اول تواریخ
Chapter 9
Old Persian Version (ترج…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

اول تواریخ 9

Old Persian Version (ترجمه قدیم)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1و تمامي اسرائيل بر حسب نسب نامه هاي خود شمرده شدند، و اينک در کتاب پادشاهان اسرائيل مکتوب اند و يهودا به سبب خيانت خود به بابل اسيري رفتند.
1Zo stond de gehele bevolking van Israël ingeschreven in de familieregisters, die opgenomen werden in het boek van de koningen van Israël. De Judeërs werden later om hun afval naar Babel verbannen.
2و کساني که اول در مُلکها و شهرهاي ايشان سکونت داشتند، اسرائيليان و کاهنان و لاويان و نَتينيم بودند.
2De vroegere bewoners, die zich toen weer op hun bezittingen in de steden vestigden, waren: de gewone Israëlieten, de priesters, de levieten en de tempelknechten.
3و در اورشليم بعضي از بني يهودا واز بني بنيامين و از بني افرايم و مَنَّسي ساکن بودند.
3In Jerusalem woonden nu afstammelingen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse.
4عوتاي ابن عمَّيهُود بن عُمرِي ابن اِمرِي ابن باني از بني فارَص بن يهودا.
4De volgende Judeërs: Oetai, zoon van Ammihoed, den zoon van Omri, zoon van Imri, zoon van Bani, een afstammeling van Fáres, den zoon van Juda.
5و از شيلونيان نخست زاده اش عسايا و پسران او.
5Verder enige afstammelingen van Sjilo: namelijk Asaja de oudste, met zijn zonen.
6و از بني زارَح يعُوئيل و براران ايشان ششصد و نود نفر.
6Ook enige afstammelingen van Zára; namelijk Jeoeël met zijn stamgenoten. In het geheel zeshonderd negentig man.
7و از بني بنيامين سَلُّو ابن مَشُلاّمِ بن هُودُويا ابن هَسنُوآه.
7Bovendien de volgende Benjamieten: Salloe, de zoon van Mesjoellam, den zoon van Hodawja, zoon van Hassenoea;
8و يبنِيا ابن يرُوحام و اِيلَة بن عُزِّي ابن مِکرِي و مَشُلاّم بن شَفَطيا بن رَاؤئيل بن يبنِيا.
8Jibneja, de zoon van Jerocham; Ela, de zoon van Oezzi, den zoon van Mikri; en Mesjoellam, de zoon van Sjefatja, den zoon van Reoeël, zoon van Jibneja.
9و برادران ايشان بر حسب انساب ايشان نه صد و پنجاه و شش نفر. جميع اينها رؤساي اجداد بر حسب خاندانهاي آباي ايشان بودند.
9Met hun stamgenoten naar hun geslachten telden ze negenhonderd zes en vijftig man. Deze mannen waren allen familiehoofden.
10و از کاهنان، يدَعيا و يهُوياريب و ياکين،
10De volgende priesters: Jedaja, Jehojarib, Jakin.
11عَزَريا ابن حِلقيا ابن مَشُلاّم بن صادوق بن مَرايوت بن اَخيطُوب رئيس خانه خدا،
11Verder Azarja, de zoon van Chilki-ja, den zoon van Mesjoellam, zoon van Sadok, zoon van Merajot, zoon van Achitoeb; deze was de opzichter van het Godshuis.
12و عَدايا ابن يرُوحام بن فَشحُور بن مَلکيا و مَعَساي ابن عَديئيل بن يحزيره بن مَشُلاّم بن مَشِليمِيت بن اِمّير.
12Verder nog Adaja, de zoon van Jerocham, den zoon van Pasjchoer, zoon van Malki-ja; en Masai, de zoon van Adiël, den zoon van Jachzéra, zoon van Mesjoellam, zoon van Mesjillemot, zoon van Immer.
13و برادران ايشان که رؤساي خاندان آباي ايشان بودند، هزار و هفتصد شصت نفر که مردان رشيد به جهت عمل خدمت خانه خدا بودند.
13Tezamen met hun stamgenoten, die familiehoofden waren. vormden ze een groep van zeventienhonderd zestig mannen, geschikt voor het dienstwerk in het Godshuis.
14و از لاويان شَمَعيا ابن حَشُّوب بن عَزريقام بن حَشَبيا از بني مَراري.
