Genesis 11
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the whole earth was of one language and of one speech.
1Nog sprak heel de aarde eenzelfde taal en dezelfde woorden.
2And it came to pass, as they journeyed east, that they found a plain in the land of Shinar; and they dwelt there.
2Toen men uit het oosten was opgetrokken, en een vlakte in het land Sjinar had gevonden, bleef men daar wonen.
3And they said one to another: 'Come, let us make brick, and burn them thoroughly.' And they had brick for stone, and slime had they for mortar.
3Nu zeiden ze tot elkander: Komt, laten we stenen maken, en ze hard bakken in vuur. Die tichels moesten hun tot bouwsteen dienen, de asfalt tot mortel.
4And they said: 'Come, let us build us a city, and a tower, with its top in heaven, and let us make us a name; lest we be scattered abroad upon the face of the whole earth.'
4Later zeiden ze weer: Komt, laten we ons een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan maken we ons een herkenningsteken, zodat we niet over heel de aarde worden verstrooid.
5And the LORD came down to see the city and the tower, which the children of men builded.
5Maar Jahweh daalde neer, om de stad en de toren eens te bezien, die de mensenkinderen bouwden.
6And the LORD said: 'Behold, they are one people, and they have all one language; and this is what they begin to do; and now nothing will be withholden from them, which they purpose to do.
6Want Jahweh sprak: Zie, zij vormen één volk en spreken één taal. En dit is nog maar het begin van hun doen; later zal men niets meer kunnen beletten van al wat zij van plan zijn.
7Come, let us go down, and there confound their language, that they may not understand one another's speech.'
7Kom, laat ons afdalen, en daar beneden hun spraak in verwarring brengen, zodat zij elkanders taal niet meer verstaan.
8So the LORD scattered them abroad from thence upon the face of all the earth; and they left off to build the city.
8Zo verstrooide Jahweh hen over de hele aarde, en staakten zij de bouw der stad.
9Therefore was the name of it called Babel; because the LORD did there confound the language of all the earth; and from thence did the LORD scatter them abroad upon the face of all the earth.
9Daarom noemt men haar Babel, omdat Jahweh daar de spraak van de hele aarde in verwarring heeft gebracht, en omdat Jahweh hen vandaar over de hele aarde heeft verstrooid.
10These are the generations of Shem. Shem was a hundred years old, and begot Arpachshad two years after the flood.
10Dit is de geslachtslijst van Sem. Sem was honderd jaar oud, toen hij Arpaksad verwekte, twee jaar na de zondvloed.
11And Shem lived after he begot Arpachshad five hundred years, and begot sons and daughters.
11En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, nog vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
12And Arpachshad lived five and thirty years, and begot Shelah.
12Arpaksad was vijf en dertig jaar oud, toen hij Sála verwekte.
13And Arpachshad lived after he begot Shelah four hundred and three years, and begot sons and daughters.
13Arpaksad leefde, nadat hij Sála verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
14And Shelah lived thirty years, and begot Eber.
14Sála was dertig jaar oud, toen hij Eber verwekte.
15And Shelah lived after he begot Eber four hundred and three years, and begot sons and daughters.
15En Sála leefde, nadat hij Eber verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
16And Eber lived four and thirty years, and begot Peleg.
16Eber was vier en dertig jaar oud, toen hij Páleg verwekte.
17And Eber lived after he begot Peleg four hundred and thirty years, and begot sons and daughters.
17Eber leefde, nadat hij Páleg verwekt had, nog vierhonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
18And Peleg lived thirty years, and begot Reu.
18Páleg was dertig jaar, toen hij Ragaoe verwekte.
19And Peleg lived after he begot Reu two hundred and nine years, and begot sons and daughters.
19En Páleg leefde, nadat hij Ragaoe verwekt had, nog tweehonderd negen jaar, en verwekte zonen en dochters.
20And Reu lived two and thirty years, and begot Serug.
20Ragaoe was twee en dertig jaar oud, toen hij Seroeg verwekte.
21And Reu lived after he begot Serug two hundred and seven years, and begot sons and daughters.
21En Ragaoe leefde, nadat hij Seroeg verwekt had, nog tweehonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
22And Serug lived thirty years, and begot Nahor.
22Seroeg was dertig jaar oud, toen hij Nachor verwekte.
23And Serug lived after he begot Nahor two hundred years, and begot sons and daughters.
23En Seroeg leefde, nadat hij Nachor verwekt had, nog tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
24And Nahor lived nine and twenty years, and begot Terah.
24Nachor was negen en twintig jaar oud, toen hij Tara verwekte.
25And Nahor lived after he begot Terah a hundred and nineteen years, and begot sons and daughters.
25En Nachor leefde, nadat hij Tara verwekt had, nog honderd negentien jaar, en verwekte zonen en dochters.
26And Terah lived seventy years, and begot Abram, Nahor, and Haran.
26Tara was zeventig jaar oud, toen hij Abram, Nachor en Haran verwekte.
27Now these are the generations of Terah. Terah begot Abram, Nahor, and Haran; and Haran begot Lot.
27En dit is de geslachtslijst van Tara. Tara verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
28And Haran died in the presence of his father Terah in the land of his nativity, in Ur of the Chaldees.
28Haran stierf nog bij het leven van Tara, zijn vader, in zijn geboorteland, in Oer der Chaldeën.
29And Abram and Nahor took them wives: the name of Abram's wife was Sarai; and the name of Nahor's wife, Milcah, the daughter of Haran, the father of Milcah, and the father of Iscah.
29Abram en Nachor waren beiden getrouwd. De vrouw van Abram heette Sarai; de vrouw van Nachor heette Milka, en was de dochter van Haran, den vader van Milka en Jiska.
30And Sarai was barren; she had no child.
30Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
31And Terah took Abram his son, and Lot the son of Haran, his son's son, and Sarai his daughter-in-law, his son Abram's wife; and they went forth with them from Ur of the Chaldees, to go into the land of Canaan; and they came unto Haran, and dwelt there.
31Tara nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, den zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, en voerde ze weg uit Oer der Chaldeën, om naar het land Kanaän te trekken. Maar eenmaal in Charan gekomen, bleven zij daar wonen.
32And the days of Terah were two hundred and five years; and Terah died in Haran.
32Tara werd tweehonderd vijf jaar oud, en stierf in Charan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.