1 Mojžíšova
Chapter 8
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Mojžíšova 8

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Rozpomenul se pak Bůh na Noé, i všecky živočichy a všecka hovada, kteráž byla s ním v korábu; pročež uvedl Bůh vítr na zemi, i zastavily se vody.
1Toen dacht God aan Noë, en aan alle wilde en tamme dieren, die met hem in de ark waren. God deed een wind over de aarde waaien, waardoor het water begon te zakken.
2A zavříny jsou studnice propasti i průduchové nebeští, a zastaven jest příval s nebe.
2De kolken van de afgrond en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op.
3I navrátily se vody se svrchku země, odcházejíce zase, a opadly vody po stu a padesáti dnech,
3Het water vloeide langzaam heen, en zakte na verloop van honderd vijftig dagen van de aarde weg.
4Tak že odpočinul koráb sedmého měsíce, v sedmnáctý den toho měsíce na horách Ararat.
4In de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, liep de ark op het gebergte Ararat vast.
5Když pak vody odcházely a opadaly až do desátého měsíce, prvního dne téhož desátého měsíce ukázali se vrchové hor.
5Het water bleef geleidelijk zakken tot de tiende maand; op de eerste dag der tiende maand werden de toppen der bergen zichtbaar.
6I stalo se po čtyřidcíti dnech, otevřev Noé okno v korábu, kteréž byl udělal,
6En toen er veertig dagen waren verlopen, opende Noë het venster, dat hij in de ark had gemaakt.
7Vypustil krkavce. Kterýžto vyletuje zase se vracoval, dokudž nevyschly vody na zemi.
7Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen, tot het water op de aarde was opgedroogd.
8Potom vypustil holubici od sebe, aby věděl, již-li by opadly vody se svrchku země.
8Daarna liet hij een duif los, om te zien, of het water al van de aarde weg was.
9Kterážto když nenašla, kde by odpočinula noha její, navrátila se k němu do korábu; nebo vody byly po vší zemi. On pak vztáhna ruku svou, vzal ji, a vnesl k sobě do korábu.
9Maar de duif vond geen plek voor haar pootjes en keerde naar hem terug in de ark; want het water hield nog de hele oppervlakte der aarde bedekt. Hij stak zijn hand uit, pakte ze beet, en haalde ze naar zich toe in de ark.
10A počekal ještě sedm dní jiných, a opět vypustil holubici z korábu.
10Nu wachtte hij nog zeven dagen, en liet toen opnieuw een duif uit de ark.
11I přiletěla k němu holubice k večerou, a aj, list olivový utržený v ústech jejích. Tedy poznal Noé, že opadly vody se svrchku země.
11De duif keerde tegen de avond naar hem terug, en droeg een frisse olijftak in de bek. Toen begreep Noë, dat het water van de aarde moest zijn weggezakt.
12I čekal ještě sedm dní jiných, a opět vypustil holubici, kterážto nevrátila se k němu více.
12Weer wachtte hij nu zeven dagen, en liet toen opnieuw de duif uitvliegen; maar nu keerde ze niet meer naar hem terug.
13I stalo se šestistého prvního léta, v první den měsíce prvního, že vyschly vody na zemi. I odjal Noé přikrytí korábu a uzřel, ano již oschl svrchek země.
13In het zeshonderd eerste levensjaar van Noë, in het begin van de eerste maand, was het water van de aarde opgedroogd. Nu verwijderde Noë het dak van de ark, en keek naar buiten; en zie, de oppervlakte der aarde was droog.
14Druhého pak měsíce, v dvadcátý sedmý den téhož měsíce oschla země.
14In de tweede maand, op de zeven en twintigste dag der maand, was de aarde helemaal droog.
15I mluvil Bůh k Noé, řka:
15Toen sprak God tot Noë:
16Vyjdi z korábu, ty i žena tvá, a synové tvoji, i ženy synů tvých s tebou.
16Ga uit de ark; gij met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen uwer zonen.
17Všecky živočichy, kteříž jsou s tebou ze všelikého těla, tak z ptactva jako z hovad a všelikého zeměplazu, kterýž se hýbe na zemi, vyveď s sebou; ať se v hojnosti rozplozují na zemi, a rostou a množí se na zemi.
17En laat ook alle dieren, alle wezens die bij u zijn, tegelijk met u naar buiten komen: de vogels, de viervoetige dieren en al wat op de aarde kruipt; opdat ze zich weer op de aarde bewegen, vruchtbaar zijn, en talrijk worden op aarde.
18I vyšel Noé a synové jeho, i žena jeho a ženy synů jeho s ním;
18Noë ging er dus uit met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen.
19Každý živočich, každý zeměplaza všecko ptactvo, všecko, což se hýbe na zemi, po pokoleních svých vyšlo z korábu.
19Ook alle viervoetige dieren, alle vogels en al wat over de aarde kruipt, elk naar zijn soort, kwamen naar buiten uit de ark.
20Tedy vzdělal Noé oltář Hospodinu, a vzav ze všech hovad čistých i ze všeho ptactva čistého, obětoval zápaly na tom oltáři.
20Toen bouwde Noë een altaar voor Jahweh; en hij nam van alle reine dieren en van alle reine vogels, en droeg ze op het altaar als brandoffer op.
21I zachutnal Hospodin vůni tu příjemnou, a řekl Hospodin v srdci svém: Nebudu více zlořečiti zemi pro člověka, proto že myšlení srdce lidského zlé jest od mladosti jeho; aniž budu více bíti všeho, což živo jest, jako jsem učinil.
21Jahweh rook de aangename geur, en sprak bij Zich zelf: Nooit meer zal Ik om den mens de aarde vervloeken, want de gedachten van het mensenhart zijn slecht van zijn jeugd af; en nooit meer zal Ik alle levende wezens treffen, zoals Ik nu heb gedaan.
22Nýbrž dokavadž země trvati bude, setí a žeň, studeno i horko, léto a zima, den také a noc nepřestanou.
22Zolang de aarde bestaat, Zal er zaai(-) en oogsttijd, koude en hitte zijn; Zomer en winter, dag en nacht, Nooit houden ze op!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.