1 Mojžíšova
Chapter 38
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Mojžíšova 38

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Stalo se pak v ten čas, že sstupuje Juda od bratří svých, uchýlil se k muži Odolamitskému, jehož jméno bylo Híra.
1Omstreeks diezelfde tijd verliet Juda zijn broers, en begaf zich naar een man in Adoellam, Chira genaamd.
2I uzřel tam Juda dceru muže Kananejského, kterýž sloul Sua; a pojav ji, všel k ní.
2Daar zag Juda de dochter van een Kanaäniet, die Sjóea heette; hij nam haar tot vrouw, en hield gemeenschap met haar.
3Kterážto počala a porodila syna; i nazval jméno jeho Her.
3Zij werd zwanger, en baarde een zoon, dien ze Er noemde.
4A počavši opět, porodila syna; a nazvala jméno jeho Onan.
4Zij werd nog eens zwanger, en baarde een zoon, dien zij de naam Onan gaf.
5Porodila pak ještě syna, jehož jméno nazvala Séla. A byl Juda v Chezib, když ona jej porodila.
5Daarna baarde zij nog een zoon, dien zij Sjela noemde. Zij bevond zich te Kezib, toen zij hem baarde.
6I dal Juda Herovi prvorozenému svému manželku, jménem Támar.
6Later nam Juda voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw, Tamar geheten.
7A byl Her, prvorozený Judův, zlý před očima Hospodina; i zabil jej Hospodin.
7Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van Jahweh, zodat Jahweh hem deed sterven.
8Tedy řekl Juda Onanovi: Vejdi k ženě bratra svého, a podlé příbuznosti pojmi ji, abys vzbudil símě bratru svému.
8Toen zeide Juda tot Onan: Ga naar de vrouw van uw broer, sluit een zwagerhuwelijk met haar, en zorg dat ge kinderen verwekt voor uw broer.
9Věděl pak Onan, že to símě nebude jeho. Protož kdykoli vcházel k ženě bratra svého, vypouštěl símě na zem, aby nezplodil synů bratru svému.
9Maar Onan, die wist, dat die kinderen niet aan hem zouden behoren, liet telkens, als hij tot zijn schoonzuster kwam, het zaad op de grond verloren gaan, om geen kinderen voor zijn broer te verwekken.
10I nelíbilo se Hospodinu to, co dělal Onan; protož ho také zabil.
10Zijn gedrag was slecht in de ogen van Jahweh; zodat Hij ook hem liet sterven.
11Tedy řekl Juda k Támar nevěstě své: Pobuď v domě otce svého vdovou, dokudž nedoroste Séla, syn můj. (Nebo řekl: Aby on také neumřel, jako i bratří jeho.) I odešla Támar, a bydlila v domě otce svého.
11Toen sprak Juda tot zijn schoondochter Tamar: Blijf als weduwe in uw vaderlijk huis, tot mijn zoon Sjela volwassen is. Want hij dacht: anders zal ook hij sterven evenals zijn broers. En Tamar ging heen, en bleef in het huis van haar vader wonen.
12A po mnohých dnech umřela dcera Suova, manželka Judova. Kterýžto potěšiv se zas, šel do Tamnas k těm, kteříž střihli ovce jeho, a s ním Híra Odolamitský, přítel jeho.
12Geruime tijd later stierf de dochter van Sjóea, Juda’s vrouw. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda eens in gezelschap van zijn vriend Chira uit Adoellam naar Timna, om zijn schapenscheerders te bezoeken.
13I oznámeno jest Támar těmito slovy: Aj, tchán tvůj vstupuje do Tamnas, aby střihl ovce své.
13Men bracht Tamar het bericht: Uw schoonvader komt naar Timna, om zijn schapen te scheren.
14Tedy ona složivši s sebe šaty své vdovské, zavila se v rouchu, a oděla se a seděla na rozcestí, kudy se jde do Tamnas. Nebo viděla, že Séla dorostl, a že není dána jemu za manželku.
14Nu legde zij haar weduwkleed af, hulde zich in een sluier, en ging vermomd bij de poort van Enáim zitten, dat op de weg naar Timna ligt. Want zij wist, dat Sjela groot was geworden, en zij hem toch niet tot vrouw werd gegeven.
15Kteroužto uzřev Juda, za to měl, že jest nevěstka; nebo zakryla tvář svou.
15Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een deerne, omdat zij haar gelaat had gesluierd.
16Protož uchýliv se k ní s cesty, řekl: Dopusť medle, ať vejdu k tobě. (Nebo nevěděl, aby nevěsta jeho byla.) I řekla: Co mi dáš, jestliže vejdeš ke mně?
16Hij verliet de weg, ging naar haar toe en sprak: Kom, ik wil met u mee. Hij wist immers niet, dat het zijn schoondochter was. Zij antwoordde: Wat geeft ge mij, als ge bij me moogt komen?