14De volgende levieten: Sjemaja, de zoon van Chas-sjoeb, den zoon van Azrikam, zoon van Chasjabja, een afstammeling van Merari.
15و بَقبَقَّر و حارَش و جَلال و مَتَنيا ابن ميکا ابن زِکرِي ابن آساف.
15Verder Bakbakkar, Chéresj en Galal. Ook Mattanja, de zoon van Mika, den zoon van Zikri, zoon van Asaf.
16و عَوبَديا ابن شَمَعيا ابن جَلال و بن يدُوتُون و بَرخِيا ابن آسا ابن اَلقانَه که در دهات نَطُوفاتيان ساکن بود.
16Verder nog Obadja, de zoon van Sjemaja, den zoon van Galal, zoon van Jedoetoen. Ook nog Berekja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, die in de dorpen der Netofatieten woonachtig was.
17و در بانان، شَلُّوم و عَقُّوب و طَلمُون و اَخِيمان و برادران ايشان. و شَلُّوم رئيس بود.
17De poortwachters waren Sjalloem, Akkoeb, Talmon en Achiman, met hun verwanten. Sjalloem was hun hoofd;
18و ايشان تا الآن بر دروازه شرقي پادشاه (مي باشند) و در بانانِ فرقه بني لاوي بودند.
18evenals tot nu had hij zijn standplaats in de koningspoort, aan de oostzijde. Zij waren vroeger de poortwachters in het kamp der levieten.
19و شَلُّوم بن قُورِي ابن اَبيآ ساف بن قُورَح و برادرانش از خاندان پدرش يعني بني قُورَح که ناظران عمل خدمت و مستحفظان دروازه هاي خيمه بودند و پدران ايشان ناظران اُردوي خداوند و مستحفظان مدخل آن بودند.
19Sjalloem, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf, zoon van Kórach, en zijn verwanten, leden van de familie der Korachieten, deden dienst als drempelwachters van de tent. Want hun voorouders hadden in het kamp van Jahweh de ingang bewaakt;
20و فينَحاس بن اَلعازار، سابق رئيس ايشان بود. و خداوند با وي مي بود.
20Pinechas, de zoon van Elazar (moge Jahweh met hem zijn), was vroeger hun hoofd geweest.
21و زکريا ابن مَشَلَمِيا دربان دروازه خيمه اجتماع بود.
21Zakarja, de zoon van Mesjelemja, was poortwachter van de openbaringstent.
22و جميع ايناني که براي درباني دروازه ها منتخب شدند، دويست دوازده نفر بودند و ايشان در دهات خود بر حسب نسب نامه هاي خود شمرده شدند که داود و سموئيلِ رائي ايشان را بر وظيفه هاي ايشان گماشته بودند.
22Het totale aantal van hen, die uitverkoren waren tot drempelwachters, bedroeg tweehonderd twintig; in hun dorpen stonden ze in het stamregister ingeschreven, en ze werden door David en den profeet Samuël voorgoed in hun ambt bevestigd.
23پس ايشان و پسران ايشان بر دروازه هاي خانه خداوند و خانه خيمه براي نگهباني آن گماشته شدند.
23Met hun zonen bewaakten zij de poorten van het verblijf van Jahweh, de tabernakel.
24و دربانان به هر چهار طرف يعني مشرق و مغرب و شمال و جنوب بودند.
24Ze stonden aan vier zijden op wacht: aan de oostkant, de westkant, de noordkant en de zuidkant
25و برادران ايشان که در دهات خود بودند، هر هفت روز نوبت به نوبت با ايشان مي آمدند.
25Hun verwanten uit hun dorpen moesten hen van tijd tot tijd voor zeven dagen behulpzaam zijn;
26زيرا چهار رئيس دربانان که لاويان بودند، منصب خاصّ داشتند و ناظرانِ حجره ها و خزانه هاي خانه خدا بودند.
26want de vier voornaamste wachters moesten voortdurend op hun post zijn. Deze levieten gingen ook over de cellen en de schatkamers van het Godshuis;
27و به اطراف خانه خدا منزل داشتند زيرا که نگاه بانيش بر ايشان بود، و باز کردن آن هر صبح بر ايشان بود.
27Ze brachten de nacht door in de nabijheid van het Godshuis, omdat zij met de bewaking belast waren, en elke morgen de poorten moesten openen.
