24Per quatuor ventos erant ostiarii: id est, ad orientem, et ad occidentem, et ad aquilonem, et ad austrum.
24Ze stonden aan vier zijden op wacht: aan de oostkant, de westkant, de noordkant en de zuidkant
25Fratres autem eorum in viculis morabantur, et veniebant in sabbatis suis de tempore usque ad tempus.
25Hun verwanten uit hun dorpen moesten hen van tijd tot tijd voor zeven dagen behulpzaam zijn;
26His quatuor Levitis creditus erat omnis numerus janitorum, et erant super exedras et thesauros domus Domini.
26want de vier voornaamste wachters moesten voortdurend op hun post zijn. Deze levieten gingen ook over de cellen en de schatkamers van het Godshuis;
27Per gyrum quoque templi Domini morabantur in custodiis suis: ut cum tempus fuisset, ipsi mane aperirent fores.
27Ze brachten de nacht door in de nabijheid van het Godshuis, omdat zij met de bewaking belast waren, en elke morgen de poorten moesten openen.
28De horum genere erant et super vasa ministerii: ad numerum enim et inferebantur vasa, et efferebantur.
28Anderen moesten voor het benodigde dienstgerei zorgen; een bepaald aantal brachten ze daarvan binnen, en ook weer weg.
29De ipsis et qui credita habebant utensilia sanctuarii, præerant similæ, et vino, et oleo, et thuri, et aromatibus.
29Anderen zorgden voor de gewijde voorwerpen en vaten, alsmede voor de meelbloem, de wijn, de olie, de wierook en de specerijen.
30Filii autem sacerdotum unguenta ex aromatibus conficiebant.
30Enige priesterzonen waren de bereiders van de welriekende zalven.
31Et Mathathias Levites primogenitus Sellum Coritæ, præfectus erat eorum quæ in sartagine frigebantur.
31Mattitja, een van de levieten, de oudste zoon van den Korachiet Sjalloem, was belast met het bakwerk,
32Porro de filiis Caath fratribus eorum, super panes erant propositionis, ut semper novos per singula sabbata præpararent.
32terwijl enige Kehatieten, zijn verwanten, elke sabbat voor het toonbrood moesten zorgen.
33Hi sunt principes cantorum per familias Levitarum, qui in exedris morabantur, ut die ac nocte jugiter suo ministerio deservirent.
33Dit waren dus de zangers, familiehoofden der levieten, die in de cellen geen dienst behoefden te doen, omdat ze elders dag en nacht bezig waren.
34Capita Levitarum, per familias suas principes, manserunt in Jerusalem.
34Dit waren de familiehoofden der levieten, volgens hun geslacht, die in Jerusalem woonden.
35In Gabaon autem commorati sunt pater Gabaon Jehiel, et nomen uxoris ejus Maacha.
35In Gibon woonde Jeïël, de stamvader van Gibon; zijn vrouw heette Maäka.
36Filius primogenitus ejus Abdon, et Sur, et Cis, et Baal, et Ner, et Nadab,
36Zijn oudste zoon was Abdon, verder Soer, Kisj, Báal, Ner, Nadab,
37Gedor quoque, et Ahio, et Zacharias, et Macelloth.
37Gedor, Achjo, Zekarja en Miklot.
38Porro Macelloth genuit Samaan: isti habitaverunt e regione fratrum suorum in Jerusalem cum fratribus suis.
38Miklot verwekte Sjimam. Ook dezen woonden bij hun stamgenoten in Jerusalem, in hun nabijheid.
39Ner autem genuit Cis, et Cis genuit Saul, et Saul genuit Jonathan, et Melchisua, et Abinadab, et Esbaal.
39Ner verwekte Kisj; Kisj verwekte Saul; Saul verwekte Jonatan, Malkisjóea, Abinadab en Esjbáal.
40Filius autem Jonathan, Meribbaal: et Meribbaal genuit Micha.
40De zoon van Jonatan was Merib-Báal; Merib-Báal verwekte Mika.
41Porro filii Micha, Phithon, et Melech, et Tharaa, et Ahaz.
41De zonen van Mika waren Piton, Mélek, Tachréa en Achaz.
42Ahaz autem genuit Jara, et Jara genuit Alamath, et Azmoth, et Zamri. Zamri autem genuit Mosa.
42Achaz verwekte Jara; Jara verwekte Alémet, Azmáwet en Zimri. Zimri verwekte Mosa;
43Mosa vero genuit Banaa, cujus filius Raphaia, genuit Elasa, de quo ortus est Asel.
43Mosa verwekte Bina. De zoon van Bina was Refaja; die van Refaja was Elasa; die van Elasa was Asel.
44Porro Asel sex filios habuit, his nominibus: Ezricam, Bocru, Ismahel, Saria, Obdia, Hanan: hi sunt filii Asel.
44Asel had zes kinderen, die aldus heetten: Azrikam, Bokeroe, Jisjmaël, Sjearja, Obadja en Chanan; allen zonen van Asel.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.