17Odpověděl: Pošliť kozelce z stáda. Dí ona: Kdybys něco zastavil, dokavadž nepošleš.
17Hij zeide: Ik zal u een geitebokje van de kudde sturen. Zij antwoordde: Als ge een pand geeft, tot ge het mij hebt gestuurd.
18I řekl: Cožť mám dáti v zástavě? Odpověděla ona: Pečetní prsten svůj, a halži svou, a hůl svou, kterouž máš v ruce své. I dal jí, a všel k ní; a počala z něho.
18Hij hernam: Wat voor een pand moet ik u geven? Zij antwoordde: Uw zegel met snoer en de staf, die ge in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, hield gemeenschap met haar, en zij ontving van hem.
19Tedy vstavši, odešla, a sňavši rouchu svou s sebe, oblékla se v šaty své vdovské.
19Nu stond zij op, en ging heen; ze legde haar sluier af en trok haar weduwkleed weer aan.
20I poslal Juda kozelce po příteli svém Odolamitském, aby vzal zase základ od ženy. A nenalezl jí.
20Toen Juda nu door zijn vriend uit Adoellam een geitebokje liet brengen, om het pand uit de handen van de vrouw terug te krijgen, vond deze haar niet.
21I ptal se mužů toho místa, řka: Kde jest ta nevěstka, kteráž seděla na rozcestí této cesty? Řekli oni: Nebylotě zde nevěstky.
21Hij ondervroeg de bewoners van die plaats: Waar is de deerne, die hier bij Enáim langs de weg zit? Maar zij antwoordden: Er is hier geen deerne.
22Tedy navrátiv se k Judovi, řekl: Nenašel jsem jí; a také muži místa toho pravili: Nebylo zde nevěstky.
22Toen keerde hij naar Juda terug, en zeide: Ik heb haar niet kunnen vinden; en de mensen van die plaats beweren, dat daar nooit een deerne geweest is.
23I řekl Juda: Nechť sobě to má, abychom neuvedli se v lehkost. Jáť jsem poslal toho kozelce, ale tys jí nenalezl.
23Juda sprak: Dan moet zij pand maar houden; we kunnen ons toch niet uit laten lachen. Ik heb het bokje gestuurd, maar gij hebt haar niet kunnen vinden.
24I stalo se okolo tří měsíců, že oznámili Judovi, řkouce: Dopustila se smilství Támar nevěsta tvá, a jest již i těhotná z smilství. I řekl Juda: Vyveďte ji, aby byla upálena.
24Ongeveer drie maanden later werd aan Juda bericht: Uw schoondochter Tamar heeft ontucht bedreven, en is zwanger geworden. Juda sprak: Brengt ze naar buiten, om ze te verbranden!
25Když pak vedena byla, poslala k tchánu svému, řkuci: Z muže, jehož tyto věci jsou, těhotná jsem. A při tom řekla: Pohleď, prosím, čí jsou tyto věci, pečetní prsten, halže a hůl tato?
25Reeds werd ze naar buiten geleid, toen ze haar schoonvader liet zeggen: Van den man, aan wien deze dingen behoren, heb ik ontvangen. En zij liet er aan toevoegen: Kijk eens goed, wien dit zegel met snoer en die staf toebehoren.
26Tedy pohleděv na to Juda, řekl: Spravedlivějšíť jest než já, poněvadž jsem nedal jí Sélovi synu svému. A více jí nepoznával.
26Juda herkende ze en sprak: Zij is tegenover mij in haar recht; want ik heb haar niet aan mijn zoon Sjela gegeven. Maar hij hield verder geen gemeenschap met haar.
27Stalo se pak, že když přišel čas porodu jejího, aj, bliženci v životě jejím.
27Toen de tijd van haar verlossing nabij was, bleek er een tweeling in haar schoot te zijn.
28A když rodila, jeden z nich vyskytl ruku, kteroužto chytivši baba, uvázala na ni červenou nitku, řkuci: Ten vyjde prvé.
28Tijdens de verlossing stak er een zijn handje uit. De vroedvrouw greep het vast, bond er een purperen draad om, en zeide: Deze is het eerst gekomen.
29Když pak vtáhl ruku svou zase, hle, vyšel bratr jeho. I řekla: Jak jsi protrhl? Tvéť jest protržení. I nazváno jest jméno jeho Fáres.
29Maar hij trok zijn handje terug, en toen kwam zijn broertje te voorschijn. Nu sprak ze: Wat voor een bres hebt gij u gemaakt! En zij noemde hem Fares.
30A potom vyšel bratr jeho, kterýž měl na ruce nitku červenou. I nazváno jest jméno jeho Zára.
30Daarna kwam zijn broertje, die de purperen draad om zijn handje had, en zij noemde hem Zara.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.