28و بعضي از ايشان بر آلات خدمت مأمور بودند، چونکه آنها را به شماره مي آوردند و به شماره بيرون مي بردند.
28Anderen moesten voor het benodigde dienstgerei zorgen; een bepaald aantal brachten ze daarvan binnen, en ook weer weg.
29از ايشان بر اسباب و جميع آلات قدس و آردِ نرم و شراب و روغن و بخور و عطريات مأمور بودند.
29Anderen zorgden voor de gewijde voorwerpen en vaten, alsmede voor de meelbloem, de wijn, de olie, de wierook en de specerijen.
30و بعضي از پسران کاهنان، عطريات خوشبو را ترکيب مي کردند.
30Enige priesterzonen waren de bereiders van de welriekende zalven.
31و مَتَّتيا که از جمله لاويان و نخست زاده شَلُّوم قُورَحي بود، بر عمل مطبوخات گماشته شده بود.
31Mattitja, een van de levieten, de oudste zoon van den Korachiet Sjalloem, was belast met het bakwerk,
32و بعضي از برادران ايشان از پسران قَهاتيان، بر نان تَقدِمه مأمور بودند تا آن را در هر روز سبت مهيا سازند.
32terwijl enige Kehatieten, zijn verwanten, elke sabbat voor het toonbrood moesten zorgen.
33و مغنيان از رؤساي خاندان آباي لاويان در حجره ها سکونت داشتند و از کار ديگر فارغ بودند زيرا که روز و شب در کار خود مشغول مي بودند.
33Dit waren dus de zangers, familiehoofden der levieten, die in de cellen geen dienst behoefden te doen, omdat ze elders dag en nacht bezig waren.
34اينان رؤساي خاندان آباي لاويان و بر حسب انساب خود رئيس بودند و در اورشليم سکونت داشتند.
34Dit waren de familiehoofden der levieten, volgens hun geslacht, die in Jerusalem woonden.
35و در جِبعُون، پدر جِبعُون، يعوئيل سکونت داشت و اسم زنش مَعکَه بود.
35In Gibon woonde Jeïël, de stamvader van Gibon; zijn vrouw heette Maäka.
36و نخست زاده اش عَبدون بود، پس صور و قَيس و بَعل و نير و ناداب،
36Zijn oudste zoon was Abdon, verder Soer, Kisj, Báal, Ner, Nadab,
37و جَدُور و اَخِيو و زَکريا و مِقلُوت؛
37Gedor, Achjo, Zekarja en Miklot.
38و مِقلُوت شِمآم را آورد و ايشان نيز با برادران خود در اورشليم در مقابل برادران ايشان ساکن بودند.
38Miklot verwekte Sjimam. Ook dezen woonden bij hun stamgenoten in Jerusalem, in hun nabijheid.
39و نير قَيس را آورد و قَيس شاؤل را آورد و شاؤل يهُوناتان و مَلکيشوع و ابيناداب و اَشبَعل را آورد.
39Ner verwekte Kisj; Kisj verwekte Saul; Saul verwekte Jonatan, Malkisjóea, Abinadab en Esjbáal.
40و پسر يهُوناتان، مَريب بَعل بود و مَريب بَعل ميکا را آورد.
40De zoon van Jonatan was Merib-Báal; Merib-Báal verwekte Mika.
41و پسر ميکا، فيتون و مالَک و تَحريع و آحاز بودند.
41De zonen van Mika waren Piton, Mélek, Tachréa en Achaz.
42و آحاز يعرَه را آورد و يعره عَلمَت و عَزمُوت و زِمرِي را آورد و زِمرِي موصا را آورد.
42Achaz verwekte Jara; Jara verwekte Alémet, Azmáwet en Zimri. Zimri verwekte Mosa;
43و موصا بِنعا را آورد و پسرش رفايا و پسرش اَلعاسَه و پسرش آصيل.
43Mosa verwekte Bina. De zoon van Bina was Refaja; die van Refaja was Elasa; die van Elasa was Asel.
44و آصيل را شش پسر بود و اين است نامهاي ايشان: عَزرِيقام و بُکرُو و اسمَعيل و شَعَريا و عُوبَديا و حانان اينها پسران آصيل مي باشند.
44Asel had zes kinderen, die aldus heetten: Azrikam, Bokeroe, Jisjmaël, Sjearja, Obadja en Chanan; allen zonen van Asel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.