1 Mojžíšova
Chapter 11
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Mojžíšova 11

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Byla pak všecka země jazyku jednoho a řeči jedné.
1Nog sprak heel de aarde eenzelfde taal en dezelfde woorden.
2I stalo se, když se brali od východu, nalezli pole v zemi Sinear, a bydlili tam.
2Toen men uit het oosten was opgetrokken, en een vlakte in het land Sjinar had gevonden, bleef men daar wonen.
3A řekli jeden druhému: Nuže, nadělejme cihel, a vypalme je ohněm. I měli cihly místo kamení, a zemi lepkou místo vápna.
3Nu zeiden ze tot elkander: Komt, laten we stenen maken, en ze hard bakken in vuur. Die tichels moesten hun tot bouwsteen dienen, de asfalt tot mortel.
4Nebo řekli: Nuže, vystavějme sobě město a věži, jejíž by vrch dosahal k nebi; a tak učiňme sobě jméno, abychom nebyli rozptýleni po vší zemi.
4Later zeiden ze weer: Komt, laten we ons een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan maken we ons een herkenningsteken, zodat we niet over heel de aarde worden verstrooid.
5Sstoupil pak Hospodin, aby viděl to město a věži, kterouž stavěli synové lidští.
5Maar Jahweh daalde neer, om de stad en de toren eens te bezien, die de mensenkinderen bouwden.
6A řekl Hospodin: Aj, lid jeden a jazyk jeden všechněch těchto, a toť jest začátek díla jejich; nyní pak nedadí sobě v tom překaziti, což umínili dělati.
6Want Jahweh sprak: Zie, zij vormen één volk en spreken één taal. En dit is nog maar het begin van hun doen; later zal men niets meer kunnen beletten van al wat zij van plan zijn.
7Protož sstupme a změťme tam jazyk jejich, aby jeden druhého jazyku nerozuměl.
7Kom, laat ons afdalen, en daar beneden hun spraak in verwarring brengen, zodat zij elkanders taal niet meer verstaan.
8A tak rozptýlil je Hospodin odtud po vší zemi; i přestali stavěti města toho.
8Zo verstrooide Jahweh hen over de hele aarde, en staakten zij de bouw der stad.
9Protož nazváno jest jméno jeho Bábel; nebo tu zmátl Hospodin jazyk vší země; a odtud rozptýlil je Hospodin po vší zemi.
9Daarom noemt men haar Babel, omdat Jahweh daar de spraak van de hele aarde in verwarring heeft gebracht, en omdat Jahweh hen vandaar over de hele aarde heeft verstrooid.
10Titoť jsou rodové Semovi: Sem, když byl ve stu letech, zplodil Arfaxada ve dvou letech po potopě.
10Dit is de geslachtslijst van Sem. Sem was honderd jaar oud, toen hij Arpaksad verwekte, twee jaar na de zondvloed.
11A byl živ Sem po zplození Arfaxada pět set let; a plodil syny a dcery.
11En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, nog vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
12Arfaxad pak živ byl pět a třidceti let, a zplodil Sále.
12Arpaksad was vijf en dertig jaar oud, toen hij Sála verwekte.
13A po zplození Sále živ byl Arfaxad čtyři sta a tři léta; a plodil syny a dcery.
13Arpaksad leefde, nadat hij Sála verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
14Sále také živ byl třidceti let, a zplodil Hebera.
14Sála was dertig jaar oud, toen hij Eber verwekte.
15A živ byl Sále po zplození Hebera čtyři sta a tři léta; a plodil syny a dcery.
15En Sála leefde, nadat hij Eber verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
16Živ pak byl Heber čtyři a třidceti let, a zplodil Pelega.
16Eber was vier en dertig jaar oud, toen hij Páleg verwekte.
17A živ byl Heber po zplození Pelega čtyři sta a třidceti let; a plodil syny a dcery.
17Eber leefde, nadat hij Páleg verwekt had, nog vierhonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
18Peleg pak živ byl třidceti let, a zplodil Réhu.
18Páleg was dertig jaar, toen hij Ragaoe verwekte.
19A živ byl Peleg po zplození Réhu dvě stě a devět let; a plodil syny a dcery.
19En Páleg leefde, nadat hij Ragaoe verwekt had, nog tweehonderd negen jaar, en verwekte zonen en dochters.
20Réhu také živ byl třidceti a dvě létě, a zplodil Sáruga.
20Ragaoe was twee en dertig jaar oud, toen hij Seroeg verwekte.
21A po zplození Sáruga živ byl Réhu dvě stě a sedm let; a plodil syny a dcery.
21En Ragaoe leefde, nadat hij Seroeg verwekt had, nog tweehonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
22Živ pak byl Sárug třidceti let, a zplodil Náchora.
22Seroeg was dertig jaar oud, toen hij Nachor verwekte.
23A byl živ Sárug po zplození Náchora dvě stě let; a plodil syny a dcery.
23En Seroeg leefde, nadat hij Nachor verwekt had, nog tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
24Náchor pak živ byl dvadceti a devět let, a zplodil Táre.
24Nachor was negen en twintig jaar oud, toen hij Tara verwekte.
25A živ byl Náchor po zplození Táre sto a devatenácte let; a plodil syny a dcery.
25En Nachor leefde, nadat hij Tara verwekt had, nog honderd negentien jaar, en verwekte zonen en dochters.
26Živ pak byl Táre sedmdesáte let, a zplodil Abrama, Náchora a Hárana.
26Tara was zeventig jaar oud, toen hij Abram, Nachor en Haran verwekte.
27Tito jsou pak rodové Táre: Táre zplodil Abrama, Náchora a Hárana; Háran pak zplodil Lota.
27En dit is de geslachtslijst van Tara. Tara verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
28Umřel pak Háran prvé než Táre otec jeho v zemi narození svého, totiž v Ur Kaldejských.
28Haran stierf nog bij het leven van Tara, zijn vader, in zijn geboorteland, in Oer der Chaldeën.
29I zpojímali sobě ženy Abram a Náchor; jméno ženy Abramovy Sarai, a jméno ženy Náchorovy Melcha, dcera Háranova, kterýž byl otec Melchy a Jeschy.
29Abram en Nachor waren beiden getrouwd. De vrouw van Abram heette Sarai; de vrouw van Nachor heette Milka, en was de dochter van Haran, den vader van Milka en Jiska.
30Byla pak Sarai neplodná, a neměla dětí.
30Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
31I vzal Táre Abrama syna svého, a Lota syna Háranova, vnuka svého, a Sarai nevěstu svou, ženu Abrama syna svého, a vyšli spolu z Ur Kaldejských, aby se brali do země Kananejské, a přišli až do Cháran, a bydlili tam.
31Tara nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, den zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, en voerde ze weg uit Oer der Chaldeën, om naar het land Kanaän te trekken. Maar eenmaal in Charan gekomen, bleven zij daar wonen.
32A byli dnové Táre dvě stě a pět let; i umřel Táre v Cháran.
32Tara werd tweehonderd vijf jaar oud, en stierf in Charan.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.